ECLI:NL:PHR:2018:298
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen beklag mogelijk tegen bevel tot uitlevering van voorwerpen door rechter-commissaris
In deze zaak staat centraal de vraag of tegen een bevel van de rechter-commissaris tot uitlevering van voorwerpen een beklag mogelijk is op grond van artikel 552a Sv. Klager, die in twee strafrechtelijke onderzoeken als verdachte is aangemerkt, heeft een klaagschrift ingediend tegen een dergelijk bevel, nadat stukken die eerder waren teruggegeven aan hem door een andere rechter-commissaris, opnieuw moesten worden uitgeleverd aan het openbaar ministerie.
De rechtbank Den Haag verklaarde het klaagschrift niet-ontvankelijk omdat de wet volgens haar geen rechtsmiddel openlaat tegen een beslissing op grond van artikel 105 Sv Pro. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat deze beslissing juist is en dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het bevel tot uitlevering gaat immers vooraf aan de daadwerkelijke inbeslagneming en dient vooral om toepassing van dwangmiddelen als een doorzoeking te voorkomen.
De AG benadrukt dat het niet logisch is om tegen het bevel tot uitlevering beklag toe te staan, omdat dit bevel niet gelijkstaat aan inbeslagneming. Pas na de daadwerkelijke inbeslagneming kan een klaagschrift worden ingediend. Ook wijst hij erop dat de rechter-commissaris andere middelen heeft om beslag te leggen, waardoor een bevel tot uitlevering aan een collega-rechter-commissaris een onnodige complicatie is.
De conclusie is dat de wet geen voorziening biedt voor beklag tegen een bevel tot uitlevering en dat het beroep tegen de beslissing van de rechtbank op dit punt niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dit betekent dat er geen cassatiemogelijkheid is tegen de beslissing van de rechtbank in deze kwestie.
Uitkomst: Klager wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep tegen het bevel tot uitlevering van voorwerpen.