Conclusie
[eiser]) onder druk ingestemd met een echtscheiding volgens de Joodse wet ten overstaande van een rabbinale rechtbank. In 2005 heeft [eiser] een procedure aangespannen tegen verweerster in het principaal cassatieberoep (hierna:
NIHS) [1] en tegen de drie rabbijnen die zitting hadden in die rabbinale rechtbank. In 2011 heeft de Hoge Raad zich al een keer over dit dossier moeten buigen. Het ging toen over een procedurele kwestie: het hof Amsterdam had ten onrechte geweigerd [eiser] de gelegenheid te geven getuigen te laten horen. [2]
get-procedure te volgen. Een
getis een echtscheidingsdocument, dat met ganzenveer op perkament wordt geschreven tijdens een zitting van de
Beth Din,de rabbinale rechtbank. De man moet aan zijn vrouw (of indien zij niet aanwezig is, aan een gevolmachtigde) de
getoverhandigen. Omgekeerd kan een vrouw niet aan haar man de
getverlenen. Een vrouw die van haar man wil scheiden, is dus afhankelijk van diens medewerking. Als een vrouw de
getniet heeft gekregen, kan het huwelijk niet worden ontbonden en kunnen partijen volgens de Joodse wet niet hertrouwen. [3]
get-zitting zijn tevens aanwezig: een griffier/secretaris, twee getuigen, en een schrijver die de ganzenveer hanteert. Het organiseren van een
get-procedure is een aangelegenheid van het Nederlands-Israëlisch Kerkgenootschap (hierna:
NIK), de overkoepelende organisatie van Joodse gemeenten in Nederland. Ten tijde van de feiten was rabbijn [betrokkene 2] als enige rabbijn aangewezen om in Nederland de echtscheidingen te verrichten.
get-zittingen een synagoge ter beschikking, waaronder die aan het Jacob Obrechtplein te Amsterdam. [4] NIHS is gevestigd en houdt kantoor aan de Van der Boechorststraat 26, te 1081 BT Amsterdam (Buitenveldert). NIK houdt kantoor op datzelfde adres.
gette verlenen aan zijn vrouw, [betrokkene 3], die daarbij niet aanwezig was. De rabbinale rechtbank was samengesteld uit de rabbijnen [betrokkene 2] (voorzitter), [betrokkene 4] en [betrokkene 1]. [6] Verder waren aanwezig rabbijn [betrokkene 5] (secretaris), [betrokkene 6] (schrijver), en [betrokkene 7] en [betrokkene 8] (getuigen).
Vanmorgen omstreeks 08.30 uur werd er bij mij aan de deur gebeld. Toen ik opendeed stormden er twee mannen mijn woning binnen. Het waren Israëlische mannen. Ze begonnen meteen heel agressief tegen mij te doen en mij te slaan. Ook werden mij met een apparaat elektrische schokken toegediend. De mannen wilden, dat ik een document zou laten schrijven (… waarin ik verklaar, dat mijn vrouw, die inmiddels in Israël woont, met andere mannen mag gaan (…). (…) Ik ben ongeveer een uur door de mannen in mijn woning bedreigd en geslagen. Ik heb geen letsel in mijn gelaat aan de mishandelingen overgehouden, daar de mannen, welke mij sloegen, zo professioneel zijn dat zij geen zichtbaar letsel achterlaten. Wel heb ik een bloeduitstorting op mijn linker bovenbeen en is er een pluk haar uit mijn baard getrokken.
de vrouw) in 1993 in Israël waren getrouwd. Het huwelijk liep kort na de geboorte van een kind stuk. De vrouw is met het kind in Israël gaan wonen. Al geruime tijd was getracht [eiser] ertoe te bewegen haar de
gette geven, zodat de Joodse rechtbank te Jeruzalem de echtscheiding kon uitspreken. [8] De ‘kwestie [eiser]’ was volgens afgelegde verklaringen bekend in de orthodox-joodse gemeenschap in Amsterdam. [9] Ook de drie leden van de rabbinale rechtbank kenden de voorgeschiedenis. [10] Verschillende personen hebben verklaard dat [eiser]’s weigering de
gette verlenen samenhing met geldkwesties en dat hij wél zou willen instemmen als hij maar genoeg kreeg betaald. [11]
to get the get. [13] Na aankomst in Nederland hebben zij zowel rabbijn [betrokkene 1] als rabbijn [betrokkene 5] benaderd met het verzoek snel een
get-zitting te organiseren. Zij werden daarvoor verwezen naar rabbijn [betrokkene 2]. Deze heeft hen ontvangen en vervolgens rabbijn [betrokkene 5] gevraagd een zitting te regelen. Dat alles gebeurde binnen een week. Nergens blijkt uit dat [eiser] voor de zitting 8 maart 2000 was opgeroepen. [14] Vaststaat dat hij die dag door de beide mannen thuis is bezocht, door hen onder druk is gezet en is meegevoerd naar de Jacob Obrecht synagoge.
get-zitting is onder meer het volgende verklaard:
Ik heb [eiser] gezegd dat hij en wij hier waren voor het optekenen van de Get. Ik heb hem gezegd dat het wel of niet onder dwang, niet ter zake diende. De zitting was geregeld enkel en alleen om de Get uit te schrijven. Dat [eiser] daarbij riep dat hij werd gedwongen was geen reden de zitting te schorsen.”
Ik begrijp dat u twijfels heeft of [eiser] nu wel vrijwillig heeft getekend. Maar dat is geen zaak van het Rabbinaat. Eigenlijk neem[t] het Rabbinaat daar afstand van. Het Rabbinaat vindt veel belangrijker dat er getekend wordt.(...)
[eiser] was bij het begin van de procedure bijzonder geëmotioneerd. Hij heeft een paar maal gezegd dat hij tegen zijn wil naar de Synagoge was gebracht, dat hij gedwongen was te komen. Ter plekke heb ik niets gezien dat op dwang leek.”
3.Procesverloop
[betrokkene 1] c.s.) gezamenlijk, dan wel afzonderlijk:
get, waarbij hij toestemming geeft tot ontbinding van zijn huwelijk. NIHS en [betrokkene 1] c.s. hebben aldus onrechtmatig jegens hem laten handelen en gehandeld. [19] Zowel NIHS als [betrokkene 1] c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd en daarbij onder meer het standpunt ingenomen dat de vordering is verjaard.
het hof) ter verdere behandeling en beslissing.
(eerste) tussenarrestvan 26 februari 2013 heeft het hof [eiser] toegelaten tot het bewijs zoals hem opgedragen in het tussenarrest van het hof Amsterdam van 23 juni 2009, te weten dat de stuitingsbrief van 3 maart 2005 naar het adres Van der Boechorststraat 26, 1081 BT te Amsterdam is gezonden en dat die brief NIHS en [betrokkene 1] c.s. vóór 9 maart 2005 heeft bereikt. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
(tweede) tussenarrestvan 23 september 2014 heeft het hof geoordeeld over het verjaringsverweer. Het hof acht in het licht van het voorhanden bewijsmateriaal, in onderlinge samenhang bezien, bewezen dat de stuitingsbrief van 3 maart 2005 NIHS vóór 9 maart 2005 heeft bereikt. Het door NIHS gedane beroep op verjaring gaat daarom niet op (rov. 8). Dat betekent niet automatisch dat die brief ook [betrokkene 1] c.s. tijdig heeft bereikt (rov. 9). Voor [betrokkene 1] acht het hof dat wél bewezen. [betrokkene 1] was ten tijde van de stuitingsbrief op het kantoor van NIHS werkzaam. Het betrof hier voorts een zakelijke kwestie (rov. 10). Voor hem geldt hetzelfde als voor NIHS. Niet bewezen daarentegen is dat de stuitingsbrief rabbijn [betrokkene 4] heeft bereikt. De rechtbank overweegt dat onbetwist vaststaat dat [betrokkene 4] in maart 2005 geen directe betrokkenheid had bij en ook niet in dienst was van NIHS. Hij had zijn zakelijk adres ook niet aan de Van der Boechorststraat 26 te Amsterdam. Conclusie: (i) ten aanzien van [betrokkene 4] is de vordering verjaard en ten aanzien van NIHS en [betrokkene 1] is de verjaring gestuit (rov. 12); (ii) van de drie rabbijnen uit de
Beth Dinvan 8 maart 2000 kan er uiteindelijk slechts één, [betrokkene 1], aansprakelijk zijn jegens [eiser].
14. Het hof merkt nog op dat NIHS bij conclusie van antwoord, tevens houdende een exceptief verweer, heeft aangevoerd dat [eiser] in de inleidende dagvaarding en de daarbij overgelegde producties op geen enkele wijze duidelijk heeft gemaakt waarom NIHS in deze procedure is betrokken. Zij heeft zich beroepen op nietigheid van de dagvaarding, althans op niet-ontvankelijkheid van [eiser] in zijn vordering tegen NIHS. Het beroep op nietigheid van de dagvaarding heeft de rechtbank verworpen. [eiser] heeft bij akte van 2 maart 2007 ten aanzien van de gestelde betrokkenheid van NIHS bij deze zaak volstaan met de stelling: ‘Op 8 maart 2000 heeft [eiser] voor bij gedaagde sub 1 en voor gedaagden 2-4, op dat moment zijnde de ‘rechtbank’, of het rabbinaat vormend, terecht gestaan’. Geen van gedaagden 2, 3 en 4 ontkennen ook dat zij het waren die op 8 maart 2000 hebben ‘recht’ gewezen of de ‘get’ hebben laten afdwingen.’ Het hof merkt op dat [eiser] hiermee de betrokkenheid van NIHS tot dusverre niet nader heeft gesubstantieerd. Nu de zaak naar de rol wordt verwezen voor verdere inhoudelijke behandeling, zal [eiser] (voorts) in de gelegenheid worden gesteld bij (antwoord)akte de gestelde betrokkenheid van NIHS alsnog te onderbouwen”.
(derde) tussenarrestvan 23 juni 2015 de standpunten van partijen als volgt weergegeven en beoordeeld.
3. [betrokkene 1] voert bij akte aan dat al hetgeen [eiser] in het kader van de gebeurtenissen rond de get-procedure stelt, hem helemaal niets zegt. Hij erkent dat hij in of rond 2000 als rabbijn in dienst van NIHS zitting had in een rabbinaal hof dat hij zich van tijd tot tijd bezig hield met rabbinale echtscheidingen. Hij stelt in dat verband dat hij full time in dienst was van NIHS, dat het doen voltrekken van rabbinale echtscheidingen volgens het reglement van NIHS een taak van de rabbijnen van NIHS was en dat de werkzaamheden aangaande de rabbinale echtscheidingen dus in het kader van bedoeld dienstverband door [betrokkene 1] zijn verricht. Hij betwist dat zich bij enige rabbinale echtscheiding waarbij hij aanwezig was enige onregelmatigheid heeft voorgedaan. Van fluisterteksten, zoals in de dagvaarding gesteld, heeft hij nooit gehoord, van geschreeuw is geen sprake geweest, zeker niet van geschreeuw met een inhoud en aard als in de dagvaarding gesteld, en er is nooit iemand flauw gevallen tijdens een zitting van het rabbinale hof waarvan hij deel uit maakt, aldus [betrokkene 1]. Hij stelt verder dat onduidelijk is wat [eiser] hem precies verwijt, in het bijzonder in welk opzicht hij onrechtmatig zou hebben gehandeld. Tot slot bestrijdt [betrokkene 1] dat [eiser] arbeidsongeschikt is, althans dat dit te maken heeft met enige gedraging van hem.”
5. [eiser] voert bij akte aan dat NIHS, NIK, [betrokkene 1] en [betrokkene 4] één geheel vormden en vormen, zowel naar binnen toe als naar buiten. Hij verwijst naar als producties overgelegde informatie van internet (over NIHS en NIK). Volgens [eiser] zijn zij in feite alle vijf betrokken geweest bij zijn mishandeling en dienen zij daarvoor verantwoordelijk te worden gehouden. [eiser] meent niet inhoudelijk op de zaak te hoeven ingaan. Volgens hem komt inhoudelijke behandeling pas aan de orde ‘na verwijzing bij de rechtbank of althans door uw Hof, (…) dus in een latere fase, niet nu (…)’. Wel wijst hij erop dat [betrokkene 1] en [betrokkene 4] in hun akte erkennen voor NIHS te hebben gewerkt en werkten, en dat zij dus bevestigen dat hun handelingen onder verantwoordelijkheid van NIHS vielen en vallen. Net als [betrokkene 4] was [betrokkene 1] een van de leden op het moment van de mishandeling. [eiser] kan er niets aan doen dat het geheugen van [betrokkene 1] hem in de steek laat. Wat hem is overkomen is in opdracht van en voor het Rabbinaat van de dag in kwestie gebeurd, aldus [eiser]. Hij wijst nog op (overgelegde) artikelen over wereldwijd voorkomende praktijken waarbij geweld en mishandeling plaatsvinden om een get te bewerkstellingen.”
6. Gelet op hetgeen [eiser] terzake had gesteld en de gemotiveerde betwisting daarvan door NIHS, heeft het hof in zijn tussenarrest van 23 september 2014 onder 14 overwogen dat [eiser] de betrokkenheid van NIHS bij deze zaak tot dusverre niet nader heeft gesubstantieerd en dat [eiser] in de gelegenheid zal worden gesteld de gestelde betrokkenheid van NIHS nader bij akte te onderbouwen. Voor zover [eiser] meent dat hij daartoe (ook) nog in een later stadium gelegenheid krijgt, kan het hof hem daarin niet volgen. De stelling van [eiser] bij akte dat NIHS, NIK, [betrokkene 1] en [betrokkene 4] één geheel vormden en vormen, zowel naar binnen toe als naar buiten, kan zonder nadere toelichting die ontbreekt (en bezien in het licht van hetgeen NIHS heeft aangevoerd) niet dienen tot (voldoende) onderbouwing van de stelling dat (en op welke wijze) NIHS is betrokken bij het gestelde onrechtmatig handelen van de rabbijnen. Het gaat er daarbij in de eerste plaats om of NIHS belast was met, althans verantwoordelijk was voor het voltrekken van echtscheidingen volgens joods recht binnen de Nederlandse (of Amsterdamse) joodse gemeenschap. Uit de door [eiser] overgelegde informatie van internet kan dat niet worden afgeleid. Daaruit kan overigens ook niet worden afgeleid dat NIHS en NIK moeten worden vereenzelvigd, wat er verder zij van die stelling van [eiser]. Het hof merkt op dat alleen [betrokkene 1] ten tijde van de get-procedure op 8 maart 2000 als rabbijn in dienst was van NIHS; [betrokkene 2] en [betrokkene 4] waren dat niet. In het licht hiervan kan zonder toelichting, die ontbreekt, niet worden aangenomen dat de medewerking van [betrokkene 1] aan de get-procedure voortvloeide uit zijn dienstverband bij NIHS. Gesteld noch gebleken is voorts dat NIHS [betrokkene 1] heeft opgedragen aan de get-procedure mee te werken en/of dat NIHS hierover zeggenschap had. Aan het voorgaande doet niet af dat [betrokkene 1] in de procedure tussen [eiser] en [betrokkene 1] heeft gesteld dat hij destijds als rabbijn in dienst van NIHS zitting had in het rabbinale hof. [eiser] heeft zich op dit laatste niet beroepen in de procedure tussen [eiser] en NIHS. Deze stelling, wat daar overigens van zij, moet dus in de procedure tussen [eiser] en NIHS in elk geval buiten beschouwing blijven. Dat [eiser] er in zijn laatste akte op wijst dat [betrokkene 1] in diens akte erkent voor NIHS te hebben gewerkt is in het kader van de door het hof in zijn tussenarrest gevraagde toelichting als zodanig niet voldoende. In het licht van het voorgaande kan in het kader van de procedure tussen [eiser] en NIHS dan ook niet worden geoordeeld dat [betrokkene 1] door als rabbijn deel te nemen aan de get-procedure handelde in dienst van NIHS. Onder deze omstandigheden is NIHS dus ook niet verantwoordelijk voor de handelwijze van [betrokkene 1] als lid van het rabbinale gerecht. De vordering tegen NIHS moet om die reden worden afgewezen.”
get-procedure persoonlijk onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser]. Het hof heeft aangenomen dat [eiser], zoals hij stelt en met medische verklaringen heeft onderbouwd, op 8 maart 2000 in zijn eigen huis door twee Israëlische mannen is mishandeld, waarbij hij letsel heeft opgelopen. Tegelijkertijd overwoog het hof dat het niet aannemelijk is geworden dat de rabbijnen betrokken waren bij de mishandeling in zijn eigen huis en de daarop volgende ontvoering, zodat [betrokkene 1] niet aansprakelijk is voor schade als gevolg van het letsel dat [eiser] voorafgaand aan de
get-zitting is toegebracht (rov. 22). Voorts is niet komen vast te staan dat [eiser] in de synagoge in het bijzijn van de rabbijnen is mishandeld. Het hof acht het echter onrechtmatig dat de rabbijnen bewust hebben meegewerkt aan de
get-procedure, hoewel het hun duidelijk was dat [eiser] tegen zijn wil ter zitting aanwezig was (rov. 24 en 25):
24. (…) Op zichzelf acht het hof het onrechtmatig dat de rabbijnen, onder wie [betrokkene 1], onder deze omstandigheden, tegen de wil van [eiser], hebben meegewerkt aan de get-procedure.
16 Het hof is van oordeel dat het op 8 maart 2000 onder dwang en dreiging met geweld hebben moeten bijwonen van de get-zitting van de rabbinale rechtbank, als een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eiser] moet worden aangemerkt. Hij heeft als gevolg van de medewerking van de rabbijnen in hun functie van rechter in een joodse rechtbank (Beth Din) aan de get-zitting, waarbij hij tegen zijn wil aanwezig was, enkele urén in een voor hem zeer bedreigende situatie verkeerd. Dit valt af te leiden uit de omstandigheden dat [eiser] tegen de rabbijnen heeft gezégd dat hij was ontvoerd en mishandeld èn dat de rabbijnen hierop niet hebben gereageerd, dat hij in de synagoge door de Israëlische mannen op het toilet op zijn benen is geslagen, dat hij zijn (reeds voor de get-zitting toegebrachte) verwondingen aan de rabbijnen heeft getoond hetgeen de rabbijnen hebben genegeerd, dat hij flauw is gevallen, dat hij een ruit heeft ingeslagen en om hulp heeft geroepen en dat hij heeft gevreesd voor zijn leven. In die zin is sprake van een ernstige aantasting van de persoonlijke integriteit van [eiser] en dus van een aantasting in de persoon op andere wijze, als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 onder Pro b BW. Het hof stelt de vergoeding van dé immateriële schade van [eiser] naar billijkheid vast op € 5.000,--.”
19. In zijn tussenarrest van 23 juni 2015 heeft het hof onder 6 overwogen dat niet kan worden aangenomen dat [betrokkene 1] door als rabbijn deel te nemen aan de get-procedure handelde in dienst van NIHS en dat onder de gegeven omstandigheden NIHS niet verantwoordelijk is voor de handelwijze van [betrokkene 1] als lid van het rabbinale gerecht. De vordering van [eiser] tegen NIHS is dus niet toewijsbaar. Het vonnis van de rechtbank zal daarom (…) worden bekrachtigd voor zover daarbij de vordering tegen NIHS is afgewezen, zulks met verbetering van gronden. (…)”
4.Bespreking van het principaal cassatieberoep
Onder 1.1klaagt [eiser] dat het hof in rov. 19 van het eindarrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Gezien de omstandigheid dat NIHS de Jacob Obrecht Synagoge permanent ter beschikking houdt voor (
get-)zittingen van rabbinale rechtbanken - [eiser] verwijst in dit verband naar de conclusie van antwoord onder 11 tot en met 20 van NIHS - rust op haar de maatschappelijke zorgplicht om te voorkomen dat tijdens dergelijke zittingen onrechtmatig wordt gehandeld ten aanzien van een procespartij. Naar ik begrijp, beoogt hij te klagen dat het hof dit heeft miskend. [eiser] stelt dat aldus gegeven is dat NIHS (naast [betrokkene 1]) aansprakelijk is voor de door hem geleden schade ten gevolge van de door het hof geconstateerde ernstige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer op 8 maart 2000. Hoewel de klacht naar de letter slechts rov. 19 van het eindarrest betreft, neem ik aan dat [eiser] ook heeft willen opkomen tegen rov. 6 van het tussenarrest van 23 juni 2015.
get-procedure is uitgevoerd in een van haar synagogen en dat haar synagogen voor haar functionarissen en voor rabbijnen binnen NIK/NIHS toegankelijk en beschikbaar voor gebruik zijn en - hetgeen niet zonder betekenis is - dat zij tevoren niet gekend wordt in het feit dat er in een synagoge een zitting wordt gehouden. [26]
Onder 1.2klaagt [eiser] dat het hof in rov. 6 van het tussenarrest van 23 juni 2015 en rov. 19 van het eindarrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet te oordelen dat NIHS krachtens art. 6:170 BW Pro risicoaansprakelijk is jegens [eiser] voor de aan hem tijdens de zitting toegebrachte schade op grond van het feit dat (i) [betrokkene 1] als rabbi in dienst van NIHS was en (ii) [betrokkene 1] deel uitmaakte van de rabbinale rechtbank die op 8 maart 2000 zitting hield in de door NIHS daartoe ter beschikking gestelde Jacob Obrecht Synagoge waar op die datum (volgens het hof in het eindarrest) een ernstige inbreuk is gepleegd op de persoonlijke levenssfeer van [eiser].
get-procedure niet voortvloeide uit zijn dienstverband bij NIHS [28] en dat gesteld noch gebleken is dat NIHS [betrokkene 1] heeft opgedragen aan de
get-procedure mee te werken of daarover enige zeggenschap had, zodat NIHS niet verantwoordelijk is voor de handelwijze van [betrokkene 1] als lid van het rabbinale gerecht. Dat oordeel wordt hier niet bestreden. Bij die stand van zaken moet het ervoor worden gehouden dat het hof op goede grond ten aanzien van NIHS geen risicoaansprakelijkheid op grond van art. 6:170 BW Pro heeft aangenomen.
kanop zichzelf een voor de vaststelling van het functioneel verband relevant gegeven zijn. Indien een fout wordt begaan met zaken, gegevens of bescheiden die door de werkgever ter beschikking zijn gesteld, kan de werkgever ook voor buiten diensttijd verrichte daden aansprakelijk zijn. [29] [eiser] heeft in de onderhavige klacht echter volstaan met het ‘sec’ noemen van deze omstandigheid, zonder daaraan gevolgen te verbinden. Met name houdt de klacht niet in dat deze omstandigheid het hof ertoe had moeten brengen het vereiste functioneel verband aan te nemen.
get-procedure, dan verzochten zij destijds [betrokkene 2] om een rabbinale rechtbank bijeen te roepen en zij dienden daartoe een bijdrage te betalen aan NIK;
get-procedure vloeide niet voort uit zijn dienstverband bij NIHS en gesteld noch gebleken is dat NIHS [betrokkene 1] heeft opgedragen daaraan mee te werken of dat NIHS daarover zeggenschap had (zie hiervoor onder 45).
ter beschikking is gestelddoor NIHS.
5.Het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
Onder 2.1.1stelt NIHS dat het voorgaande nuancering behoeft indien en voor zover er op het gebruikte adres meerdere personen of instanties resideren en de adressering niet eenduidig is. In een zodanig geval moet een geadresseerde in redelijkheid van de inhoud kennis hebben kunnen nemen en de brief niet als gevolg van een onduidelijke adressering ongeopend aan een andere geadresseerde hebben meegegeven, wil van ontvangst kunnen worden gesproken, aldus NIHS. Zij klaagt dat het hof dit heeft miskend of een onvoldoende gemotiveerd en onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven, nu uit de verklaring van [betrokkene 9] volgt dat een medewerker van NIHS de post van alle organisaties in het gebouw ophaalt en ongeopend distribueert en de onderhavige brief als gevolg van de tenaamstelling ongeopend ter hand zou zijn gesteld aan de daarop vermelde rabbijnen.
onder 2.1.2berust eveneens op de onjuiste rechtsopvatting dat de enkele ontvangst van de brief door een postmedewerker van NIHS in de gegeven omstandigheden niet voldoende is om aan te nemen dat de brief door haar is ontvangen en de verjaring is gestuit.
onder 2.1.3berust op de eerder genoemde onjuiste rechtsopvatting en het onjuiste uitgangspunt dat de adressering van de brief onduidelijk is en wordt in zoverre tevergeefs voorgesteld. Anders dan NIHS in het subonderdeel aanvoert - overigens zonder te verwijzen naar vindplaatsen waaruit volgt dat zij een zodanig standpunt ook in feitelijke aanleg heeft ingenomen - is de tenaamstelling niet eerst toereikend als specifiek het bestuur of secretariaat van NIHS als geadresseerde wordt genoemd. Daarnaast mist ook dit subonderdeel feitelijke grondslag, waar NIHS veronderstelt dat het hof bewezen heeft geacht dat [betrokkene 1] en [betrokkene 4] over de brief hebben gesproken en daaruit heeft geconcludeerd dat een aantal leden van het bestuur van NIHS van de inhoud van de stuitingsbrief heeft kennisgenomen. Dat heeft het hof niet geoordeeld.
Onder 2.1.4klaagt NIHS dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is voor zover het inhoudt dat de rabbijnen [betrokkene 1] en [betrokkene 4] de brief namens NIHS in ontvangst hebben genomen.
Onder 2.1.5formuleert NIHS een vergelijkbare klacht voor zover het hof heeft geoordeeld dat de brief NIHS tijdig heeft bereikt, omdat [betrokkene 1] de brief heeft ontvangen. Volgens NIHS is dit gesteld noch gebleken.
onder 2.1.6vormen een herhaling van zetten en berusten op de eerder geconstateerde onjuiste rechtsopvatting.
onder 2.1.7een veegklacht die het lot van de voorgaande klachten moet delen.
subonderdeel 2.2.3. Daar klaagt NIHS dat het oordeel in rov. 24 en 25 van het tussenarrest van 23 juni 2015 dat [betrokkene 1] onrechtmatig heeft gehandeld door aan de
get-zitting mee te werken, terwijl het duidelijk was dat [eiser] niet vrijwillig aanwezig was en onder druk werd gezet, ook wanneer de inhoud van het strafrechtelijk dossier wordt meegewogen onbegrijpelijk is. Deze klacht zou eveneens het arrest van 29 november 2016 treffen, in het bijzonder rov. 16 en 17 en het dictum.
get-zitting aanwezig was, zich daar onder druk voelde gezet en dat zulks voor de rabbijnen duidelijk was. Ook zonder nadere motivering is niet onbegrijpelijk dat het hof dit een en ander uit de verschillende verklaringen in onderling verband en samenhang gelezen heeft afgeleid. Dat het hof weinig betekenis heeft toegekend aan de verklaringen van onder meer [betrokkene 1] dat hij geen dwang heeft gezien, waarop NIHS in het subonderdeel wijst, valt te begrijpen in het licht van hetgeen hij en de andere betrokkenen verder hebben verklaard omtrent de toestand en het gedrag van [eiser] ter zitting en diens uitdrukkelijke mededeling dat hij niet vrijwillig was verschenen.
get-procedure heeft gesteld. [38] Zij klaagt dat het hof geen enkele overweging aan deze betwisting heeft gewijd. Deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft het verweer van [betrokkene 1] in rov. 3 van het bestreden tussenarrest samengevat. In cassatie is niet gesteld dat die weergave onjuist of onvolledig is. In rov. 22 en verder is het hof op verschillende onderdelen van het door [betrokkene 1] gevoerde verweer ingegaan. De onderhavige klacht van NIHS maakt niet duidelijk aan welk deel van het verweer van [betrokkene 1] het hof ongemotiveerd voorbij zou zijn gegaan en voldoet daarmee niet aan de aan een klacht te stellen eisen.