ECLI:NL:HR:2011:BR5151
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Bevestiging machtiging uithuisplaatsing bij gezaghebbende ouder ondanks hoofdverblijf elders
In deze zaak stond de vraag centraal of een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige ook kan worden verleend voor plaatsing bij de andere ouder die het gezag heeft, terwijl het hoofdverblijf van het kind bij de verzoekende ouder is vastgesteld. De minderjarige was sinds februari 2009 uit huis geplaatst en verbleef vanaf november 2009 bij de vader, die samen met de moeder het gezag over het kind heeft.
De kinderrechter had de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader verleend en het hof had deze beschikking bekrachtigd, omdat het in het belang van het kind was dat het verblijf bij de vader werd voortgezet. De moeder stelde hiertegen beroep in cassatie in.
De Hoge Raad oordeelde dat geen rechtsregel zich verzet tegen een machtiging tot uithuisplaatsing bij de andere gezaghebbende ouder, ook al is het hoofdverblijf van het kind bij de verzoekende ouder. Tevens bevestigde de Hoge Raad dat een ouder procesbelang behoudt om de rechtmatigheid van een uithuisplaatsing te laten toetsen, ook als de geldigheidsduur van de maatregel is verstreken, mede gelet op het recht op eerbiediging van het gezinsleven onder artikel 8 EVRM Pro.
De overige klachten van de moeder werden verworpen en het cassatieberoep werd afgewezen. Hiermee blijft de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader blijft van kracht.