Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 2.1verdedigt het standpunt dat met het indienen van het cassatieverzoekschrift op 3 november 2016 (gericht tegen de beslissing van 6 september 2016 tot heropening van de tuchtzaak in hoger beroep) de behandeling van het aldus heropende hoger beroep op grond van artikel 404 Rv Pro met onmiddellijke ingang was geschorst. Dit heeft volgens de klacht tot gevolg dat alle nadien door het hof in de tuchtzaak gegeven beslissingen nietig zijn, met inbegrip van de bestreden eindbeslissing van 13 juni 2017.
- Subonderdeel 2.2.1 herhaalt het standpunt dat het rechtsmiddelenverbod in art. 94 lid 1 Wna Pro niet van toepassing is, omdat het ging om een beslissing op een herzieningsverzoek.
- Subonderdeel 2.2.2 herhaalt het standpunt dat, nu klagers een beroep hadden gedaan op één of meer doorbrekingsgronden en hun cassatieberoep om die reden ontvankelijk moet worden geacht, de behandeling van de tuchtzaak in herziening bij het hof van rechtswege was geschorst voor de duur van de behandeling van het cassatieberoep.
- Subonderdeel 2.2.3 is gericht tegen de overweging (in de brief van het hof) dat ontvankelijkheid van het cassatieberoep van klagers nog niet betekent dat het cassatieberoep inhoudelijk zal worden behandeld. Het klaagt dat het hof miskent dat ten minste de mogelijkheid bestond dat de zaak inhoudelijk wordt behandeld, namelijk wanneer de Hoge Raad zou oordelen dat klagers zich terecht op een doorbrekingsgrond hebben beroepen.
- Subonderdeel 2.2.4 voegt hieraan toe dat indien het hof (in de brieven van zijn voorzitter) heeft bedoeld dat klagers zich niet op een doorbrekingsgrond kunnen beroepen, het hof heeft miskend dat dit oordeel niet toekomt aan het hof, maar is voorbehouden aan de Hoge Raad.
- Subonderdeel 2.2.5 klaagt dat indien het hof (in de brieven) heeft bedoeld dat de beslissing van 6 september 2016 moet worden aangemerkt als een tussenbeslissing waarop artikel 426 in Pro verbinding met art. 401a Rv van toepassing is, dat oordeel rechtens onjuist is: de beslissing tot heropening is een tussenuitspraak die tevens een eindbeslissing inhoudt. Daartegen kan terstond cassatieberoep worden ingesteld.
- Subonderdeel 2.2.6 klaagt dat indien het hof (in de brieven) heeft bedoeld dat klagers door het instellen van het cassatieberoep misbruik van procesrecht maken, het hof de juiste, tot terughoudendheid nopende, maatstaf voor het aannemen van misbruik van processuele bevoegdheden heeft miskend. Volgens de klacht is het oordeel zonder nader motivering onbegrijpelijk, in het licht van de gronden die klagers in hun cassatierekest van 3 november 2016 hadden aangevoerd.
- Subonderdeel 2.2.7 keert zich tegen het argument (in de brieven van de voorzitter) dat de oud-notaris gerechtvaardigd belang had bij voortzetting van de behandeling van zijn herzieningsverzoek en dat de voortzetting van de tuchtprocedure in herziening geen nadeel toebrengt aan rechten of belangen van klagers. Behoudens in bijzondere omstandigheden die hier niet aan de orde zijn, kan dit oordeel volgens de klacht niet worden gebaseerd op een afweging van de belangen van partijen door de rechter wiens oordeel aan dat cassatieberoep is onderworpen. Het oordeel dat klagers na heropening van de tuchtzaak geen nadeel ondervinden van het voortzetten van de behandeling van het herzieningsverzoek van de oud-notaris, achten klagers bovendien onbegrijpelijk: nadeel is gegeven met de mogelijkheid van tegenstrijdige beslissingen en met de rechtsonzekerheid die daarvan voor klagers het gevolg is. Ook hebben klagers kosten moeten maken. Tot zover de klachten in cassatie.
overeenkomstigzou kunnen worden toegepast in een procedure van notarieel tuchtrecht.
execution par suite d’instance’) [6] . De
rescissoirefase van een herroepingsgeding zou m.i. kunnen worden beschouwd als een
execution par suite d’instanceten opzichte van de beslissing in het dictum waarvan de herroeping toelaatbaar is geacht en de behandeling van de tuchtzaak is heropend. Indien art. 404 Rv Pro overeenkomstig wordt toegepast in een notariële tuchtzaak, had het hof er beter aan gedaan, de uitkomst van het cassatieberoep van de oud-notaris tegen de beslissing van 6 september 2016 af te wachten.
Subonderdeel 2.3.2klaagt dat het hof in de eindbeslissing van 13 juni 2017 heeft miskend dat ook de beslissing van 12 mei 2015 aan het oordeel van het hof was onttrokken zolang deze beslissing nog is onderworpen aan het oordeel van de cassatierechter.