ECLI:NL:HR:2018:338

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 maart 2018
Publicatiedatum
13 maart 2018
Zaaknummer
17/04905
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 450 lid 3 SvArt. 552a lid 7 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen fictieve beschikking rechtbank

De betrokkene stelde een cassatieberoep in tegen de fictieve beschikking van de rechtbank Den Haag, waarbij het klaagschrift werd geacht ongegrond te zijn verklaard wegens het uitblijven van een beslissing binnen de wettelijke termijn. Volgens artikel 552a lid 7 Sv had de rechtbank binnen dertig dagen moeten beslissen, wat niet is gebeurd, waardoor een fictieve beschikking ontstond.

De Hoge Raad oordeelde dat tegen het uitblijven van een beschikking geen beroep in cassatie openstaat. De betrokkene kon daarom niet in het ingestelde beroep worden ontvangen. De Advocaat-Generaal had eveneens geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het beroep.

De beschikking is gegeven door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad, uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 13 maart 2018.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een cassatieberoep tegen het uitblijven van een beschikking.

Uitspraak

13 maart 2018
Strafkamer
nr. S 17/04905 Bv
DAZ
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen het uitblijven van een beschikking van de Rechtbank Den Haag in de zaak van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben C.N.M. Dekker en P.H.L.M. Souren, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd dat de betrokkene niet-ontvankelijk wordt verklaard in het beroep.
De raadsman P.H.L.M. Souren heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

In deze zaak is naar aanleiding van een schriftelijke volmacht als bedoeld in art. 450, derde lid, Sv door de griffier bij de Rechtbank Den Haag op 26 september 2017 een cassatieakte opgemaakt met de volgende inhoud:
"Heden, 26 september 2017, verscheen ter griffie van de rechtbank Den Haag, (...)
die verklaarde door na te noemen persoon bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd tot het instellen van beroep in cassatie inzake:
[betrokkene],
(...)
tegen de fictieve beschikking van de rechtbank Den Haag, d.d. 11 september 2017. Het klaagschrift is op 11 augustus ingediend. Krachtens artikel 552a lid 7 moet in geval van een geheimhouder binnen dertig dagen, dus uiterlijk 11 september zijn beslist. Dat is niet gebeurd, waardoor sprake is van een fictief besluit tot ongegrondverklaring van het klaagschrift."
Tegen het uitblijven van een beschikking staat geen beroep in cassatie open. De betrokkene kan in het ingestelde beroep niet worden ontvangen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 maart 2018.