ECLI:NL:HR:2011:BR5151

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/04582
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:261 lid 1 BWArt. 1:253a BWArt. 8 EVRMArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging machtiging uithuisplaatsing bij gezaghebbende ouder ondanks hoofdverblijf elders

In deze zaak stond de vraag centraal of een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige ook kan worden verleend voor plaatsing bij de andere ouder die het gezag heeft, terwijl het hoofdverblijf van het kind bij de verzoekende ouder is vastgesteld. De minderjarige was sinds februari 2009 uit huis geplaatst en verbleef vanaf november 2009 bij de vader, die samen met de moeder het gezag over het kind heeft.

De kinderrechter had de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader verleend en het hof had deze beschikking bekrachtigd, omdat het in het belang van het kind was dat het verblijf bij de vader werd voortgezet. De moeder stelde hiertegen beroep in cassatie in.

De Hoge Raad oordeelde dat geen rechtsregel zich verzet tegen een machtiging tot uithuisplaatsing bij de andere gezaghebbende ouder, ook al is het hoofdverblijf van het kind bij de verzoekende ouder. Tevens bevestigde de Hoge Raad dat een ouder procesbelang behoudt om de rechtmatigheid van een uithuisplaatsing te laten toetsen, ook als de geldigheidsduur van de maatregel is verstreken, mede gelet op het recht op eerbiediging van het gezinsleven onder artikel 8 EVRM Pro.

De overige klachten van de moeder werden verworpen en het cassatieberoep werd afgewezen. Hiermee blijft de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader blijft van kracht.

Uitspraak

14 oktober 2011
Eerste Kamer
10/04582
DV/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De moeder],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
STICHTING BUREAU JEUGDZORG NOORD-BRABANT,
gevestigd te Eindhoven,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en Jeugdzorg.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikkingen in de zaak 199586 JE RK 09-184 van de kinderrechter in de rechtbank Breda van 5 februari 2009 en 23 februari 2009;
b. de beschikking in de zaak 199588 JE RK 09-185 van de kinderrechter in de rechtbank Breda van 4 mei 2009;
c. de beschikking in de zaak 213342 JE RK 09-2406 van de kinderrechter in de rechtbank Breda van 3 februari 2010;
d. de beschikking in de zaak 214446 JE RK 10-104 van de kinderrechter in de rechtbank Breda van 12 februari 2010;
e. de beschikking in de zaak HV 200.063.069/01 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 21 juli 2010.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Jeugdzorg heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de moeder heeft bij brief van 26 augustus 2011 op die conclusie gereageerd.
3. Uitgangspunten in cassatie
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en [de vader] (hierna: de vader) is op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] geboren [de zoon] (hierna: de minderjarige). Beide ouders hebben het gezag over de minderjarige.
(ii) De minderjarige staat vanaf 5 februari 2009 onder toezicht van Jeugdzorg. De ondertoezichtstelling is bij beschikking van de kinderrechter van 3 februari 2010 verlengd tot 5 februari 2011.
(iii) De minderjarige is voorts sinds 5 februari 2009 uit huis geplaatst op grond van een daartoe aan Jeugdzorg verleende machtiging tot uithuisplaatsing "in een verblijf pleegouder 24 uur". De minderjarige heeft vanaf die datum bij verschillende pleeggezinnen verbleven.
De machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin is verlengd bij beschikking van de kinderrechter van 4 mei 2009 tot uiterlijk 5 februari 2010. Op 13 november 2009 is de minderjarige bij de vader geplaatst.
3.2 De kinderrechter heeft Jeugdzorg bij beschikking van 12 februari 2010 gemachtigd de minderjarige uit huis te plaatsen bij de vader met ingang van 12 februari 2010 tot het einde van de ondertoezichtstelling, doch uiterlijk tot 5 februari 2011.
3.3 De moeder heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. Bij zijn bestreden beschikking heeft het hof de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd. Naar het oordeel van het hof is het in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige noodzakelijk dat zijn verblijf bij de vader wordt voortgezet (rov. 3.7.7). Het hof achtte daartoe een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk, nu de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de moeder is bepaald en er geen sprake is van een vrijwillige uithuisplaatsing door de moeder bij de vader. Dat het een uithuisplaatsing betreft bij de andere ouder met gezag, maakt dit naar het oordeel van het hof niet anders (rov. 3.7.8).
4. Beoordeling van het belang bij het beroep
De periode waarvoor de op grond van art. 1:261 lid 1 BW Pro aan Jeugdzorg verleende machtiging is gegeven, is inmiddels verstreken. Naar aanleiding van de uitspraak van het EHRM in de zaak S.T.S. tegen Nederland van 7 juni 2011, no. 277/05, is de Hoge Raad bij beschikking van 24 juni 2011, LJN BQ2292, teruggekomen van zijn 'geen-belang'-rechtspraak, in zoverre dat aan degene die een rechtsmiddel instelt tegen een tijdelijke maatregel als gevolg waarvan hem zijn vrijheid is ontnomen, zijn procesbelang niet behoort te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor die maatregel gold, inmiddels is verstreken (rov. 3.7 van genoemde beschikking). In het verlengde van deze beschikking wordt ook in gevallen als het onderhavige, waarin een ouder opkomt tegen een uithuisplaatsing van een minderjarig kind, aangenomen dat deze ouder, gelet op het door art. 8 EVRM Pro gewaarborgde recht op eerbiediging van zijn of haar gezinsleven, een rechtens relevant belang erbij heeft om de rechtmatigheid van de uithuisplaatsing te laten toetsen, en behoort aan deze ouder mitsdien niet zijn of haar procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken.
5. Beoordeling van de middelen
5.1 Middel II klaagt in onderdeel 6.3 dat het hof heeft miskend dat een op de voet van art. 1:261 lid 1 gegeven Pro machtiging slechts ziet op "externe plaatsing" en mitsdien niet ertoe kan dienen de minderjarige uit huis te plaatsen bij de andere, met gezag belaste ouder. Betoogd wordt dat de vader zelfstandig (op de voet van art. 1:253a BW) wijziging van het hoofdverblijf had moeten verzoeken teneinde plaatsing van de minderjarige bij hem te kunnen realiseren.
5.2 Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat de in art. 1:261 lid 1 bedoelde Pro machtiging tot uithuisplaatsing een plaatsing betreft bij de met het gezag belaste ouder bij wie de minderjarige zijn hoofdverblijf niet heeft. Hierop stuit onderdeel 6.3 in zijn geheel af.
5.3 De overige klachten van middel II, alsmede de in middel I aangevoerde klachten, kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren E.J. Numann, als voorzitter, W.A.M. van Schendel, F.B. Bakels, C.A. Streefkerk en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 14 oktober 2011.