Conclusie
Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg
1.Feiten en procesverloop
- i) Uit de moeder is op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] [het kind] geboren. De moeder oefent het gezag uit over [het kind] .
- ii) [het kind] is op 4 augustus 2016 onder toezicht gesteld van de GI voor de periode tot 4 augustus 2017.
- iii) [het kind] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 16 augustus 2016 uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van zes maanden, derhalve tot 16 februari 2017.
2.De beoordeling van het cassatiemiddel
rechtsklacht(verzoekschrift p. 3) blijft uit. Wat betreft de door het hof gehanteerde maatstaf is dit terecht. Uit de bestreden beschikking blijkt dat het hof het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing – terecht – heeft getoetst aan de maatstaf of verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid (art. 1:265c lid 2 jo art. 1:265b lid 1 BW, zie rov. 3.8.1 en 3.8.2).
motiveringsklachtis het bestreden oordeel gelet op de inhoud van de stukken van het geding onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. Deze hoofdklacht wordt als volgt uitgewerkt.
ten eersteaf uit het e-mailbericht van de verpleegkundig specialist GGZ d.d. 24 mei 2017. De inhoud van dit bericht luidt, voor zover hier relevant, als volgt (onderstreping A-G):
een eigen ter zitting gedane waarneming(zie hiervoor onder 2.6
ad (iii)) faalt wegens gemis aan feitelijke grondslag. Het betreffende oordeel is niet gebaseerd op een eigen waarneming van het hof; het oordeel is gegrond op de ter zitting gedane verklaring van de GI bij monde van [betrokkene 1] (onderstreping A-G): [11]
ter zitting afgelegde verklaringvan de zijde van GI afgeleid dat de moeder er op dit moment onvoldoende blijk van heeft gegeven in staat te zijn in de gesprekken met de GI de vraag centraal te stellen wat [het kind] nodig heeft. Dat oordeel is in het licht van voormelde verklaring van de GI niet onbegrijpelijk.