Conclusie
condicio sine qua non-verband bestaat tussen de tekortkoming/onrechtmatige daad van de Bank en de door [verweerders] gestelde schade.
1.Feiten
NLG 120.000,00
NLG 135.000,00
ƒ 1.175.000,00
ƒ 100.000,00
ƒ 890.000,00
ƒ 100.000,00
EUR 34.000,00
ƒ 100.000,00Eigen vermogen
ƒ 815.000.00
Verhuizen
Verbouwing
Niets doen
2.Procesverloop
Het beoordelingskader
‘het concept van meer financieren’te volgen en om een hypotheek van NLG 2.000.000,- aan te vragen, omdat dat voor [verweerders]
‘(fiscaal) het meest interessante’was (zie r.o. 3.1. onder d [hiervoor randnummer 1.5, A-G]).
‘inkomens- en vermogens-planning’. Deze planning (zie r.o. 3.1. onder e) [hiervoor randnummer 1.6, A-G]) heeft echter uitsluitend bestaan uit een beperkte doorberekening van de uiteindelijk gevolgde constructie en, als alternatief, eenzelfde constructie waarbij NLG 1.000.000,- zou worden geleend. In het kader van de onderhavige procedure heeft de Bank zich verder nog beroepen op destijds door haar opgestelde
‘rendement- en draagkrachtberekeningen’(zie mva nr. 6). De Bank heeft deze berekeningen echter niet in het geding gebracht en heeft dienaangaande evenmin nadere informatie verschaft.
‘Relaties hebben nog weinig affiniteit met beleggen maar aangegeven dat e.e.a. zich zal sett[e]len de komende periode (…). Mocht Vermogensadvies toch naderhand niet bij hun passen dan is de overstap naar Vermogensbeheer snel gemaakt’).
beleggingsbeleid’ uiteengezet en heeft dat vervolgens, conform haar ‘
methodiek’ (zie r.o. 3.1. onder g) [hiervoor randnummer 1.8, A-G]), nader uitgewerkt en in concrete beleggingen omgezet. Gesteld noch gebleken is dat [verweerders] in deze periode adviezen van de Bank niet hebben gevolgd, of zelfs maar hebben overwogen dit te doen.
‘Met betrekking tot de beleggingen wil hij niet dagelijks mee bezig zijn; voorkeur voor beleggingsfondsen (indirekt vermogensbeheer)’). Twijfels zijn des te meer op hun plaats nu de Bank op 6 oktober 2000 jegens [verweerders] heeft aangegeven dat op dat moment werd belegd op basis van een ‘
defensief beleggingsprofiel’ (zie r.o. 3.1. onder i) [hiervoor randnummer 1.10, A-G]).
‘Indien we rekenen met uitsluitend de inkomsten uit arbeid is aanvraag uiteraard geheel niet haalbaar’).
‘financiële planning’(zie r.o. 3.6.2. [hiervoor randnummer 2.9, A-G]) blijkt dat de Bank heeft gerekend met een vast inkomen uit arbeid van [verweerder 1] ad € 130.000,- bruto per jaar, dit terwijl [verweerders] hadden aangegeven dat [verweerder 1] voornemens was om een eigen onderneming op te zetten (zie r.o. 3.1. onder c) [hiervoor randnummer 1.4, A-G]). Of en zo ja, op welke wijze de Bank daarmee rekening heeft gehouden is niet duidelijk geworden.
ietslager continu rendement, een tijdelijk
veellager rendement en ook een
gemiddeldrendement van 8%. Mede op basis van deze berekeningen stellen [verweerders] dat de Bank zich in 2000 onvoldoende heeft verdiept in de gevolgen van eventueel tegenvallende beleggingsresultaten voor de haalbaarheid van de constructie op langere termijn.
‘rationeel en emotioneel’achter dit besluit. Aan die kwalificaties komt geen wezenlijk belang toe, omdat, zoals in het voorgaande is gebleken, de keuze van [verweerders] voor de constructie niet was gebaseerd op – op deugdelijk onderzoek gebaseerde – volledige informatie zijdens de Bank.”
kunnenvoordoen die afbreuk zouden doen aan het rendement waarmee was gerekend (netto 8% continu gedurende tien jaren). De Bank had met dit geenszins te verwaarlozen risico rekening moeten houden bij de advisering van [verweerders]
‘het negatieve sentiment op dit moment op de beurs’voorgelegd aan de Bank, die daarop heeft gereageerd met een geruststelling (zie r.o. 3.1. onder i) [hiervoor randnummer 1.10, A-G]). [verweerders] stellen dat de Bank daarbij foutieve informatie heeft verschaft, omdat zij uitdrukkelijk heeft aangegeven dat op dat moment zou worden belegd op basis van een defensief profiel, terwijl de daadwerkelijke samenstelling van de portefeuille (met 61% aandelen; zie r.o. 3.1. onder j) [hiervoor randnummer 1.11, A-G]) aansloot op een meer offensief (groeigericht) profiel. Volgens [verweerders] had de Bank hen op dat moment (opnieuw) moeten adviseren om de constructie te beëindigen of om wijzigingen daarin aan te brengen. In elk geval had de Bank hen (opnieuw) indringend moeten waarschuwen over de eraan verbonden risico’s.
‘Aangegeven dat wij zowel de kredietconstructie als de beleggingen voor langere termijn zijn aangegaan en we dan niet na een jaar dit moeten wijzigen. Is ook geen aanleiding voor’(zie r.o. 3.1. onder l) [hiervoor randnummer 1.13, A-G]).”
‘na enkele jaren’hadden kunnen en moeten beëindigen. Kennelijk doelt de Bank dan op maart 2002, als het eerste moment waarop de Bank met [verweerders] heeft gesproken over de consequenties van de tegenvallende beleggingsresultaten en over hun uitgavenpatroon. Gesteld noch gebleken is dat de Bank [verweerders] toen heeft geadviseerd tot de beëindiging van de constructie. Uit het desbetreffende gespreksverslag (zie r.o. 3.1. onder n) [hiervoor randnummer 1.15, A-G]) blijkt dat de Bank toen wel heeft geadviseerd om de woning te Blaricum niet te verbouwen en daarvoor extra geld te lenen. Waar het de beleggingen en het risico van een
‘neerwaartse beursbeweging’betreft, heeft de Bank daaraan echter toegevoegd:
‘Op langere termijn zal het waarschijnlijk wel weer goed komen gezien de opbouw van de aandelen portefeuille’.
nietaan te gaan (en dat [verweerders] dit advies hebben genegeerd) en heeft ook verder niet toegelicht welke overwegingen de Bank hebben geleid tot het besluit om lening IV te verstrekken.
conditio sine qua non-verband tussen de (door de rechtbank veronderstelde) tekortkoming/onrechtmatige daad van de Bank en de door [verweerders] gestelde schade ontbreekt: ook als de Bank aan de uit haar zorgplicht als kredietverstrekker voortvloeiende waarschuwingsplicht had voldaan, zou de schade zijn ingetreden, omdat [verweerders] hoe dan ook voor de constructie zouden hebben gekozen.
professionalop beleggingsgebied moest weten dat het niet realistisch was om te verwachten dat met groeigericht beleggen een continu rendement van 8% gedurende tien jaren zou worden gerealiseerd. Het hof begrijpt, zoals ook de Bank heeft kunnen begrijpen, dat [verweerders] aldus ook bezwaar maken tegen het hier aan de orde zijnde causaliteitsoordeel van de rechtbank, omdat de rechtbank daarmee miskent dat de Bank er rekening mee moest houden dat zich binnen tien jaren – als zodanig onbekende – gebeurtenissen zouden (kunnen) voordoen, die zouden leiden tot koersschommelingen en zelfs ernstige koersdalingen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
condicio sine qua non-verband bestaat tussen de tekortkoming/onrechtmatige daad van de Bank en de door [verweerders] gestelde schade.
subonderdeel 1.a.voert de Bank aan dat het hof aan het slot van rov. 3.6.4. heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het verjaringsberoep van de Bank te verwerpen aan de hand van het beoordelingskader van art. 6:89 BW Pro in plaats van dat van art. 3:310 lid 1 BW Pro. Of is voldaan aan de klachtplicht, hangt af van alle betrokken belangen en alle relevante omstandigheden, waaronder de aard en inhoud van de rechtsverhouding, de aard en inhoud van de prestatie en de aard van het gestelde gebrek in de prestatie. Dit speelt echter bij de beoordeling van de voor de aanvang van de verjaringstermijn vereiste subjectieve bekendheid geen rol. Ook zijn daarom niet van belang de omstandigheden of [verweerders] erop mochten vertrouwen dat de Bank haar zorgplichten jegens hen nakwam en of [verweerders] mochten afgaan op de geruststellende mededelingen van de Bank als de in de onderlinge verhouding deskundige partij. Voor de aanvang van de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro is namelijk louter beslissend vanaf welk moment de schuldeiser daadwerkelijk weet
daten
jegens wiehij mogelijkerwijs een vorderingsrecht heeft. Voor het aanvangen van de verjaringstermijn is bovendien niet vereist dat de benadeelde bekend is met de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, aldus de Bank.
subonderdeel 1.b.klaagt de Bank dat het hof niet voldoende gemotiveerd heeft gerespondeerd op de stelling van de Bank dat [verweerders] eind 2002 door de aanzienlijke koersverliezen (in hun effectenportefeuille) in subjectieve zin moeten hebben begrepen dat zij schade hebben geleden en dat de Bank daarvoor aansprakelijk zou zijn. [35] Het hof heeft wel overwogen dat de tegenvallende rendementen niet zonder meer op een tekortschieten van de Bank hebben gewezen, maar deze overweging vormt geen toereikende respons op de stellingname van de Bank, omdat de kern van de door [verweerders] gestelde zorgplichtschending nu juist is dat de Bank onvoldoende gewaarschuwd zou hebben voor de risico’s die aan de beleggingshypotheekconstructie waren verbonden. Die risico’s hebben zich reeds in de periode na oktober 2000 verwezenlijkt, zodat – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – niet valt te begrijpen dat [verweerders] daar niet reeds in de periode oktober 2000-eind 2002 mee bekend zijn geraakt en het [verweerders] toen duidelijk moest zijn dat de Bank hen daarvoor niet had gewaarschuwd.
[…] /AZVU [37] en in afwijking van de wettekst pleegt te zeggen, aanvangt op het moment dat de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering in te stellen. Dat is in de regel het geval bij
daadwerkelijke, in dit verband ook wel aangeduid als subjectieve, bekendheid met de schade en de aansprakelijke persoon (zoals de tekst van art. 3:310 BW Pro aangeeft). [38] Een
vermoedenomtrent schade of aansprakelijke persoon is voor het aanvangen van de korte verjaringstermijn van art. 3:310 BW Pro niet voldoende. Vereist is een voldoende mate van zekerheid, die weer geen absolute zekerheid hoeft te zijn. De vereiste bekendheid heeft echter geen betrekking op het recht: onvoldoende bekendheid met het recht of een onjuist inzicht daarin, staat aan het ingaan van de verjaringstermijn niet in de weg. [39] Soms is wel nodig dat
voldoende zichtbestaat op (althans dat er voldoende bekendheid is met) de oorzaak van de schade. Hierbij kan worden gedacht aan gevallen als in
[…] /AZVU, [40] waarin behalve een medische fout ook een natuurlijke oorzaak in het geding kan zijn. In dat arrest heeft Uw Raad geoordeeld [41] dat indien iemand bij zijn geboorte lichamelijk letsel heeft opgelopen dat door het natuurlijk verloop van de zwangerschap en bevalling zou kunnen zijn veroorzaakt, de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro pas begint te lopen zodra hij of diens wettelijk vertegenwoordiger, voldoende zekerheid (die niet een absolute zekerheid hoeft te zijn) heeft gekregen dat het letsel (mede) is veroorzaakt door tekortschietend of foutief medisch handelen. Daarnaast kan ook worden gedacht aan gevallen als in
BASF Drukinkt/ […], [42] waarin een niet ter zake deskundige werknemer een mogelijk verband veronderstelde tussen zijn klachten en de blootstelling aan chemicaliën en daarin niet werd bevestigd door medisch deskundigen met als gevolg dat de verjaring niet is aangevangen, maar pas ging lopen op het moment dat een andere medische deskundige dat verband wel bevestigde. Tot slot haal ik het voorbeeld van Du Perron aan, waaruit ook duidelijk wordt dat van geval tot geval zal verschillen wanneer de benadeelde
daadwerkelijkin staat is een rechtsvordering tot vergoeding van zijn schade in te stellen: [43]
NJ2006, 113. Dat kan bijvoorbeeld weer anders
Mispelhoef/Staat, waarnaar wordt verwezen in het in randnummer 3.5 weergegeven citaat, heeft Uw Raad expliciet geoordeeld dat het antwoord op de vraag op welk tijdstip de verjaringstermijn is gaan lopen, afhankelijk is van alle ter zake dienende omstandigheden. [44] De hier besproken stelling van de Bank uit subonderdeel 1.a. is in haar algemeenheid derhalve niet juist.
juridischebeoordeling van die feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Nog daargelaten dat dat niet door de Bank is aangevoerd, zou de overweging dat
“ [verweerders] niet zonder meer op de hoogte behoefden te zijn van het bestaan van de relevante zorgplichten”ook niet in cassatie tot het oordeel kunnen leiden dat daarmee door het hof is gedoeld op de juridische wetenschap van [verweerders] In de overwegingen die daarop volgen is het hof namelijk louter nagegaan wanneer [verweerders]
daadwerkelijkermee bekend zijn geworden dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de Bank (zie hierna randnummers 3.10 en 3.11).
“(…)Al het voorgaandeis ook relevant in verband met hetverjaringsverweer, met name in verband met debekendheid bij [verweerders] met de Bank als (mogelijk) aansprakelijke persoon. Gelet hierop faalt ook het beroep van de Bank op verjaring (…)”[onderstrepingen van mij, A-G]. Hoewel de daarvoor vermelde overwegingen van het hof lijken te zijn geënt op de maatstaf die wordt gehanteerd voor (het aanvangen van) de klachtplicht, heeft het hof mijns inziens het verjaringsberoep van de Bank niet verworpen aan de hand van het beoordelingskader van art. 6:89 BW Pro. Het hof heeft met de woorden “Al het voorgaande” kennelijk bedoeld: alle voorgaande overwegingen voor zover die relevant (oftewel: dragend) zijn in verband met het verjaringsverweer van de Bank. Met andere woorden: het hof doelt met “Al het voorgaande” op de voorgaande overwegingen die (behalve in verband met het beroep van de Bank op de klachtplicht) relevant zijn in verband met de daadwerkelijke bekendheid van [verweerders] met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon (en dan met name in verband met de bekendheid bij [verweerders] met de Bank als (mogelijk) aansprakelijke persoon). Deze kennelijke bedoeling van het hof wordt ondersteund door rov. 3.6.2., waarin het hof bij de weergave van het “verjaringsverweer” de juiste maatstaf voor het aanvangen van de korte verjaringstermijn heeft gehanteerd:
“3.6.2. (…) Volgens de Bank hebben de door [verweerders] gestelde aan de constructie verbonden risico’s zich al gerealiseerd in de loop van 2001 en 2002, waardoor zij eind 2002 moeten hebben begrepen dat zijschade hadden geledenen datde Bank daarvoor (mogelijk) aansprakelijkwas.Gelet op het bepaalde in artikel 3:310 lid 1 BW Prois op dat moment de verjaringstermijn van vijf jaren gaan lopen en zijn de (eventuele) vorderingen van [verweerders] per eind 2007 verjaard, aldus de Bank. (…)”[onderstrepingen van mij, A-G].
wanneer[verweerders]
voldoende zekerheidhebben verkregen dat de schade is veroorzaakt door
tekortschietend of foutief handelenvan de Bank (hiervoor randnummer 3.5). Ook verwijs ik in dit kader naar het door mij gestelde in randnummer 3.6 dat het voor het aanvangen van de verjaringstermijn soms wel nodig is dat
voldoende zichtbestaat op (althans dat er voldoende bekendheid is met) de oorzaak van de schade en daarmee dus met de aansprakelijke persoon. Bij tegenvallende resultaten hoeft namelijk niet direct duidelijk te zijn voor een ter zake niet-deskundige opdrachtgever zoals [verweerders] dat deze zijn veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van een deskundige opdrachtnemer zoals de Bank (hiervoor randnummer 3.10 onder i.): deze tegenvallende resultaten kunnen immers ook in een andere oorzaak zijn gelegen (zoals de technologie- en internetbubbel en de aanslagen op 11 september 2001, zoals genoemd in rov. 3.7.7., hiervoor randnummer 2.15). In het kader van het door mij gestelde in randnummer 3.6 over
voldoende zichtlijkt het mij ook niet meer dan redelijk dat een ter zake niet-deskundige opdrachtgever in beginsel mag vertrouwen op de juistheid van de geruststellingen van de wél ter zake deskundige opdrachtnemer (hiervoor randnummer 3.10 onder i.). Pas als voldoende zekerheid bestaat bij de ter zake niet-deskundige [verweerders] over het tekortschieten c.q. foutief handelen van de deskundige Bank (in verband met de oorzaak van de schade), gaat de verjaringstermijn lopen. Uit de overwegingen van het hof blijkt deze voldoende zekerheid bij [verweerders] (daadwerkelijk) te zijn ontstaan in 2008, te weten nadat [verweerders] door een tussenpersoon zijn gewezen op het tekortschieten van de Bank (hiervoor randnummer 3.10 onder ii. en iii.). Het hof heeft derhalve mogen oordelen dat de overwegingen, die in randnummer 3.10 zijn geciteerd, (ook) relevant (oftewel: dragend) zijn in verband met het verjaringsverweer van de Bank, met name in verband met de bekendheid bij [verweerders] met de Bank als (mogelijk) aansprakelijke persoon én dat deze overwegingen leiden tot het falen van het verjaringsverweer.
Subonderdeel 1.a.en
subonderdeel 1.b.treffen derhalve geen doel.
onderdeel 2voert de Bank aan dat het hof ten onrechte in rov. 3.7.2. van het eindarrest (hiervoor randnummer 2.12) heeft overwogen dat de Bank zich heeft beroepen op destijds door haar opgestelde rendement- en draagkrachtberekeningen, maar dat de Bank deze berekeningen niet in het geding heeft gebracht en dienaangaande evenmin nadere informatie heeft verschaft. Deze overweging is volgens de Bank onbegrijpelijk, omdat de Bank de desbetreffende berekeningen als productie 48 bij haar memorie van antwoord in het geding heeft gebracht. De Bank merkt in dit onderdeel nog op dat als de klacht slaagt ’s hofs oordeel in rov. 3.7.2. tot en met 3.7.4. van het eindarrest (hiervoor randnummer 2.12), dat de Bank in en onmiddellijk na 2000 niet heeft voldaan aan haar onderzoeksplicht, niet in stand kan blijven omdat het hof geen acht heeft geslagen op de daadwerkelijk door de Bank uitgevoerde rendement- en draagkrachtberekeningen.
‘rendement- en draagkrachtberekeningen’(zie mva nr. 6). De Bank heeft deze berekeningen echter niet in het geding gebracht en heeft dienaangaande evenmin nadere informatie verschaft.”;
rendement- en draagkrachtberekeningenrekening heeft gehouden en ook heeft kunnen en mogen houden).” [onderstreping van mij, A-G]
aan de hand van deze berekeningenbetoogd dat en waarom er geen sprake is van schending van de onderzoeksplicht.
nietrelevant is voor de beoordeling of sprake is van overkreditering. De Bank heeft het volgende over productie 48 vermeld in voetnoot 3 van haar memorie van antwoord: [48]
nietrelevant voor de beoordeling of sprake is van overkreditering. Desondanks legt Van Lanschot deze in het kader van de transparantie over als
Productie 48.” [onderstreping van mij, A-G]
Onderdeel 2treft geen doel.
datoordeel reeds in rov. 3.7.5. de conclusie trekt dat de Bank haar zorgplicht heeft geschonden, omdat zonder deugdelijk onderzoek de Bank [verweerders] onmogelijk onvoldoende kan hebben geïnformeerd, is zijn oordeel rechtens onjuist. In dat geval heeft het hof miskend dat de op de Bank rustende bijzondere zorgplicht strekt ter voorkoming van overkreditering. Het onderzoek dat de Bank moet verrichten naar de inkomens- en vermogenspositie van de consument is geen zelfstandige verplichting, maar een middel om eventuele overkreditering vast te stellen. De Bank verwijst daarbij naar rov. 4.4.2 van het
SNS/Stichting GOW&P-arrest. [49] Het hof heeft in rov. 3.7.6. van het eindarrest (hiervoor randnummer 2.14) geoordeeld dat naar zijn oordeel sprake was van overkreditering. Zonder dat oordeel kon het hof niet reeds in rov. 3.7.5. oordelen dat de Bank haar zorgplicht heeft geschonden. Voor zover het hof dat heeft gedaan, is zijn oordeel rechtens onjuist, aldus de Bank.
Onderdeel 3kan daarom niet slagen.
SNS/Stichting GOW&P-arrest [50] volgt dat de bijzondere zorgplicht van de bank meebrengt – en ook in de periode 1999-2003 al meebracht – dat de bank voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst tot hypothecair krediet met een consument inlichtingen dient in te winnen over diens inkomens- en vermogenspositie. Indien uit dat onderzoek van de bank zou blijken dat de consument de aan de hypothecaire lening verbonden niet (geheel) uit zijn inkomen zou kunnen voldoen, dient de bank na te gaan of de consument de lasten voor het overige
met voldoende zekerheidzou kunnen en willen voldoen uit zijn vermogen. In dat geval dient rekening te worden gehouden met inteereffecten. Als de
geleendegelden zouden worden belegd, en de opbrengst van die beleggingen nodig is om aan de betalingsverplichtingen uit hoofde van het krediet te voldoen, dient de bank naast de veronderstelde opbrengsten ook de risico’s van de belegging in haar onderzoek te betrekken. De zorgplicht van de bank om te waken tegen overkreditering brengt verder mee dat de bank de consument over de resultaten van haar onderzoek dient te informeren op zodanige wijze dat de consument kan beoordelen of hij de verplichtingen uit de kredietovereenkomst zou kunnen (blijven) dragen. Voorts dient de bank de consument voor wie de kredietverstrekking mogelijk niet verantwoord is, daarop te wijzen, en hem voor het daaraan verbonden risico te waarschuwen. [51] Verder heeft Uw Raad in genoemd arrest bepaald dat het onderzoek dat de bank moet verrichten naar de inkomens- en vermogenspositie van de consument geen zelfstandige verplichting is, maar een middel om eventuele overkreditering vast te kunnen stellen. Het gaat erom of feitelijk sprake is geweest van overkreditering. [52]
SNS/Stichting GOW&P-arrest van toepassing zijn op de onderhavige zaak (zie daarvoor – de in cassatie onbestreden – rov. 3.5.2. en 3.5.5. van het eindarrest, hiervoor randnummer 2.8). Een verschil tussen deze door Uw Raad reeds beslechte zaak en de onderhavige zaak is dat steeds sprake was van beleggen met geleend geld, terwijl [verweerders] strikt genomen eigen vermogen (afkomstig uit de overwaarde van de oude woning) hebben belegd. Naar het oordeel van het hof is dit echter geen wezenlijk verschil (zie daarvoor – de in cassatie onbestreden – rov. 3.5.2. van het eindarrest, hiervoor randnummer 2.8).
inkomenvan [verweerders] en anderzijds dat
rendementop de beleggingen noodzakelijk was om de hypothecaire lasten te kunnen voldoen (zie rov. 3.5.2. onder (d), 3.6.4., 3.7.4., 1e en 2e alinea, en 3.7.6. van het eindarrest, hiervoor randnummers 2.8, 2.11, 2.12 en 2.14). Uit deze overwegingen van het hof volgt dat de Bank bij het onderzoek naar de inkomens- en vermogenspositie van [verweerders] had kunnen onderkennen dat (feitelijk) sprake was van overkreditering (vraag 2). Het oordeel van het hof dat bij voorbaat vast stond dat [verweerders] hun verplichtingen niet uit eigen inkomen of vermogen konden voldoen en daarbij dus afhankelijk waren van een bepaald rendement, is niet bestreden in cassatie en wordt bovendien bevestigd door de Bank in cassatie. [53] Nu tussen partijen niet in geschil is dat de Bank bij het onderzoek naar de inkomens- en vermogenspositie van [verweerders] had kunnen onderkennen dat (feitelijk) sprake was van overkreditering (en de Bank dat naar eigen zeggen ook heeft onderkend), heeft het hof geen inzicht hoeven geven in de normen die het heeft aangelegd om te kunnen concluderen dat de Bank bij het onderzoek naar de inkomens- en vermogenspositie van [verweerders] had kunnen onderkennen dat (feitelijk) sprake was van overkreditering. Het hof was derhalve – anders dan de Bank in haar schriftelijke toelichting aanvoert [54] – niet bij de verwerping van de verzwaarde NIBUD-toets gehouden om te motiveren wat in het onderhavige geval dan wel een passend instrument zou zijn geweest voor het (destijds) uitvoeren van de inkomens- en vermogenstoets.
kunnenen
willenvoldoen uit hun vermogen (daarbij rekening houdend met inteereffecten) (rov. 3.5.5. onder (b) en rov. 3.7.4., onbestreden in cassatie, hiervoor randnummers 2.8 en 2.12) (vraag 3). Omdat eigen vermogen zou worden belegd, en de opbrengsten van die beleggingen nodig waren om aan de betalingsverplichtingen uit hoofde van de geldleningen te voldoen, diende de Bank naast de veronderstelde opbrengsten van de beleggingen ook de risico’s van de beleggingen in haar onderzoek te betrekken (rov. 3.5.5. onder (c) en 3.7.4., onbestreden in cassatie, hiervoor randnummers 2.8 en 2.12). De vraag of de Bank is nagegaan of [verweerders] de lasten met voldoende zekerheid zouden
kunnenen
willenvoldoen uit hun vermogen (daarbij rekening houdend met inteereffecten), gelet op de te veronderstellen opbrengsten van de beleggingen en de daaraan verbonden risico’s, is door het hof ontkennend beantwoord.
willenvoldoen uit hun vermogen en heeft daarover (in cassatie onbestreden) geoordeeld dat de Bank niet heeft toegelicht welk onderzoek daartoe heeft geleid:
“3.7.3. Uit de omstandigheid dat tijdens het tweede gesprek is geadviseerd én besloten tot het hanteren van de constructie volgt dat de Bank toen – kennelijk – een positieve inschatting had ten aanzien van de kennis en ervaring op het gebied van beleggen bij [verweerders] en hun bereidheid om beleggingsrisico’s te dragen. De Bank heeft niet toegelicht welk onderzoek aan haar zijde heeft geleid tot deze positieve inschatting. De gespreksverslagen van 8 en 17 mei 2000 bevatten dienaangaande geen aanknopingspunten. (…)”. Het hof heeft in rov. 3.9.2. van het eindarrest (hiervoor randnummer 2.24) geoordeeld dat de Bank onvoldoende heeft weersproken dat [verweerders] , als zij voldoende waren geïnformeerd en gewaarschuwd, in de periode mei-augustus 2000
nietvoor de constructie zouden hebben gekozen.
kunnenvoldoen uit hun vermogen (daarbij rekening houdend met inteereffecten), gelet op de te veronderstellen opbrengsten van de beleggingen en de daaraan verbonden risico’s. Het hof heeft geoordeeld dat niet duidelijk is geworden welk onderzoek de Bank ter zake heeft verricht:
“3.7.4. (…) Onduidelijk is gebleven welk onderzoek de Bank heeft verricht om tot de conclusie te komen dat [verweerders] dit met voldoende zekerheid zouden kunnen doen, gelet op de te veronderstellen opbrengsten van de beleggingen én de daaraan verbonden risico’s (zie r.o. 3.5.5. onder (c)). (…)”. De Bank heeft weliswaar met onderdeel 2 getracht het oordeel van het hof, dat de Bank de rendement- en draagkrachtberekeningen (die mogelijk kunnen wijzen op het uitvoeren van het onderzoek ter zake) niet in het geding heeft gebracht en dienaangaande evenmin nadere informatie heeft verschaft, te bestrijden, maar gezien randnummers 3.14 e.v. kan die klacht niet slagen. Vervolgens heeft het hof geoordeeld:
100% gegarandeerde bron van inkomsten, maar heeft hiermee kennelijk bedoeld dat sprake moet zijn van een
voldoendebestendige en zekere bron van inkomsten (en dat de Bank dat heeft miskend). Dit leid ik onder meer af uit rov. 3.7.4. waarin het hof heeft geoordeeld dat het realiteitsgehalte van het beleggingsscenario “onvoldoende zeker” was, uit rov. 3.7.6. waarin het hof heeft geoordeeld dat “onvoldoende zekerheid” bestond dat het rendement inderdaad voortdurend zou worden gehaald en uit rov. 3.7.7. waarin het hof heeft geoordeeld dat de Bank was gehouden om na te gaan of [verweerders] de hypotheeklasten die zij niet uit hun inkomen zouden kunnen voldoen, met “voldoende zekerheid” zouden kunnen en willen voldoen uit hun vermogen. Zie tot slot ook nog de maatstaf die het hof heeft weergegeven in rov. 3.5.5. onder (b) en (c), waaruit ook volgt dat het hof kennelijk heeft bedoeld dat het moet gaan om “voldoende zekerheid” en niet een “100% gegarandeerde zekerheid”.
nietmet
voldoende zekerheidzouden
kunnenvoldoen uit hun vermogen (daarbij rekening houdend met inteereffecten), gelet op de te veronderstellen opbrengsten van de beleggingen en de daaraan verbonden risico’s. Het oordeel dat erop neerkomt dat het rekenrendement (netto 8% continu gedurende tien jaren) niet reëel was (zie voor de onderbouwing daarvoor randnummer 3.30, 2e tot en met het 6e opsommingsteken), [55] is door de Bank niet bestreden in cassatie.
subonderdeel 4.a.geen doel treft.
in het geheelniet mochten worden meegenomen omdat onzeker was of dit vermogen de vereiste bestendige en zekere bron van inkomsten zou zijn, zijn oordeel rechtens onjuist is, althans ontoereikend is gemotiveerd. Het hof zou dan hebben miskend dat moest worden uitgegaan van de destijds geldende inzichten, inhoudende dat rekening mocht worden gehouden met redelijkerwijs te verwachten inkomsten uit vermogen, en dat niet de beperking gold dat het zou moeten gaan om zekere inkomsten uit vermogen. In ieder geval is ’s hofs oordeel ontoereikend gemotiveerd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet te begrijpen dat het vermogen van [verweerders] naar de destijds geldende inzichten niet redelijkerwijs een zeker rendement zou genereren waarmee bij de beoordeling van de leencapaciteit rekening gehouden mocht worden, aldus de Bank.
“De Bank mocht bij haar advisering weliswaar ook rekening houden met het vermogen van [verweerders] , maar heeft miskend dat onzeker was of dit vermogen de vereiste bestendige en zekere bron van inkomsten zou zijn.”. Hiermee heeft het hof mijns inziens echter bedoeld dat er sprake moet zijn van een vermogen dat een
voldoendebestendige en zekere bron van inkomsten zou zijn (zie randnummer 3.30, laatste opsommingsteken).
Subonderdeel 4.b.faalt.
subonderdeel 4.c.komt de Bank op tegen rov. 3.7.7. van het eindarrest (hiervoor randnummer 2.15), waarin het hof de stelling van de Bank dat de verzwaarde NIBUD-toets moet worden toegepast, heeft verworpen. Het subonderdeel formuleert een drietal klachten.
eerste klacht van subonderdeel 4.c.luidt dat het niet begrijpelijk is in welk opzicht de op de verzwaarde NIBUD-toets gebaseerde berekeningen [57] van de Bank – waaruit zou volgen dat [verweerders] ook bij veel lagere rendementen dan de destijds door de Bank geprojecteerde 8% de financieringslasten konden dragen zonder dat zij op het belegde vermogen zouden hoeven interen – onvoldoende op maat zouden zijn om te kunnen beoordelen of sprake is van overkreditering.
gebaseerde berekeningenvan de Bank verworpen, maar heeft met dat oordeel de
toepassingvan de verzwaarde NIBUD-toets als zodanig verworpen. Reeds daarom strandt de klacht. Overigens is het zojuist genoemde oordeel van het hof ook niet onbegrijpelijk. Ik licht dat toe bij de behandeling van de tweede klacht van subonderdeel 4.c. (hierna randnummer 3.42). De
eerste klacht van subonderdeel 4.c.faalt.
tweede klacht van subonderdeel 4.c.betoogt dat voor zover het hof heeft bedoeld dat de verzwaarde NIBUD-toets geen rekening houdt met het feitelijke bestedingspatroon van [verweerders] , het hof heeft miskend dat het feitelijke bestedingspatroon geen rol behoort te spelen bij de overkrediteringstoets, aangezien [verweerders] jarenlang een te hoog uitgavenpatroon hebben gehad met grote onttrekkingen aan het effectendepot tot gevolg. [58] In deze tweede klacht van subonderdeel 4.c. staat ook het oordeel van het hof zoals hiervoor vermeld in randnummer 3.39 onder a. centraal.
kunnenen
willenvoldoen uit hun vermogen en om daarbij rekening te houden met inteereffecten (zie ook randnummers 2.8, 3.23 en 3.24). Bij een dergelijke adviesrelatie is het hof kennelijk van oordeel dat de Bank pas kan nagaan of [verweerders] met voldoende zekerheid de hypotheeklasten zouden
kunnenen
willenvoldoen uit hun vermogen (en daarbij rekening houdend met inteereffecten) indien en voor zover bekend is wat het daadwerkelijke uitgavenpatroon van [verweerders] is. Dit vraagt derhalve volgens het hof om een persoonlijke, concrete benadering (oftewel: een benadering op maat) en niet om een abstracte benadering (oftewel: de verzwaarde NIBUD-toets). Dit oordeel is mijns inziens niet onbegrijpelijk. In het licht van dit niet onbegrijpelijke oordeel van het hof, gaat het dan niet aan dat de Bank [verweerders] thans tegenwerpen dat zij een te hoog uitgavenpatroon hebben gehad, terwijl de Bank zelf in de beginfase van de adviesrelatie heeft nagelaten om dit uitgavenpatroon mee te nemen in haar onderzoek. De
tweede klacht van subonderdeel 4.c.treft geen doel.
derde klacht van subonderdeel 4.c.bestrijdt de Bank het oordeel van het hof dat [verweerders] onvoldoende weersproken hebben gesteld dat de verzwaarde NIBUD-toets kan leiden tot onaannemelijke uitkomsten. Dit oordeel is volgens de Bank onbegrijpelijk, omdat de door [verweerders] aangevoerde onaannemelijke uitkomsten (enkel) zien op het scenario van een te behalen rendement van 8% en niet op de achteraf door de Bank berekende scenario’s aan de hand van de verzwaarde NIBUD-toets (waarbij wordt uitgegaan van veel lagere te behalen rendementen). In deze derde klacht van subonderdeel 4.c. staat het oordeel van het hof zoals hiervoor vermeld in randnummer 3.39 onder b. centraal.
minusvermogensrendementsheffing). Van Lanschot heeft destijds gerekend met een rekenrendement van 8% en ook nu stelt zij zich op het standpunt dat 8% “niet onredelijk en niet onrealistisch” zou zijn. Dat betekent, dat zolang de toepasselijk[e] hypotheekrente lager zou zijn dan 6,8%, het ook verantwoord zou zijn om [verweerders] een beurshypotheek van EUR 2.000.000 of EUR 4.000.000 te verschaffen bij een inkomen van EUR 60.000. Een overkrediteringsnorm die dit toelaat, kan moeilijk als een adequate norm worden beschouwd.
derde klacht van subonderdeel 4.c.faalt.
vice versa.
Subonderdeel 4.d.deelt het lot van de andere subonderdelen van onderdeel 4 en faalt derhalve.
condicio sine qua non-verband tussen de (door de rechtbank veronderstelde) tekortkoming/onrechtmatige daad van de Bank en de door [verweerders] gestelde schade ontbreekt. Daartoe heeft het hof overwogen dat de Bank onvoldoende heeft weersproken dat [verweerders] , als zij voldoende waren geïnformeerd en gewaarschuwd, in de periode mei-augustus 2000 niet voor de constructie zouden hebben gekozen. Volgens het hof blijkt uit de gespreksverslagen van mei 2000 dat [verweerders] groot belang hechtten aan de adviezen van de Bank en dat zij deze adviezen in de maanden daarna ook steeds hebben opgevolgd. Uit de gespreksverslagen van oktober 2000 en 8 augustus 2001 blijkt verder dat [verweerders] zich meteen zorgen maakten over de ontwikkeling op de beurzen en dat zij, in augustus 2001, uit eigen beweging aan de Bank hebben gevraagd of de constructie wel moest worden voortgezet. De Bank acht deze motivering ontoereikend. Volgens de Bank valt niet in te zien dat de wijze waarop [verweerders] zijn omgegaan met de
in werkelijkheidgegeven adviezen, voldoende redengevend is voor de beoordeling waarop [verweerders] met de
in de hypothetische situatiegegeven adviezen zouden zijn omgegaan. Het hof zou volgens de Bank er evenmin belang aan mogen hechten dat [verweerders] zich meteen zorgen maakten over de beursontwikkelingen en dat zij vroegen of de constructie wel moest worden voortgezet, omdat deze omstandigheden zich voordeden nadat [verweerders] al voor de constructie hadden gekozen. Hierbij verwijst de Bank naar het slot van rov. 3.9.2., waarin het hof zelf heeft opgemerkt dat de door [verweerders] genomen beslissingen na 2001 niets zeggen over hun opstelling toen zij in en onmiddellijk na mei 2000 in volle vrijheid al dan niet voor de constructie konden kiezen.
Onderdeel 5faalt.