Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
2012
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
1.2. Sinds het najaar van 2010 woont appellant weer in Nederland. Op 22 november 2010 heeft het destijds bevoegde College voor zorgverzekeringen de verklaring afgegeven als bedoeld in artikel 21, zesde lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen (KB 746) waarin is vermeld dat appellant op grond van artikel 21, tweede lid, van KB 746 niet verzekerd is voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).
1 augustus 2012 verzekerd is volgens de AWBZ, zal de aanvangsdatum van de premieheffing niet worden aangepast omdat appellant in verband met het besluit van 7 december 2012 in de veronderstelling mocht leven dat hij pas vanaf 1 oktober 2012 premies is verschuldigd.
3.Het geding in cassatie
Beroep in cassatie
De Lobkowicz [5] de in Nederland verworven inkomsten van ambtenaren van de EU uit andere bron niet in de heffing van sociale premies of bijdragen mogen worden betrokken.
4.Europeesrechtelijke kader sociale zekerheid (voormalig) ambtenaren van de EU
Commissie tegen Belgiëheeft het HvJ overwogen dat het Ambtenarenstatuut in al zijn onderdelen verbindend is en rechtstreek toepasselijk in elke lidstaat: [10]
Forcheri tegen Belgiëheeft het HvJ geoordeeld dat de rechtspositie van ambtenaren bij de Europese Gemeenschappen op twee gronden tot de werkingssfeer van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap [11] behoort: [12]
Commissie tegen Belgiëvan 7 mei 1987 ging over de vraag of België aan belanghebbende alleen gezinstoelagen diende te betalen als aanvulling op de in het Ambtenarenstatuut verschuldigde gezinstoelagen. Daartoe overwoog het HvJ dat het Ambtenarenstatuut lidstaten in al die opzichten bindt, waarin hun medewerking noodzakelijk is, voor de toepassing van het Ambtenarenstatuut. Bij arrest van 7 mei 1987 met nr. 186/85 heeft het HvJ geoordeeld: [13]
Kontogeorgis tegen de Commissiebetrof een voormalig lid van de Europese Commissie die naast zijn aansluiting bij het Griekse stelsel van ziektekostenverzekering ook aangesloten wilde blijven bij de GRZV.
Advocaat-Generaal Jacobs heeft in zijn conclusie overwogen dat artikel 72, lid 4, Ambtenarenstatuut slechts ziet op personen die recht hebben op vergoedingen uit hoofde van de ziektekostenverzekering van de Europese Economische Gemeenschap: [14]
Kontogeorgis tegen de Commissiegeoordeeld dat de anticumulatiebepaling van artikel 72, lid 4 Ambtenarenstatuut geen uitbreiding van de personele werkingssfeer van het stelsel van ziektekostenverzekering meebrengt: [15]
Terhoevemet nr. C‑18/95 heeft het HvJ bij arrest van 26 januari 1999 beslist dat in strijd is met artikel 48 VWEU Pro indien een bepaling ertoe leidt dat een onderdaan meer sociale premie zou moeten betalen wanneer hij de lidstaat waar hij woont verlaat om in een andere lidstaat arbeid te verrichten, dan als hij gedurende het hele jaar in dezelfde lidstaat zou blijven wonen (zonder recht te hebben op extra sociale uitkeringen): [16]
Hendrixvan 11 september 2007 met nr. C-287/05 heeft het HvJ overwogen dat de nationale rechter zich ervan dient te vergewissen of geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard doordat een onderdaan gebruik maakt van het recht op vrij verkeer van werknemers: [17]
Feyerbacheroverwogen dat als de aansluiting bij het stelsel van ziektekosten van een instelling van de Europese Unie verplicht is, iedere toepassing van vergelijkbare nationale stelsel is uitgesloten: [18]
Feyerbacherbij arrest van 19 juli 2012 met nr. C-62/11 geoordeeld dat de zetelovereenkomst de bevoegdheid van Duitsland om een toelage toe te kennen, niet uitsluit: [19]
Melchiorheeft het HvJ bij arrest van 4 februari 2015 met nr. C-647/13 herhaald dat het Ambtenarenstatuut de lidstaten verbindt in alle opzichten waarin hun medewerking noodzakelijk is voor de toepassing ervan: [20]
Commissie tegen Cypruszag op een Cypriotische regeling waarbij een ambtenaar onder 45 jaar zijn betrekking neerlegt om een beroepsactiviteit in een andere lidstaat of bij een internationale organisatie te gaan uitoefenen, zijn toekomstige pensioenrechten verliest en slechts enkel een forfaitaire som ontvangt. Een ambtenaar in Cyprus blijft wel zijn pensioenrechten houden. Het HvJ heeft bij arrest van 21 januari 2016 met nr. C-515/14 geoordeeld dat voornoemde Cypriotische regeling in strijd is met artikelen 45 en 48 VWEU: [23]
Adrien e.a. had betrekking op Franse ambtenaren die gedetacheerd waren als tijdelijke ambtenaren bij het Hof van Justitie. Deze Franse ambtenaren zijn aangesloten bij de Franse pensioenregeling en de pensioenregeling van de EU. Omdat het pensioen van de EU hoger is dan het Franse pensioen, zullen zij geen Frans pensioen ontvangen. Het HvJ heeft bij arrest van 6 oktober 2016 met nr. C-466/15 geoordeeld dat deze regeling (hoewel facultatief) gedetacheerde ambtenaren die bij beide stelsel zijn aangesloten benadeelt ten opzichte van een ambtenaren die in de lidstaat van herkomst zijn gebleven. De HvJ acht dit in strijd met artikel 45 VWEU Pro: [24]
De Lobkowiczstaat de vraag centraal of het Unierecht er aan in de weg staat dat een ambtenaar van de Europese Unie wordt onderworpen aan sociale bijdragen in zijn woonstaat Frankrijk. Advocaat-Generaal Mengozzi heeft in de zaak met nr. C-690/15 conclusie genomen, waarin hij heeft overwogen: [25]
De Lobkowiczmet nr. C-690/15 geoordeeld dat de op de lidstaten rustende verplichting om bij de uitoefening van hun bevoegdheid om hun socialezekerheidsstelsels in te richten het recht van de Unie te eerbiedigen zich uitstrekt tot de regels die de arbeidsverhouding tussen een ambtenaar van de Unie en de Unie regelen: [34]
26 februari 2015, de Ruyter, C-623/13, EU:C:2015:123, punten 31 23, 26, 28 en 29).
5.Nationaalrechtelijk kader sociale zekerheid
6.Beoordeling van de middelen
Ten geleide
Kontogeorgis [56] geoordeeld dat belanghebbende onder de personele werkingssfeer van verordening 422/67 valt en op grond van het stelsel van de EU dubbel verzekerd mag zijn. Naar het oordeel van de CRvB sluiten de bepalingen van het PVI, het Ambtenarenstatuut en verordening 422/67 en de GRZV niet de gelijktijdige werking met een nationale ziektekostenverzekering uit. [57]
De Lobkowicz [59] dat de CRvB ten onrechte niet heeft geoordeeld dat artikel 21, lid 2, KB 746 in strijd is met het recht van de EU. [60]
Adrien e.a. [61] dat ten aanzien van belanghebbende sprake is van een belemmering van het vrije verkeer van werknemers in de zin van artikelen 45 en 48 VWEU [62] . [63] Daaraan legt de CRvB ten grondslag dat belanghebbende ten opzichte van nationale gepensioneerden financieel nadeel ondervindt, omdat hij dubbele premie heeft betaald zonder daarmee corresponderende uitkeringen te ontvangen. [64] De ratio van deze bepaling, te weten dat daarmee toepassing wordt gegeven aan de internationaal aanvaarde regel dat wetgeving van toepassing dient te zijn daar waar gewerkt wordt, rechtvaardigt aldus de CRvB niet deze financiële benadeling. [65]
Hendrix [67] dient de nationale wetgever zo mogelijk een hardheidsclausule zo uit te leggen dat van strijd met het EU-recht niet meer gesproken kan worden. De CRvB legt onder verwijzing naar de hardheidsclausule van artikel 24 KB Pro 746 [68] en beleidsregel SB 1039 [69] , artikel 21, lid 2, KB 746 zo uit dat de strijdigheid met artikel 45 VWEU Pro wordt opgeheven en dat belanghebbende aldus niet verzekerd moet worden geacht voor de AWBZ. [70]
Adrien e.a.heeft het HvJ (bij het nagaan of de Franse pensioenregeling in strijd was met artikel 45 VWEU Pro) de volgende vergelijking gemaakt tussen een vanuit een lidstaat van de EU gedetacheerde ambtenaar bij de EU en een ambtenaar die alleen in de desbetreffende lidstaat is gebleven: [76]
Lex Loci Laboris- ook bekend als het werklandbeginsel - het richtinggevende beginsel van het Unierecht vormt. [79] Daarbij dient volgens de Svb mede in aanmerking te worden genomen dat uit de rechtspraak van het HvJ, in het bijzonder de zaken
Commissie tegen België [80] en
Reinarz [81] ,volgt dat de aansluiting bij een nationaal stelsel naast het gemeenschappelijke stelsel de financiële houdbaarheid van het gemeenschappelijk stelsel moet waarborgen. [82]
Commissie tegen Belgiëde vraag centraal stond hoe conflicten tussen het Ambtenarenstatuut en de bepalingen van nationaal recht over uit te keren (gezins)toelagen opgelost dienen te worden. Het HvJ heeft overwogen dat de bepalingen van het Ambtenarenstatuut de conflictregels geven. Indien conflicten door bepalingen van nationaal recht zouden worden geregeld, zou dit tot uiteenlopende oplossingen kunnen leiden al naargelang van de Lidstaat waar de ambtenaar of werkzaam is of woonplaats heeft. [83]
De Lobkowiczoverwogen dat ambtenaren van de EU niet kunnen worden aangemerkt als werknemers in de zin van verordening 1408/71 noch verordening 883/2004 [85] . [86] Het HvJ verbindt daaraan de conclusie dat ambtenaren van de EU niet onder een nationale wettelijke regeling op het gebied van de sociale zekerheid vallen, zoals wordt bedoeld in artikel 2, lid 1, van verordening 1408/71 en in dezelfde bepaling van verordening 883/2004. [87]
De Lobkowiczbiedt mijns inziens geen aanleiding om anders te oordelen in de onderhavige zaak, ondanks dat het feitencomplex niet identiek is. Ik meen dat de ontkennende beantwoording van deze vraag een acte éclairé is.
Commissie tegen Belgiëheeft het HvJ overwogen dat het Ambtenarenstatuut de Lidstaten bindt in al die opzichten waarin hun medewerking noodzakelijk is voor de toepassing ervan. [88] Dit heeft dus ook te gelden voor artikel 72, lid 2, Ambtenarenstatuut op grond waarvan ambtenaren die tot het 63e levensjaar in dienst van de EU zijn gebleven, onder dezelfde regels vallen als de ambtenaren in dienst van de EU op voet van artikel 72, lid 1 Ambtenarenstatuut.
De Lobkowiczgeoordeeld dat de op de lidstaten rustende verplichting om bij de uitoefening van hun bevoegdheid om hun socialezekerheidsstelsels in te richten het recht van de EU te eerbiedigen, zich uitstrekt tot de regels die de arbeidsverhouding tussen een ambtenaar van de EU en de Unie regelen, namelijk de daarop betrekking hebbende bepalingen van het Ambtenarenstatuut. [89] Hiervoor geldt mijns inziens dat deze verplichting zich ook uitstrekt tot belanghebbende, zijnde een voormalig ambtenaar van de EU die de leeftijd van 63 jaar heeft bereikt, aangezien de bepalingen van verordening 422/67 en van het Ambtenarenstatuut ook de verhouding regelen tussen een ambtenaar die tot zijn 63e levensjaar in dienst van de EU is gebleven en de EU.
De Lobkowiczheeft het HvJ tevens geoordeeld dat de EU, met uitsluiting van de lidstaten, als enige bevoegd is om te bepalen welke regels op de ambtenaren van toepassing zijn wat betreft hun verplichtingen op het gebied van de sociale zekerheid. [90] De werking van deze exclusieve bevoegdheid van de EU is te vergelijken met de exclusieve aanwijzing van sociale zekerheid van één lidstaat op grond van artikel 13 verordening Pro 883/2004. [91]
Hendrix [92] alsmede aan de hardheidsclausule van artikel 24 KB Pro 746 [93] en artikel 4:84 Awb Pro [94] . De Svb heeft de discretionaire bevoegdheid om in gevallen van ‘onbillijkheid van overwegende aard’ de hardheidsclausule toe te passen.
Hendrixafgeleid dat in geval van een belemmering van het vrije verkeer (artikel 45 VWEU Pro) de nationale rechter zo mogelijk een hardheidsclausule in de wetgeving dusdanig moet uitleggen dat van strijd met het recht van EU niet meer kan worden gesproken. [96]
Hendrixverschilt van de onderhavige zaak. De Svb wijst erop dat in de zaak
Hendrixde sociaaleconomische binding van Hendrix met Nederland onverminderd sterk bleef. In onderhavig geval gaat het om de vraag of de dubbele premieplicht meebrengt dat belanghebbende niet in Nederland hoeft bij te dragen aan de sociale zekerheid. [97]
Hendrix,zijn mijns inziens niet relevant nu de CRvB een beroep doet op het arrest
Hendrixomdat daar uit volgt dat de nationale rechter zo mogelijk een hardheidsclausule in de wetgeving dusdanig moet uitleggen dat van strijd met het EU-recht niet meer kan worden gesproken. [98]
De Lobkowic. [105]
De Lobkowiczheeft geoordeeld dat het PVI dezelfde juridische waarde heeft als de Verdragen van de Europese Unie, in andere woorden dat het de status heeft van primair Europees Unierecht. [107]
De Lobkowiczdat op grond van de regels van het Ambtenarenstatuut en de verordening 422/67, de EU de exclusieve bevoegdheid heeft om te bepalen welke regels op de ambtenaren van toepassing zijn wat betreft hun verplichtingen op het gebied van de sociale zekerheid.
De Lobkowiczin herinnering wordt gebracht, heeft het HvJ in onder meer de arresten
Commissie tegen België [113] en
Melchior [114] geoordeeld dat het Ambtenarenstatuut de lidstaten verbindt in al die opzichten waarin hun medewerking noodzakelijk is voor de toepassing ervan. [115] Dit heeft dus ook te gelden voor artikel 72, lid 2, Ambtenarenstatuut op grond waarvan ambtenaren die tot het 63e levensjaar in dienst van de EU zijn gebleven, onder dezelfde regels vallen als de ambtenaren in dienst van de EU op voet van artikel 72, lid 1 Ambtenarenstatuut.