Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten
3.Het geding in feitelijke instanties
Rechtbank
BNB1988/321 [4] tot richtsnoer dient te worden genomen.
4.Het geding in cassatie
BNB1988/321 en als zodanig niet in aanmerking komen voor aftrek als uitgaven met betrekking tot een monumentenpand ingevolge artikel 6.31 Wet IB 2001 (tekst 2011) – voorbij is gegaan aan onderdeel 3.3 van het besluit van 7 maart 2016, nr. BLKB 2016/360M (hierna: het Besluit). [5]
5.Toepassing van beleidsregels door de belastingrechter
Jurisprudentie van de Hoge Raad
BNB1990/194 (‘Leidraadarrest’) voor het eerst geoordeeld dat beleidsregels – onder bepaalde voorwaarden – als ‘recht’ in de zin van artikel 99 (thans: artikel 79) Wet RO moeten worden beschouwd, zij het dat de belastingrechter niet tot ambtshalve toepassing daarvan is gehouden. [6]
BNB1995/293 heeft de Hoge Raad een uitspraak van gerechtshof Arnhem gecasseerd, dat zélf de toepassing van een beleidsregel aan de orde had gesteld, omdat het daarmee buiten de rechtsstrijd van partijen was getreden. [7]
BNB1990/194 de rechter niet verplicht tot ambtshalve toepassing van beleidsregels, waarvoor zijns inziens een principiële en een praktische reden bestaat, maar dat op grond van r.o. 4.8 de rechter wél bevoegd is van ambtswege – ten gunste van de belanghebbende – beleid in het geschil te betrekken. [8]
moetaanvullen. Gelet op HR
BNB1995/293 ontbeert de rechter eveneens de
bevoegdheiddaartoe, hetgeen zijns inziens echter uit een oogpunt van rechtsbescherming onbevredigend te achten is. [9]
BNB1995/293 opgemaakt dat HR
BNB1990/194 meebrengt dat het de rechter niet is toegestaan zélf beleidsregels aan de orde te stellen, dan wel dat niet
voor het eerstin cassatie over schending daarvan kan worden geklaagd. [11]
hoefttoe te passen, maar dat hij het wel
mag. Of de Hoge Raad dat in het besproken arrest bedoelt, is niet duidelijk; die zienswijze zou de hoven (en later ook de rechtbanken) de gelegenheid geven nu eens wel en dan weer niet ambtshalve bepaalde beleidsregels toe te passen, zonder dat de Hoge Raad daarop zou kunnen casseren. Het lijkt ons meer aannemelijk dat het arrest aldus moet worden verstaan dat de rechter beleidsregels niet ambtshalve mag toepassen. Zulks is bevestigd door HR
BNB1995/293 waarin de Hoge Raad oordeelde dat het hof door een resolutie ambtshalve toe te passen buiten de rechtsstrijd was getreden.
voor het eerstin cassatie kan worden gedaan. Uit HR
BNB1995/293 blijkt dat het college daarin een uitbreiding van de feitelijke grondslag van het geschil ziet, en dat is nu eenmaal in cassatie niet toegestaan.”
6.Voortschrijdende rechtsontwikkeling
BNB1999/169 heeft de Hoge Raad een beroep op (goedkeurend) beleid gehonoreerd, dat eerst in de cassatiefase tot stand was gekomen. [14] De Hoge Raad overwoog als volgt: [15] , [16]
BNB1999/309 heeft de Hoge Raad – anders dan in HR
BNB1999/169 – zelf de toepassing van een beleidsregel aan de orde gesteld, die eerst tot stand was gekomen vóór de uitspraak waartegen het cassatieberoep gericht was. [17] De Hoge Raad overwoog dienaangaande: [18]
BNB1999/165 (…) en na het onderhavige arrest, het de Hoge Raad ernst is als het gaat om toepassing van beleidsregels.”
BNB2000/300, HR
BNB2001/361 en 347, HR
BNB2006/206, HR
BNB2008/136 en HR
BNB2011/24 heeft de Hoge Raad eveneens zelf de toepassing van (goedkeurend) beleid aan de orde gesteld, dat eerst – met uitzondering van HR
BNB2000/300 – in de cassatiefase tot stand was gekomen.
BNB2000/300 had de belanghebbende bij het hof – zij het in haar conclusie van repliek – een beroep op het beleid gedaan, welk beroep door het hof was afgewezen en in cassatie door haar niet werd herhaald. [20] De Hoge Raad overwoog als volgt: [21]
BNB2001/361 (en 347) deed de belanghebbende in cassatie een beroep op een beleidsbesluit, nádat de Hoge Raad partijen hierop had geattendeerd en in de gelegenheid had gesteld zich over de toepassing daarvan uit te laten. [24] De Hoge Raad overwoog in HR
BNB2001/361 als volgt: [25]
Redactie van Vakstudie Nieuws: [26]
BNB1999/309). (…) Het hof was ervan uitgegaan dat zulks per kwartaal moest worden bezien, waarover belanghebbende in cassatie klaagde echter zonder een specifiek beroep te doen op bestaand beleid. Oordelend over de klacht volstond de Hoge Raad met het op eigen gezag constateren van te dezer voor handen zijnd gepubliceerd landelijke beleid dat uitging van 'op jaarbasis' (…), stelde vervolgens met die constatering belanghebbende in het gelijk en deed de zaak zelf af.”
BNB2013/126 en HR
BNB2013/140 heeft de Hoge Raad (impliciet) de ambtshalve toepassing van een beleidsregel door de feitenrechter gesauveerd, dan wel het oordeel van die rechter gesanctioneerd.
AB2004, 286). Naar het oordeel van de Afdeling is een beleidsregel weliswaar recht in de zin van art. 79 Wet Pro RO maar niet in de zin van art. 8:69 lid 2 Awb Pro, met als gevolg dat de rechter niet gehouden is een beleidsregel ambtshalve toe te passen. Dit laatste is ook de lijn die de Hoge Raad lijkt te volgen: de rechter is bevoegd een beleidsregel ambtshalve toe te passen, maar hier niet toe verplicht (zie onderdeel 7 van de conclusie van A-G Niessen voor het arrest). Ook uit dit arrest kan men niet de conclusie trekken dat hij daar wel toe verplicht is. De gevolgde lijn impliceert ook dat de rechter die overweegt een beleidsregel toe te passen waarop tot dan toe geen beroep is gedaan door een partij, partijen niet in de gelegenheid hoeft te stellen zich daarover uit te laten.
TFB2007/8).”
diende(mijn cursivering) het Hof met betrekking tot dit geschilpunt andere, voorafgaande beleidsregels toe te passen.’”
BNB1999/309, HR
BNB2001/347 en 361 gesteld dat de Hoge Raad een nieuwe koers is gaan varen, welke is uitgemond in het aanvaarden van een actieve(re) opstelling van de belastingrechter bij het toepassen van beleidsregels. [40]
BNB1999/309] lijkt het erop dat hij thans, met de twee genoemde arresten, definitief een nieuwe weg – te weten de weg van een actieve opstelling van de belastingrechter met betrekking tot het ambtshalve toepassen van beleidsregels – is ingeslagen. Kennelijk heeft de Hoge Raad de onderhavige zaken aangegrepen om zulks aan de rechtspraktijk kenbaar te maken. Opvallend in deze zaken is namelijk dat de cassatierechter eerst ambtshalve de herstelresolutie in de rechtsstrijd van partijen heeft betrokken – ofwel de bekende worst heeft voorgehouden – om vervolgens het door de belanghebbenden daarop gedane beroep af te wijzen. Dit [41] op de grond dat belanghebbende, naar de Hoge Raad afleidde uit de voor hem beschikbare kenbronnen (de uitspraak van het hof en de stukken van het geding), handelde in auto's. [42] De cassatierechter beschikte echter reeds op het moment dat hij belanghebbende in de gelegenheid stelde zich uit te laten over de herstelresolutie over deze informatie; [43] hij wist op dat tijdstip dus ook dat belanghebbende niet voor de daarin opgenomen goedkeuring in aanmerking zou komen. Niettemin heeft de Hoge Raad de – voor het te berechten geval in wezen zinloze – exercitie uitgevoerd. Daaruit maak ik op dat hij in deze arresten meer heeft willen zeggen dan men – a prima facie – zou vermoeden.
Bergmankwam ik naar aanleiding van HR
BNB1999/309 en HR
BNB2001/347 en 361 tot de conclusie dat de Hoge Raad niet expliciet ervan blijk had gegeven dat hij een nieuwe koers heeft willen varen. Evenwel hebben wij daar betoogd dat beleidsregels ten gunste van de burger evengoed toepassing behoren te vinden als wettelijke regels. [44]
BNB1999/309 inzake aftrek voor kosten van levensonderhoud, en HR
BNB2001/347 en 361 inzake BPM). Maar dat is bij incidenten gebleven, en de Hoge Raad geeft ook in die arresten niet expliciet ervan blijk dat hij een nieuwe koers wil gaan varen. Onze inschatting is dat het college om niet genoemde redenen van mening was dat zich in de betreffende zaken bijzondere omstandigheden voordeden welke afwijken van de in
BNB1990/194 geformuleerde regel rechtvaardigden. Daaruit kan tevens een aarzeling aangaande die regel spreken. Misschien doet de Raad er goed aan zijn koudwatervrees op dit punt van zich af te zetten. Wanneer een beleidsregel recht inhoudt ten gunste van de burger, verdient dat immers even goed toepassing als wettelijke regels; die gelijkstelling impliceert dat ambtshalve toepassing in belastingzaken op dezelfde voet mogelijk moet zijn, derhalve dat de rechter dat kán doen, niet dat hij dat altijd en overal móét doen.”
bevoegdmoet zijn. Voor de belastingplichtigen gunstige fiscale beleidsregels kunnen berusten op de
bevoegdheidvan de Staatssecretaris tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard (art. 63 AWR Pro). Dan kan niet worden gezegd dat de Staatssecretaris tot de vaststelling ervan niet bevoegd was, en ontlenen zij hun bindende kracht dus wel aan het bepaalde in art. 4:84 Awb Pro. Happé, Van Loon, Slijpen en Pauwels [61] betogen terecht dat er veel tegenwettelijke beleidsregels zijn, die niet berusten op art. 63 AWR Pro. Die beleidsregels binden het bestuursorgaan volgens hen niet op grond van art. 4:84 Awb Pro. Zij voldoen volgens hen echter wel aan de in HR (…) BNB 1990/194, gegeven definitie van een beleidsregel, en binden het bestuursorgaan daarom op grond van enig beginsel van behoorlijk bestuur. [62] Van laatstbedoelde definitie maakt echter deel uit dat de regels binnen de
bestuursbevoegdheidvan het bestuursorgaan zijn vastgesteld. Als dat met de regels waarop Happé, Van Loon, Slijpen en Pauwels doelen het geval is – en wij menen dat dat met bijna alle regels die de Staatssecretaris uitvaardigt, ook de tegenwettelijke, zo is – is er onzes inziens geen goede reden ze van binding op grond van art. 4:84 Awb Pro uitgesloten te achten.”
De Blieck e.a.– verdedigd dat bepaalde tegenwettelijke beleidsregels (gelet op de wetsgeschiedenis van artikel 1:3, lid 4, Awb) in beginsel onverbindend zijn. Daarom bestaat volgens hen, voor het bestuursorgaan, ingevolge artikel 4:84 Awb Pro geen verplichting overeenkomstig dit beleid te handelen, zodat – evenals voorheen – geen wettelijke grondslag bestaat voor binding van het bestuursorgaan aan deze beleidsregels.
7.Temporele werking van het vertrouwensbeginsel
BNB1987/161:
.”
BNB1993/123 en 138) in een tweetal gevallen geoordeeld dat de desbetreffende resolutie(s) niet kon(den) worden toegepast op feiten die zich hadden voorgedaan vóór bekendmaking van die beleidsregel(s), ondanks het ontbreken van een daartoe strekkende – uitdrukkelijk – opgenomen bepaling in het/de bedoelde beleidsbesluit(en). [69]
BNB1993/138:
BNB2012/47, betrof een belanghebbende die zich beriep op een op 16 juni 2010 in werking getreden beleidsbesluit, hoewel de tot belastingheffing aanleiding gevende feiten zich op 7 oktober 2006 hadden voorgedaan.
BNB2016/197 op grond van HR
BNB2012/47 en bovenvermelde jurisprudentie over de onmiddellijke werking van beleidsregels betoogd dat het litigieuze beleidsbesluit (dat in werking was getreden vanaf dagtekening, nádat de belastbare feiten zich hadden voorgedaan) zich mede uitstrekte tot gevallen waarin de aanslag nog niet onherroepelijk vaststond op de inwerkingtredingsdatum. Het beleidsbesluit bevatte volgens hem geen overgangsrecht voor nog niet onherroepelijke gevallen van vóór dagtekening. [71]
BNB2001/347 en 361, HR
BNB2006/206 en HR
BNB2011/24 (ook) ambtshalve een beleidsregel toegepast op aan het desbetreffende beleidsbesluit, met daarin opgenomen een datum van inwerkingtreding, anterieure feiten (vgl. onderdeel 6.10, 6.12 en 6.14).
BNB1987/161 zo moet worden uitgelegd dat een in een beleidsbesluit opgenomen datum van inwerkingtreding verhindert om op dit beleid een geslaagd beroep te doen wanneer de tot belastingheffing aanleiding gevende feiten zich vóór een dergelijke ingangsdatum hebben voorgedaan.
BNB1987/161].”
8.Uitgaven voor parketvloeren
3. Huurderslasten
BNB1988/321 kwam de Hoge Raad tot het oordeel dat een redelijke wetstoepassing mede brengt [82]
BNB1995/62 niet in aftrek toegestaan omdat het een huurderslast betreft. [83]
Stb.2003, 230), welk besluit niets vermeldt over vloerbedekking.
a. Indeling.(…) Bij de opstelling van de lijst is de bestaande jurisprudentie gevolgd. Voorts zijn volgens de nota van toelichting twee criteria gehanteerd voor het onderscheid tussen klein en groot onderhoud.
9.Beschouwing en behandeling van het middel
Inleiding
BNB1995/293 besliste de Hoge Raad dat de (feiten)rechter een resolutie, thans besluit genaamd, niet ambtshalve mag toepassen, aangezien hij dan buiten de rechtsstrijd treedt. [98] Uitgaande van de leer dat een beroep op een resolutie verloopt door tussenkomst van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dat voor hun toepassing een feitelijk element, in dit geval vertrouwen ontleend aan een resolutie, is vereist, is deze beslissing begrijpelijk. [99]
BNB2013/126 en 140 besliste de Hoge Raad echter dat de rechter een besluit ambtshalve mag, zelfs moet, toepassen zolang hij blijft binnen de rechtsstrijd. [100]
BNB2001/361 en 347). [102]
BNB1999/309, HR
BNB2001/347 en 361, HR
BNB2006/206). [104]
BNB1987/161 staat hieraan – gelet op HR
BNB2012/47 – klaarblijkelijk niet in de weg. [106] Ook dit past bij de rechtscheppende werking van beleidsregels (HR
BNB2011/24). [107]
BNB1999/169). [108]
BNB1988/321. [116]