Conclusie
uitvoeringvan de operatieve ingreep. Daarom is het verzoek naar het oordeel van het hof niet ter zake dienend. In cassatie wordt opgekomen tegen de duiding van de vordering in de hoofdzaak. Deze zou berusten op een onbegrijpelijke uitleg van de stellingen van [verzoekster] .
1.Feiten
6.De beslissing
2.Procesverloop
uitvoeringvan de operatieve ingreep (waar de vordering in de hoofdzaak klaarblijkelijk nog op is gericht). Het hof acht deze vraagstelling in het kader van de eis in de hoofdzaak, zoals deze (ook blijkens de dagvaarding in hoger beroep) is geformuleerd, daarom niet ter zake dienend:
3.Bespreking van het cassatiemiddel
NJ 1999, 478). Aan de rechter die heeft te oordelen over het verzoek een dergelijk onderzoek te gelasten, komt geen discretionaire bevoegdheid toe. Hij dient het onderzoek in beginsel te gelasten, mits het daartoe strekkende verzoek terzake dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die met het deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden. Dit is echter anders indien de rechter op grond van in zijn beslissing te vermelden feiten en omstandigheden van oordeel is dat het verzoek in strijd is met een goede procesorde, dat van de bevoegdheid toepassing van dit middel te verlangen, misbruik wordt gemaakt — bijvoorbeeld omdat verzoeker wegens onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot het uitoefenen van die bevoegdheid kan worden toegelaten — of dat het verzoek moet afstuiten op een ander door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar (vgl. HR 13 september 2002, nr. R02/005HR,
RvdW 2002, 135en HR 12 september 2003, nr. R02/047HR,
RvdW 2003, 140).”
NJ 1999, 478). Hieruit vloeit voort dat het niet noodzakelijk is dat in het verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht nauwkeurig wordt omschreven [in verband] met welke — nog in te stellen — vordering(en) dit onderzoek verband zal houden. Voldoende is dat feiten vermeld worden op grond waarvan kan worden beoordeeld waarover een deskundigenbericht moet worden uitgebracht en waarom dit onderzoek met het oog op (de strekking van) de eventueel in te stellen vordering(en) van belang kan zijn. De in art. 228 lid Pro 2, aanhef en sub a, (oud) Rv vereiste vermelding van de aard en het beloop van de vordering dient ertoe de rechter in staat te stellen te beoordelen of hij bevoegd is kennis te nemen van het verzoek. Indien een verzoek voldoende concreet en ter zake dienend is en feiten bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, zal het moeten worden toegewezen, tenzij de rechter in zijn beslissing te vermelden feiten en omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met een goede procesorde of moet afstuiten op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld, bezwaar.”
NJ1998, 414). Om die reden behoeft de verzoeker niet aannemelijk te maken dat hij enige schade heeft geleden.”
lege artisis uitgevoerd. [verzoekster] zou [verweerder 2] ook in de (bodem)procedure in eerste aanleg hebben verweten dat hij te snel is overgegaan tot de operatie, dat hij [verzoekster] niet heeft geïnformeerd over de aard van de operatie en de daaraan verbonden risico’s en dat hij geen alternatieve behandelingen met [verzoekster] heeft besproken. [verzoekster] verwijst daartoe naar randnummer 16 van de inleidende dagvaarding.
uitvoeringvan de operatieve ingreep. Het hof heeft dit oordeel uitsluitend gemotiveerd met een verwijzing naar het petitum in de hoofdzaak. In dit petitum heeft [verzoekster] een verklaring voor recht gevorderd dat Maasstad c.s. aansprakelijk zijn voor de schade die [verzoekster] lijdt door het na de behandelingen opgetreden zenuwletsel aan de hand, pols en arm en voor de door dit letsel opgetreden psychische gezondheidsklachten. Het is zonder nadere motivering – die ontbreekt – niet begrijpelijk waarom uit dit petitum zou volgen dat de hoofdzaak betrekking heeft op een (medische) fout bij de uitvoering van de operatieve ingreep. Dit petitum past immers ook bij de grondslag dat [verzoekster] onvolledig is geïnformeerd over de aard en risico’s van de operaties, dat zij op die basis heeft gekozen voor de operatie en dat zij vanwege een complicatie bij deze operatie aanvullende klachten heeft ontwikkeld.
subonderdeel 1.2bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. [18]
tweede onderdeelbevat een voortbouwende klacht tegen rov. 9. en het dictum van de beschikking. Rov. 9. en het dictum borduren inderdaad voort op de oordelen in rov. 8. waartegen subonderdeel 1.1 naar mijn mening met succes opkomt.
Onderdeel IIis in zoverre dus terecht voorgesteld.