Conclusie
[A](verder ook te noemen: het winkelschip).
[A]gelast het winkelschip te lichten en af te laten voeren. Het winkelschip is op 16 november 1991 gelicht en naar de werf van [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3]) te [plaats] gesleept.
2.Bespreking van het cassatieberoep
geconcretiseerd.
[A]niet opnieuw tot verkoop van brandstoffen mocht overgaan, nader te laten toetsen door het bevoegde orgaan, het college van B&W, dan wel minst genomen de Milieudienst, terwijl uit niets blijkt dat [eiser] de vraag aan dezen heeft voorgelegd (rov. 14);
[A]is niet ingegeven door een mededeling van de havenmeester, maar door de verwachte lange duur van herstel, gezet tegenover een vlotte verbouw van het schip (rov. 15, 51.1);
[A], en [eiser] de gemeente bij brief van 6 juni 2006 voor het eerst aansprakelijk heeft gesteld voor schade als gevolg van onjuiste voorlichting (rov. 17, 18).
onderdeel 1.1) dat de vaststelling dat het winkelschip door brand is verwoest rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is en dat het hof op grond van de door de gemeente onweersproken stellingen van [eiser] diende uit te gaan van een “door de brand (gedeeltelijk) aangetaste boot, waarvan het voorschip en het achterschip nagenoeg onaangetast zijn gebleven” (
onderdeel 1.2 en 1.3)
.
onderdeel 1.4, omdat [eiser] toen nog de keuze had tussen herstel (reparatie) of vervanging door middel van een nieuw schip. Volgens
onderdeel 1.5brengen voornoemde klachten mee dat ook het oordeel van het hof in rov. 7, waarin het hof grief I ten aanzien van de feitenvaststelling heeft verworpen, en het oordeel van het hof in rov. 21 dat het het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, niet in stand kunnen blijven.
[A]. In de derde plaats had het hof, als het zou hebben vastgesteld dat het winkelschip volledig en onherstelbaar zou zijn verwoest, zich de exercitie hebben kunnen besparen om veronderstellenderwijs de stelling van [eiser] te beoordelen dat de havenmeester in de eerste dagen na de brand aan [eiser] heeft meegedeeld dat hij ook met hetzelfde schip in volledig herstelde toestand geen ligplaats meer kon innemen en de verkoop van olie en gas niet zou kunnen hervatten.
onderdeel 2.4, dat weer voortbouwt op onderdeel 2.3, is blijkens de inhoud van voormelde producties - waar nodig in onderling verband en samenhang bezien - duidelijk, “dat de verkoop van olie en gas niet langer was of zou worden toegestaan” en heeft het hof zich ten onrechte beperkt tot de in rov. 12, eerste volzin, genoemde schriftelijke verklaringen.
verwijzingennaar producties genoemd. Zo wordt in onderdeel 2.2 verwezen naar de MvG § 33, waarin zou zijn verwezen naar de besprekingsnotitie van 4 december 1991, en de MvG § 28-29 waarin wordt verwezen naar de brief van [eiser] aan Aegon Schadeverzekering van 19 december 1991 betreffende een verslag van de bespreking van 27 november 1991 van [eiser] met de gemeente. Onderdeel 2.3 verwijst naar de akte houdende overlegging producties waarin [eiser] zou hebben verwezen naar en een beroep zou hebben gedaan op de interne notitie van 15 juni 1992 van [betrokkene 10] van de gemeente.
verwijzingennaar producties kan aldus niet worden volstaan.