Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
13 maart 2018.
Hoge Raad
De betrokkene stelde een cassatieberoep in tegen de fictieve beschikking van de rechtbank Den Haag, waarbij het klaagschrift werd geacht ongegrond te zijn verklaard wegens het uitblijven van een beslissing binnen de wettelijke termijn. Volgens artikel 552a lid 7 Sv had de rechtbank binnen dertig dagen moeten beslissen, wat niet is gebeurd, waardoor een fictieve beschikking ontstond.
De Hoge Raad oordeelde dat tegen het uitblijven van een beschikking geen beroep in cassatie openstaat. De betrokkene kon daarom niet in het ingestelde beroep worden ontvangen. De Advocaat-Generaal had eveneens geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het beroep.
De beschikking is gegeven door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad, uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 13 maart 2018.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een cassatieberoep tegen het uitblijven van een beschikking.