ECLI:NL:PHR:2018:349

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 maart 2018
Publicatiedatum
17 april 2018
Zaaknummer
16/03565
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:106 BWArt. 6 EVRMArt. 80a RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens onmiskenbare misslag in schadevergoedingsmaatregel

Het gerechtshof Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor diefstal door twee of meer verenigde personen met braak en een gevangenisstraf van negen maanden opgelegd, met aftrek van voorarrest. Tevens heeft het hof de vordering van de benadeelde partij volledig toegewezen, inclusief een schadevergoedingsmaatregel voor materiële en immateriële schade.

De verdachte stelde in cassatie dat het hof ten onrechte de gehele vordering van de benadeelde partij had toegewezen, omdat niet was vastgesteld dat immateriële schade was geleden conform art. 6:106 BW Pro. Het hof had de opruimkosten als immateriële schade gekwalificeerd, terwijl deze feitelijk materiële schade betreffen.

De Hoge Raad oordeelde dat deze kwalificatie een onmiskenbare misslag is die niet tot cassatie kan leiden. Ook de klacht over overschrijding van de redelijke termijn werd niet behandeld omdat onvoldoende belang bij cassatie bestond. De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De zaak betreft een bevestiging van het oordeel van het hof en een afwijzing van de cassatieklachten, waarbij het belang van een juiste juridische kwalificatie van schadeposten centraal stond.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens onmiskenbare misslag in het bestreden arrest.

Conclusie

Nr. 16/03565
Zitting: 20 maart 2018
Mr. A.E. Harteveld
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 23 juni 2016, met vernietiging van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 november 2012, de verdachte ter zake van “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een daarmee overeenkomende schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het bestreden arrest vermeld.
Er bestaat samenhang met de zaak 16/03566. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is op 29 juni 2016 ingesteld namens de verdachte en mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

4.Het eerste middel

4.1.
Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd de gehele vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel te dier zake heeft toegewezen, nu niet vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden.
In de toelichting op het middel voert de steller in het bijzonder aan dat het hof niet heeft vastgesteld dat aan een van de in art. 6:106 BW Pro genoemde voorwaarden waaronder de wet recht geeft op vergoeding van immateriële schade is voldaan.
4.2.
De vordering van de benadeelde partij, [betrokkene 1], is in eerste aanleg gedeeltelijk toegewezen, tot een bedrag van €315,63 voor materiële schade. In hoger beroep is de vordering door de benadeelde partij gehandhaafd en door het hof volledig toegewezen, tot een bedrag van €330,63, bestaande uit €253,99 voor materiële schade en €76,64 voor immateriële schade. Beide beslissingen gingen gepaard met oplegging van een congruente schadevergoedingsmaatregel.
4.3.
Bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn toegezonden bevindt zich het voegingsformulier van de benadeelde partij, waarin deze onder meer een bedrag vordert van €76,64, omschreven als “immateriële schade”. In bijlage 4 bij het formulier staat ter toelichting daarop dat het “een vakantiedag kostte” om het huis weer in orde te brengen. De berekening van de opruimkosten wordt aldaar gemaakt door een dag van acht uren te vermenigvuldigen met een bedrag van €9,33 per uur aan wettelijk minimumloon, wat resulteert in het genoemde bedrag van €76,64. Hoewel de benadeelde partij daar tevens aangeeft sinds de inbraak moeite te hebben met het onbeheerd achterlaten van zijn huis, is kennelijk uitsluitend bedoeld die opruimkosten, zijnde materiële schade, te verhalen op de verdachte. Uit de motivering bij de beslissing op de vordering van de rechtbank kan worden opgemaakt dat de rechtbank conform deze lezing heeft geoordeeld. [1] Hoewel ‘s hofs motivering daarentegen aansluit bij de rubricering van de opruimkosten als “immateriële schade”, hoeft dat er niet toe te leiden dat zijn oordeel dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het onder 2 bewezenverklaarde, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Nu blijkens de hoogte van het bedrag kennelijk gedoeld is op de schadepost aangaande de opruimkosten, kon het hof de vordering ook zonder nadere motivering toewijzen.
4.4.
In het licht van het voorgaande meen ik dat het middel tevergeefs is voorgesteld. De aangevoerde klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden, omdat ze betrekking hebben op een onmiskenbare misslag in het bestreden arrest. [2]

5.Het tweede middel

5.1.
Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in cassatie is overschreden omdat de processtukken door het hof te laat zijn ingezonden. Op basis van vaste rechtspraak van de Hoge Raad rechtvaardigt de aangevoerde klacht geen behandeling in cassatie omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, nu het andere middel (eveneens) met toepassing van art. 80a RO kan worden afgedaan. [3]
6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie het in het proces-verbaal van de zitting aangetekende vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam d.d. 13 november 2012, p. 36.
2.Hoge Raad 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, r.o.2.3.2.
3.Hoge Raad 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, r.o.2.2.4.