Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.Bespreking van het cassatiemiddel
1.7 Ambtshalve handhaving termijnen, verval van recht
directhet recht om een memorie van grieven te nemen. Daarvoor is niet nodig dat de wederpartij de appellant tevoren peremptoir heeft gesteld. In hoger beroep wordt een procespartij vertegenwoordigd door een advocaat, die geacht wordt op de hoogte te zijn van de in de desbetreffende procedure geldende termijnen en van de verstrekkende gevolgen die zijn verbonden aan een overschrijding daarvan [9] .
pilotreglementen naar voren gekomen als een onaangename verrassing voor procespartijen en advocaten die daarmee geen rekening hadden gehouden [10] . Na drie uitspraken uit de beginperiode die hoofdzakelijk verband hielden met apparaatsfouten van het gerecht [11] , heeft de Hoge Raad op 17 april 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1064, NJ 2015/210) overwogen:
10.1 Toepasselijkheid reglement
geheleinhoud van art. 2.12 LPR (vierde versie). Vanaf het (eenmalig) verlenen van dit extra uitstel van zes weken, was de overgangsrechtelijke bepaling van art. 10.2 van het procesreglement (zevende versie) uitgewerkt. Na het verstrijken van die extra zeswekentermijn was het hof niet gebonden aan de beperkingen van art. 2.12 LPR (vierde versie) en kon het hof overgaan tot toepassing van art. 133 lid Pro 4, in verbinding met art. 353 Rv Pro. Hierop wijst in de eerste plaats de tekst van artikel 10.2. Het gebruik van het woord ‘regulier’ in art. 10.2 LPR (zesde en zevende versie) doet vermoeden dat deze bepaling geredigeerd is met het oog op het geval dat een zaak in hoger beroep is aangebracht toen het LPR (vierde versie) nog recht gaf op twee reguliere uitstellen en vanaf de inwerkingtreding van de zesde versie slechts één regulier uitstel voor het nemen van de memorie van grieven mogelijk was. Daarnaast past een eerbiedigende werking voor art. 2.12 LPR (vierde versie), zoals in het huidige cassatiemiddel bepleit, niet bij het streven om de uitstelmogelijkheden in civiele procedures te beperken. Om deze redenen ben ik van mening dat de rechtsklacht moet worden verworpen. De beslissing van het hof behoefde, om begrijpelijk te zijn, geen verder gaande motivering dan het hof heeft gegeven.