ECLI:NL:HR:2012:BT7126
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- J. de Hullu
- W.F. Groos
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot vordering van uitlevering van opgeslagen gegevens en inbeslagneming volgens art. 105 en 126nd Sv
In deze zaak stond centraal de vraag of op grond van artikel 105 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) vorderingen tot uitlevering van opgeslagen of vastgelegde gegevens, waaronder gevoelige medische gegevens, kunnen worden toegewezen. De Officier van Justitie had vorderingen ingediend gericht aan verschillende medische instellingen en een huisarts tot uitlevering van medische dossiers en verslaglegging betreffende een betrokkene.
De Rechter-Commissaris en de Rechtbank hadden deze vorderingen afgewezen omdat zij meenden dat artikel 126nd Sv, dat zwaardere voorwaarden stelt aan het vorderen van gevoelige gegevens, de exclusieve grondslag is voor dergelijke vorderingen. De rechtbank oordeelde dat vorderingen op grond van artikel 105 Sv Pro niet kunnen worden toegewezen indien zij betrekking hebben op gevoelige gegevens zoals bedoeld in artikel 126nd Sv.
De Hoge Raad oordeelt dat artikel 105 Sv Pro en artikel 126nd Sv verschillende bevoegdheden toekennen en dat er geen dwingende onderlinge verhouding bestaat. Artikel 105 Sv Pro geeft bevoegdheid tot inbeslagneming en uitlevering van voorwerpen, maar niet tot het eisen van verzameling, selectie of bewerking van gegevens. Artikel 126nd Sv geeft wel die bevoegdheid, mits de vordering nauwkeurig is omschreven. De rechtbank heeft de vorderingen ten onrechte afgewezen op grond van de aard van de gegevens. De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden beschikking en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep.