Conclusie
“poging om een ander door giften en door het verschaffen van inlichtingen te bewegen om een moord te begaan, strafbaar gesteld bij artikel 1:121 jo Pro 2:262 van het Wetboek van Strafrecht”en
“moord, strafbaar gesteld bij artikel 2:262 van Pro het Wetboek van Strafrecht”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig jaar. Voorts heeft het Hof een schadevergoeding en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd als in het arrest omschreven.
aan [betrokkene 1] een dienstrooster van [slachtoffer] en een foto van [slachtoffer] en een kaart met de rijroute die [slachtoffer] (gewoonlijk) volgde van haar werk naar haar woning en een foto van de woning van [slachtoffer] en de nummerplaat van de auto van [slachtoffer] , en
aan [betrokkene 1] een of meer betalingen gedaan (van in totaal een bedrag van ongeveer Nafl. 5000,-)
2.(pagina 175-180)
3.(pagina 389-393)
4.(pagina 395-403)
zou nemen. In de maand februari 2015 begon ik berichten van [verdachte] te krijgen waarin hij mij vroeg om tegen [betrokkene 1] te zeggen dat hij op zijn berichten kon reageren. Dat heb ik gedaan.
5.(pagina 193-195)
6.(pagina 196-198)
7.(pagina 182-183)
8.(pagina 184-188)
De vijf geschriften genummerd A tot en met E, gevoegd als bijlagen bij het hiervoor onder 7. proces-verbaal van 16 maart 2015 met nummer 2015008972.20150316.2153.
11.(pagina 199-200)
12.(pagina 201-202)
Het geschrift, te weten de als bijlage bij het hiervoor onder bedoelde proces-verbaal van 2 april 2015 met nummer 201504020910.AMB gevoegde kopie van het Whats-App-gesprek tussen [verdachte] en “ [A] nieuw”.
14.(pagina 219-220)
15.(pagina 221-229)
De als bijlagen bij het hiervoor onder 14. bedoelde proces-verbaal van 30 maart 2015 met nummer 201503300813.AMB gevoegde geschriften, te weten kopieën van twee foto’s gekregen van de getuige [betrokkene 1] en twee rapporten betreffende gevonden foto’s uit de laptop.
18.(pagina 102-104)
19.(pagina 144-145)
20.(pagina 32-34)
21.(pagina 127-128)
23.(pagina 265-274)
28.(pagina 81-82)
29.(pagina 83-84)
eerste middelklaagt dat het Hof een (rechtens) onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij de afwijzing van het beroep op een vormverzuim.
geen doel meer” meer: de toegangsgegevens van de e-mailbox van de verdachte waren de opsporingsambtenaren immers reeds (rechtmatig) bekend geworden.
geen redelijk doel meer diende”. De juiste vraag, te weten: ‘heeft de politie door zonder een daartoe strekkende machtiging in te loggen op het mailaccount van de verdachte een vormverzuim begaan?’ heeft het Hof niet beantwoord, terwijl de politie geen wettelijke basis had om de e-mailaccount te openen zonder machtiging en zonder contact met de beheerder. Dit onherstelbare vormverzuim heeft de verdachte benadeeld en had dientengevolge tot bewijsuitsluiting moeten leiden, aldus het middel.
van, of het onderzoek
in(het geheugen van) de smartphone van de verdachte, noch wordt thans over ‘s Hofs oordeel in cassatie geklaagd. ’s Hofs oordeel dat de onder (1) bedoelde opsporingsmethode niet-onrechtmatig was, kan dus tot vertrekpunt dienen. Terzijde merk ik op dat de juridische problematiek die hierop betrekking heeft onderwerp was van het zogeheten ‘smartphone-arrest’. [4]
“een machtiging op de voet van artikel 177r Sv” was afgegeven en dat “
de rechter-commissaris toestemming had verleend tot het inzien van die e-mailaccount”.
P.B.2012, no. 67) zijn met ingang van 19 oktober 2012 wijzigingen aangebracht in het Wetboek van Strafvordering van Curaçao. Deze landsverordening strekt ertoe bijzondere opsporingsbevoegdheden binnen de Curaçaose jurisdictie van de vereiste wettelijke grondslag te voorzien. [5] Tot die datum ontbrak op Curaçao een toereikende wettelijke regeling hieromtrent. [6] De landsverordening is gemodelleerd naar de Nederlandse Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (
Stb.1999, 245), zoals aangevuld met de Wet bevoegdheden vorderen gegevens (
Stb.2005, 390), de Wet computercriminaliteit II (
Stb.2006, 300) en de Wet verruiming mogelijkheden opsporing en vervolging terroristische misdrijven (
Stb.2006, 371). [7] Overigens koos de Curaçaose wetgever voor een aanzienlijk toegankelijker stelsel van voorschriften dat de vergaring van (elektronische) gegevens normeert (artt. 177s en 177t SvC), dan het complexe en volgens Knigge “
atypische” [8] stelsel dat gestalte kreeg in de (Nederlandse) Wet bevoegdheden vorderen gegevens.
telecommunicatie, zoals telefoonverkeer. Na verkrijging van een door de rechter-commissaris afgegeven machtiging ex art. 126m Sv, vaardigt de officier van justitie een bevel opnemen communicatie uit, waarna mag worden aangevangen met het opnemen van niet voor het publiek bestemde communicatie die plaatsvindt met gebruikmaking van een communicatiedienst. Aangezien het bevel ziet op de onderschepping van
toekomstig(getransporteerd) gegevensverkeer, kan op grond van een dergelijk bevel geen kennis worden genomen van een reeds opgeslagen e-mailbericht, terwijl nog een puntje van aandacht is of in casu het ‘e-mailbericht’ afkomstig van én gericht aan de verdachte überhaupt als een vorm van communicatie kan worden aangemerkt. [10]
voor zover zij klaarblijkelijk van de verdachte afkomstig zijn, voor hem bestemd zijn, op hem betrekking hebben of tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend, of klaarblijkelijk met betrekking tot die gegevens het strafbare feit is gepleegd”.
toekomstigecommunicatie. Op reeds opgeslagen (elektronische) gegevens, zoals een e-mailbericht dat is bewaard op de servers van de aanbieder van deze communicatiedienst, is dit artikel niet van toepassing. [13]
ten overvloede”, dat zelfs indien er sprake zou zijn van een vormverzuim dit niet tot bewijsuitsluiting hoeft te leiden, nu de verdediging haar verdedigingsrechten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in volle omvang heeft kunnen uitoefenen, zij de betrouwbaarheid van het verkregen bewijsmateriaal niet heeft betwist en het betreffende bewijsmateriaal niet het enige bewijs is dat door het Hof is gebezigd.
tweede middelklaagt dat het Hof is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2], zonder daarvoor een toereikende motivering te geven.
“vrijwillig gemeld”hebben en
“zichzelf belasten”doet volgens de verdediging niet af aan de inconsistenties en (onderlinge) tegenstrijdigheden in hun verklaringen. De verdediging verwees hiertoe naar een bij de pleitnota gevoegde analyse over die (onderlinge) tegenstrijdigheden en de daarin door prof. Van Koppen geformuleerde conclusie dat “
het waarschijnlijker is dat de beide verklaringen onjuist zijn dan dat zij juist zijn.” [18] Voorts zijn [betrokkene 1] en [betrokkene 2] geen
“onafhankelijk van elkaar bestaande getuigen”, ze hebben samen een kind en zijn derhalve aan elkaar gelieerd. [19]
in beginselniet gehouden in het bijzonder de redenen op te geven waarom van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging werd afgeweken. Dat neemt overigens niet weg dat in bijzondere gevallen een nadere bewijsmotivering is vereist, zulks vanwege wettelijke motiveringsverplichtingen, zoals in art. 403 SvC Pro en art. 360 Sv Pro, of in respons op een zeer specifiek bewijsverweer, zulks overeenkomstig de stand van de jurisprudentie van de Hoge Raad voorafgaande aan de inwerkingtreding van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv in Nederland. [22] In het middel wordt niet onderbouwd dat zich zo’n bijzonder geval thans voordoet.
voor [A]”, waarvan de inhoud naar ’s Hofs oordeel telkens (aanzienlijk) beter wordt verklaard door de lezing van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] dan door het alternatieve scenario dat – niet eerder dan in hoger beroep – namens de (voornamelijk zwijgende) verdachte ten tonele is gevoerd. Ofschoon daartoe niet verplicht, heeft het Hof het gebruik van de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in de bewijsvoering geenszins onbegrijpelijk met redenen omkleed.
derde middelklaagt dat het Hof is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat op grond van de door IFS uitgevoerde contra-expertise aanwijzingen naar voren zijn gekomen dat het sporenbeeld niet ondersteunend is voor het scenario dat de verdachte de dader is, terwijl het Hof hieromtrent een verzwaarde motiveringsplicht had.
als regelniet was gehouden in het bijzonder de redenen op te geven waarom van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging werd afgeweken. In het middel wordt niet uiteengezet op welke wettelijke of jurisprudentiële gronden moet worden aangenomen dat zich thans een uitzondering op die regel voordoet. Reeds daarom faalt het middel.
kunnenzijn weggespoeld, hoeft op zichzelf geen significante afbreuk te doen aan de betekenis van sporen die wél zijn aangetroffen en waarvan de bron niet wordt betwist. Ook in zoverre faalt het middel.
vierde middelklaagt over ’s Hofs motivering van de onder 2 bewezen verklaarde voorbedachte raad.
“vrijwel exact” dat plan op de avond van de moord zelf heeft uitgevoerd. Dat het Hof zijn oordeel dat geen sprake is geweest van een ‘ogenblikkelijke gemoedsopwelling’ mede hierop baseert, acht ik niet onbegrijpelijk. Uit ’s Hofs overwegingen volgt immers dat de verdachte zeer geruime tijd de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van vrijwel precies de daad die hij volgens het Hof heeft uitgevoerd. Het middel faalt in zoverre.
“niet onverenigbaar is met het oordeel dat van een geplande daad sprake is”.
kunnenopleveren, doch dat sterke emoties tijdens het om het leven brengen van een bekend persoon niet onverenigbaar zijn met de uitvoering van een vooraf geplande daad. Ik acht dit oordeel niet onbegrijpelijk.
vijfde middelklaagt dat het Hof de strafoplegging onvoldoende, dan wel onbegrijpelijk, heeft gemotiveerd.
“schok in brede kring” heeft veroorzaakt behoefde m.i. dan ook geen nader betoog. Het Hof is voorts, gelet op zijn bewijsvoering, gemotiveerd voorbijgegaan aan de verklaring van de verdachte onschuldig te zijn, daarna overwegend dat het de verdachte moet worden aangerekend geen inzicht te hebben gegeven in zijn beweegredenen voor de moord op het slachtoffer. Is eenmaal vastgesteld dat de verdachte schuldig is, dan is die laatste overweging allerminst onbegrijpelijk. Gelet hierop en de nadere overwegingen die het Hof aan de strafoplegging ten grondslag heeft gelegd, acht ik zijn oordeel hieromtrent niet onbegrijpelijk en overigens voldoende gemotiveerd.