Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
gelijkwaardigegevallen. Buitenlandse pensioenvoorzieningen zullen veelal op andere wijze zijn vormgegeven dan Nederlandse. Aan zulke vormverschillen zullen we veelal voorbij moeten zien. Waar het om gaat is of een buitenlandse voorziening in de context van het maatschappelijke leven in het desbetreffende land een functie vervult die in voldoende mate overeenstemt met de Nederlandse pensioenvoorzieningen waarop de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van toepassing is.
ruimbegrip ‘(ouderdoms)pensioen’ op het oog had (‘Elke betaling welke zijn grond vindt in een toezegging tot betaling van ouderdomspensioen…’).
gelijkwaardigegevallen (hiervoor onder 2.8-2.10).
daarnaastandere elementen had moeten meewegen. Het onderdeel betoogt namelijk dat het hof heeft miskend ‘dat er meer en andere karakteristieke elementen zijn van een Nederlands ouderdomspensioen, welke derhalve [ook] bij een uitkering uit een buitenlandse regeling aanwezig dienen te zijn’ (het onderdeel onder 14).
gelijkwaardigzijn aan Nederlandse pensioenen zoveel mogelijk op dezelfde wijze te behandelen (vergelijk hiervoor onder 2.9);
nietdie van pensioenverevening is. [19] Zij baseren zich alle op de kenmerken van Nederlandse pensioenregelingen en laten zich niet uit over de wenselijkheid van de verevening bij echtscheiding van buitenlandse voorzieningen waarvoor de bedoelde bestemmingsgebondenheid niet in dezelfde mate geldt.
rechtstreeksbepalend acht. Die uitleg dient te geschieden aan de hand van het doel en de strekking van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, zoals die onder meer uit de wetsgeschiedenis blijkt. In dat verband zijn buitenlandse opvattingen over wat als een ‘pensioen’ kan worden aangemerkt, intussen niet zonder betekenis, omdat zij licht kunnen werpen op de vraag of een buitenlandse voorziening in de context van het maatschappelijke leven in het desbetreffende land een functie vervult die vergelijkbaar is met de Nederlandse pensioenvoorzieningen waarop de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van toepassing is.
genoemd.
gelijkwaardigegevallen zoveel mogelijk gelijk te behandelen (hiervoor onder 2.8-2.10).
gelijkwaardig moeten zijn aan, althans voldoende gelijkenis moeten vertonen metonder de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding vallende Nederlandse ouderdomspensioenen. Wel benoemt het hof vervolgens in rechtsoverweging 5.5 twee karakteristieke elementen, die ‘in wezen’ bepalend zouden zijn. Die – zo zou men kunnen zeggen – realistische component in de gedachtegang van het hof, krijgt echter vervolgens een invulling die opnieuw past bij het perspectief van familiegelijkenissen. Het hof onderzoekt immers het pensioenstelsel zoals dat in de Verenigde Staten bestaat en brengt daarbij overeenkomsten en verschillen in beeld (rechtsoverwegingen 5.6-5.15) en beoordeelt vervolgens of de voorzieningen waaraan de vrouw deelneemt (de 401 (k)-plans en de IRA)
voldoende gelijkwaardigzijn aan een onder de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding vallende pensioenvoorziening naar Nederlands recht (rechtsoverwegingen 5.15-5.21). Op grond van die beoordeling komt het hof tot de conclusie dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord en verwerpt het het tegengestelde standpunt van de man (rechtsoverwegingen 5.22-5.24).
Onder 18 (3)betoogt het middel dat het hof niet heeft vastgesteld dat sprake is van een van de situaties bedoeld in art. 66-69 Pw, in welke uitzonderingssituaties afkoop wel mogelijk is (vergelijk art. 65 lid 1 Pw Pro).
onder 22dat het oordeel van het hof in rechtsoverweging 5.24 niet deugdelijk met redenen is omkleed en niet te rijmen is met het gegeven dat het hof in rechtsoverweging 5.5 zelf als karakteristiek element heeft omschreven dat een ouderdomspensioen in de zin van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding voorziet in het levensonderhoud gedurende de periode waarin deelname aan het arbeidsproces door ouderdom pleegt te zijn beëindigd. Een uitkering van een som ineens, mede gelet op de mogelijkheid dat andere bestedingsdoeleinden dan levensonderhoud zijn toegestaan, voldoet zonder nadere redengeving niet aan dat element. [24] Door de mogelijkheid van een uitkering ineens ontbreekt volgens het middel de bestemmingsgebondenheid.
onderhavigevoorzieningen zo bedoeld zijn. Onder 5.18-5.21 komt het hof tot de slotsom dat dat zo is.
onder 23dat het oordeel van het hof eveneens getuigt van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk is voor zover het oordeel mede is ontleend aan de Wet verbeterde premieregeling. Deze wet dateert van ver na de datum waarop de verwerving van de accounts betrekking heeft (en na de beschikking in eerste aanleg) en kan volgens het middel daarom niet van betekenis zijn in dit geding. Deze wet laat volgens het middel bovendien slechts een variabele, naast vastgestelde, pensioenuitkering toe. De wet doet op geen enkele wijze afbreuk aan de kenmerken van een pensioenuitkering. Meer in het bijzonder laat deze wet niet de betaling van een som ineens toe, aldus het middel.
Onder 27betoogt het onderdeel dat op deze gronden ook het onder rechtsoverweging 5.24 overwogene ondeugdelijk met redenen is omkleed.
onder 31). Aldus bouwt het subonderdeel immers vergeefs voort op subonderdeel 1a.
onder 34een klacht in de zin van art. 407 lid 2 Rv Pro kan worden gelezen, geldt dat die vergeefs op subonderdeel 1a voortbouwt.
onder 43 en 44eerst met voortbouwklachten, die geen afzonderlijke bespreking behoeven.
lump sumuitkering kan zijn, hetgeen bij de voorzieningen van de vrouw het geval is, aldus het onderdeel. [47]