ECLI:NL:PHR:2018:349
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens onmiskenbare misslag in schadevergoedingsmaatregel
Het gerechtshof Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor diefstal door twee of meer verenigde personen met braak en een gevangenisstraf van negen maanden opgelegd, met aftrek van voorarrest. Tevens heeft het hof de vordering van de benadeelde partij volledig toegewezen, inclusief een schadevergoedingsmaatregel voor materiële en immateriële schade.
De verdachte stelde in cassatie dat het hof ten onrechte de gehele vordering van de benadeelde partij had toegewezen, omdat niet was vastgesteld dat immateriële schade was geleden conform art. 6:106 BW Pro. Het hof had de opruimkosten als immateriële schade gekwalificeerd, terwijl deze feitelijk materiële schade betreffen.
De Hoge Raad oordeelde dat deze kwalificatie een onmiskenbare misslag is die niet tot cassatie kan leiden. Ook de klacht over overschrijding van de redelijke termijn werd niet behandeld omdat onvoldoende belang bij cassatie bestond. De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De zaak betreft een bevestiging van het oordeel van het hof en een afwijzing van de cassatieklachten, waarbij het belang van een juiste juridische kwalificatie van schadeposten centraal stond.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens onmiskenbare misslag in het bestreden arrest.