Conclusie
middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde onvoldoende met redenen is omkleed, omdat uit de bewijsvoering niet volgt dat het weggenomen geldbedrag toebehoorde aan de aangever.
NJ1921, p. 564 een toebehorensrelatie met elektriciteit mogelijk geacht. [3] Een nog duidelijker voorbeeld van het uiteenlopen van het civielrechtelijk eigendomsbegrip en het strafrechtelijke toebehoren in de zin van art. 310 Sr Pro is te vinden in een arrest van de Hoge Raad uit 1946 in een wat macabere zaak. De verdachte was veroordeeld voor diefstal, die erin bestond dat hij een aantal gouden kronen en stifttanden uit de mond van een lijk had weggenomen. In cassatie werd betoogd dat het menselijk lichaam geen voorwerp van eigendomsrecht is en dat de verdachte diende te worden vrijgesproken. De Hoge Raad verwierp het beroep en oordeelde dat de erven of nabestaanden van de overledene zodanige zeggenschap hebben over diens lijk, dat van toebehoren als bedoeld in art. 310 Sr Pro moet worden gesproken. [4]
Stb. 1993, 11 en 98 wordt benadrukt dat met ‘toebehoren aan’, in overeenstemming met de in het Burgerlijk Wetboek gebruikte terminologie, wordt geduid op een rechtsbetrekking volgens welke een voorwerp tot het vermogen van een persoon hoort. De term ‘toekomen’ is ruimer en omvat ook het recht van een crediteur tot het verkrijgen van het object van een verbintenis, zoals het recht op levering van een gekocht voorwerp. Zolang het voorwerp niet is geleverd, behoort het de koper nog niet toe, al komt het hem toe. De vordering tot levering behoort hem wel toe.
NJ1999/740 interessant. Het ging in deze zaak om een verdachte op wiens bankrekening door de Belastingdienst bij vergissing een zeer hoog geldbedrag was gestort en dat hij onder zich had gehouden. De verdachte werd veroordeeld voor verduistering van een geldbedrag dat aan de Belastingdienst toebehoorde. Volgens de Hoge Raad moest het oordeel van het hof aldus worden begrepen dat, aangezien ervan moest worden uitgegaan dat de beschikking tot teruggave van het geldbedrag op een onmiskenbare vergissing berust, het bestaan van een aan de Belastingdienst toekomend recht tot terugvordering inhoudt dat dit geldbedrag in strafrechtelijke zin nog aan de Belastingdienst toebehoort. Volgens de Hoge Raad getuigde het oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting en was het niet onbegrijpelijk. Van feitelijke beschikkingsmacht over het op de bankrekening van de verdachte gestorte geldbedrag door de Belastingdienst was evenwel geen sprake. [5]