ECLI:NL:PHR:2018:552

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juni 2018
Publicatiedatum
4 juni 2018
Zaaknummer
16/05650
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 365a SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieverwerping in zaak poging tot woninginbraak met medeplegen

De verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden wegens poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij braak werd gepleegd om toegang te verkrijgen tot een woning. Het hof baseerde zijn oordeel op bewijsmiddelen waaronder camerabeelden, getuigenverklaringen en track&trace-gegevens van een gehuurde auto die de verdachte en zijn medeverdachten gebruikten.

De verdediging voerde aan dat het hof onvoldoende bewijs had geleverd voor de aanwezigheid van de verdachte bij de woninginbraak en zijn medeplegen. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang voldoende had kunnen waarderen om de betrokkenheid van de verdachte vast te stellen. De waarnemingen van een getuige en de overeenkomsten met camerabeelden werden als redengevend bewijs gezien.

Daarnaast werd het cassatieberoep gericht tegen de strafoplegging, waarbij het hof rekening had gehouden met een eerdere, nog niet onherroepelijke veroordeling van de verdachte. De Hoge Raad bevestigde dat het hof deze eerdere veroordeling niet ten nadele van de verdachte had meegewogen in strafverzwarende zin, waardoor de strafoplegging niet onrechtmatig was.

De conclusie van de Advocaat-Generaal is dat het cassatieberoep moet worden verworpen, waarmee het arrest van het hof Amsterdam in stand blijft.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf wegens poging tot woninginbraak als medepleger.

Conclusie

Nr. 16/05650
Zitting: 5 juni 2018
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 16 november 2016 door het Gerechtshof Amsterdam wegens “poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.
Namens de verdachte heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerste middelbevat de klacht dat het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen niet heeft kunnen afleiden dat de verdachte als medepleger bij het tenlastegelegde feit betrokken is geweest.
3.1. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op 26 september 2014 te Tiel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, gelegen aan de [a-straat 1], weg te nemen geld en/of goederen, toebehorende aan [betrokkene 1], en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen door middel van braak, met zijn mededaders naar voornoemde woning is toegegaan, waarna hij, verdachte en zijn mededaders een cilinderslot van een toegangsdeur van voornoemde woning hebben geforceerd.”
3.2. Deze bewezenverklaring steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv. Wat betreft de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit heeft het hof in zijn arrest het volgende overwogen:
“Betrokkenheid verdachte
Een gehuurde Citroen C3, voorzien van een track&trace-systeem, reed op 26 september 2014 om 08:59 uur in Amsterdam weg vanaf de straat waar medeverdachte [medeverdachte 1] woonachtig was, naar de [b-straat] in Amsterdam waar verdachte zijn verblijfadres had (op nummer 70-3) en stond daar vijf minuten stil. De Citroen verplaatste zich vervolgens richting de Rijksweg A2. Om 09:54 uur stond de auto stil op de parkeerplaats van tankstation Haarrijn aan de A2 bij Breukelen. De verdachte en zijn medeverdachten zijn op de camerabeelden van het tankstation, waarop ze vanaf 09:55 uur te zien zijn, alle drie door de politie herkend. De medeverdachten zijn herkend als zijnde [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Medeverdachte [medeverdachte 1] droeg op de beelden als enige een jas met capuchon met een bontkraag. Na de tussenstop bij het tankstation is de Citroen C3 naar een woonwijk in Tiel gereden. Aldaar werd het voertuig tussen 11:28 uur en 11:57 uur meermalen verplaatst. Op de locaties waar de auto stil stond, bleken alleen woningen te zijn. In de nabije omgeving van de locatie waar de auto om 11.57 uur stopte, heeft de ten laste gelegde poging tot inbraak plaatsgevonden.
Getuige [getuige 1] heeft tegenover de politie verklaard dat zij rond 12.00 uur drie jongens heeft gezien: één jongen (met een capuchon met een bontkraag) stond in de voortuin van de desbetreffende woning en keek steeds om zich heen. Na ongeveer vijf minuten kwamen nog twee jongens vanuit de achtertuin van die woning aanlopen, waarop de drie jongens samen wegliepen. Ze bleven steeds achterom kijken in de richting van de woning. Alle drie de jongens hadden volgens de getuige een Marokkaans/Turks uiterlijk - hetgeen aansluit bij de personen die op de screenshots van de camerabeelden zijn te zien -, waren 18 à 20 jaar, droegen donkere kleding en hadden kort (jongen in voortuin) of gemillimeterd haar. De getuige [getuige 1] heeft tevens verklaard dat ongeveer een half uur nadat de jongens weg waren, haar man gelijktijdig met de buren thuiskwam en hij de buren had horen zeggen dat er was geprobeerd in te breken.
De Citroen C3 is om 12:03 uur weer gaan rijden. Het voertuig parkeerde om 18.10 uur op de [c-straat] te Hoofddorp, waar de vermoedelijke vriendin van [medeverdachte 1] woonachtig was. Om 19.22 uur peilde het voertuig uit op de zendmast Krelis Louwesstraat 1 te Amsterdam, op 200 meter van de [b-straat], waar verdachte zijn verblijfsadres had. Omstreeks 20.18 uur peilde het voertuig uit in de [d-straat] te Amsterdam, de straat waar [medeverdachte 2] woonde.
Op basis van hetgeen hiervoor is beschreven, komt het hof tot het oordeel dat de drie waargenomen jongens de ten laste gelegde poging tot woninginbraak hebben gepleegd. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat uit de bewijsmiddelen in voldoende mate blijkt dat de verdachte een van de inzittenden van de Citroen C3 was en derhalve één van die drie jongens die getuige [getuige 1] heeft gezien. Gelet op het gegeven dat de jongens gezamenlijk vanuit Amsterdam naar Tiel zijn gereden met het kennelijke doel daar een woninginbraak te plegen, en daartoe kennelijk een plan hebben bedacht en gezamenlijk dat plan hebben uitgevoerd, is het hof van oordeel dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met zijn twee medeverdachten de poging tot inbraak heeft gepleegd. Een geloofwaardig alternatief scenario is niet aannemelijk geworden. De verdachte heeft ook geen verklaring afgelegd die een ander licht zou kunnen werpen op het hem belastende bewijsmateriaal.”
3.3. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen – waarnaar wordt verwezen in de hierboven aangehaalde nadere bewijsoverwegingen van het hof – geen redengevend bewijs bevatten voor de aanwezigheid van de verdachte in de genoemde Citroen C3 en voor de waarneming van de verdachte bij de tenlastegelegde woning door getuige [getuige 1].
3.4. Naar mijn mening slaagt dit middel niet. Wat betreft de aanwezigheid van de verdachte in de Citroen C3 houden de gebezigde bewijsmiddelen in dat de betreffende auto op de tenlastegelegde datum na 09.00 uur naar het verblijfsadres van de verdachte in Amsterdam is gereden – namelijk naar de [b-straat] – en daar van 09:22 uur tot 09:27 heeft stilgestaan. De Citroen C3 heeft vervolgens rond 10.00 uur stilgestaan op de parkeerplaats van een tankstation aan de A2, waar de verdachte blijkens camerabeelden rond diezelfde tijd aanwezig geweest. Dat, zoals de steller van het middel opmerkt, “slechts [kan] worden vastgesteld dat de auto weliswaar gelijktijdig met de op de camerabeelden waargenomen personen bij Shellstation Haarrijn is, maar dat niet blijkt dat op dat moment tussen die verdachten en de C3 enig verband bestaat”, doet er niet aan af dat het hof de genoemde feiten en omstandigheden in hun onderlinge samenhang beschouwd redengevend heeft kunnen achten voor het bewijs van de aanwezigheid van de verdachte in de Citroen C3 op de tenlastegelegde datum.
3.5. Wat betreft de waarneming van de verdachte bij de tenlastegelegde woning door getuige [getuige 1] geldt, dat het hof uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen verschillende overeenkomsten tussen deze waarneming en de camerabeelden van het tankstation aan de A2 heeft kunnen afleiden. In de eerste plaats is het totale aantal door getuige [getuige 1] waargenomen jongens (te weten: drie) gelijk aan het aantal jongens dat op de camerabeelden van het tankstation is waargenomen. In de tweede plaats gaat het zowel bij de door getuige [getuige 1] waargenomen jongens als bij de jongens op de camerabeelden van het tankstation om jongens met een Marokkaans of Turks uiterlijk. In de derde plaats past de verklaring van getuige [getuige 1] over de kleding van één van de door haar waargenomen jongens goed bij de kleding van één van de jongens op de camerabeelden van het tankstation. Tot slot kan op grond van de gegevens uit het track- en tracesysteem van de gehuurde Citroen C3 worden opgemaakt dat deze auto ten tijde van de poging tot inbraak op het adres [a-straat 1] te Tiel stil heeft gestaan op de Wadenoijestraat, zijnde een zijstraat van de [a-straat]. Gelet op de samenhang van de genoemde overeenkomsten met de overige inhoud van de bewijsmiddelen is het niet onbegrijpelijk dat het hof deze overeenkomsten redengevend voor het bewijs heeft geacht. In het verlengde van deze vaststelling is het evenmin onbegrijpelijk dat het hof uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen als geheel heeft afgeleid dat de verdachte als medepleger bij het tenlastegelegde feit betrokken is geweest, terwijl voor een verdergaande toetsing van de bewezenverklaring van het hof in cassatie geen plaats is.
3.6. Het eerste middel faalt.
4. In het
tweede middelwordt betoogd dat het hof in het kader van de strafoplegging ten onrechte in het nadeel van de verdachte acht heeft geslagen op een eerdere maar nog niet onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling.
4.1. Het bestreden arrest houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:

Oplegging van straf
De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met aftrek van voorarrest.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich met twee anderen schuldig gemaakt aan een poging tot woninginbraak. Hierdoor heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de bewoners van de woning en hen schade berokkend. Een woning is bij uitstek de plaats waar personen zich veilig moeten kunnen wanen. Door het handelen van de verdachte is niet alleen het gevoel van veiligheid van de bewoners aangetast, doch ook dat van de buurtbewoners.
Het hof heeft gelet op de zich in het dossier bevindende reclasseringsrapporten, waaronder het rapport van het Leger des Heils van 9 oktober 2015. Hieruit blijkt onder meer dat, indien er geen gedegen plan van aanpak vanuit de reclassering uitgevoerd kan worden, de kans op recidive hoog wordt geacht. Geadviseerd wordt om een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 18 oktober 2016 is hij eerder voor soortgelijke feiten onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt. Het hof houdt in het bijzonder rekening met een niet onherroepelijk arrest van het gerechtshof Amsterdam van 7 april 2016, waarbij de verdachte wegens een woninginbraak op 9 juni 2015 is veroordeeld tot 7 maanden gevangenisstraf, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, aan welk voorwaardelijk gedeelte als bijzondere voorwaarden een verplicht reclasseringscontact, een verblijf in een instelling voor begeleid wonen en een leefstijltraining zijn gekoppeld. Gelet op deze veroordeling acht het hof het niet nodig in deze zaak een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen en daarbij bijzondere voorwaarden te stellen.
Het hof heeft tevens gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting.
Het hof is, alles afwegende, van oordeel dat niet kan worden volstaan met de straf zoals door de advocaat-generaal is gevorderd en acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
(…)

BESLISSING

Het hof:
(…)
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.”
4.2.
Het middel richt zich met name tegen de strafmaatoverweging van het hof die luidt dat “het hof in het bijzonder rekening [houdt] met een niet onherroepelijk arrest van het gerechtshof Amsterdam van 7 april 2016, waarbij verdachte wegens een woninginbraak op 9 juni 2015 is veroordeeld tot 7 maanden gevangenisstraf, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, aan welk voorwaardelijk gedeelte als bijzondere voorwaarden een verplicht reclasseringscontact, een verblijf in een instelling voor begeleid wonen en een leefstijltraining zijn gekoppeld”. Met een beroep op HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2391 wordt in de toelichting op het middel gesteld dat uit deze overweging blijkt dat het hof in het kader van de strafoplegging ten onrechte een eerdere maar nog niet onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling van de verdachte in strafverzwarende zin heeft laten meewegen.
4.3.
In rov. 2.4.1. e.v. van het arrest van 19 september 2017 ECLI:NL:HR:2017:2391 heeft de Hoge Raad, kort gezegd, overwogen:
(i) dat de rechter in het kader van de strafoplegging rekening mag houden met een eerdere strafrechtelijke veroordeling als de vermelding hiervan dient ter nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden en de betreffende veroordeling ten tijde van het vonnis onherroepelijk was;
(ii) dat als de vermelding van de eerdere strafrechtelijke veroordeling bij de strafoplegging dient om te onderstrepen dat de verdachte niettegenstaande een eerdere veroordeling zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, de betrokken veroordeling onherroepelijk dient te zijn geweest ten tijde van het begaan van het feit waarop de strafoplegging betrekking heeft en
(iii) dat indien de rechter in het kader van de strafoplegging melding maakt van een eerdere strafrechtelijke veroordeling ervan uitgegaan mag worden dat deze veroordeling door de rechter in strafverzwarende zin wordt meegewogen.
4.4.
Wat betreft de hierboven onder (iii) genoemde regel heeft de Hoge Raad in rov. 2.4.3. van het genoemde arrest overwogen dat een uitzondering op deze regel mogelijk is “wanneer uit de strafmotivering blijkt dat de vermelding van een niet tenlastegelegd feit niet tot strafverzwaring aanleiding heeft gegeven, bijvoorbeeld omdat die vermelding is opgenomen naar aanleiding van hetgeen door de verdediging over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder begrepen de justitiële documentatie, is aangevoerd”.
4.5.
Evenals de steller van het middel heb ik mij afgevraagd of zich in casu deze uitzondering op de regel voordoet. In de toelichting op het middel wordt uit de overwegingen van het hof de conclusie getrokken van niet, omdat het hof “in het feit dat een voorwaardelijke gedeelte van de opgelegde straf in het licht van de eerdere (niet onherroepelijke) veroordeling geen toegevoegde waarde zou hebben, aanleiding heeft gezien een zwaardere onvoorwaardelijke straf op te leggen”.
4.6.
De overwegingen van het hof kunnen echter ook anders worden gelezen. Het hof heeft in het kader van de strafoplegging op twee verschillende wijzen verwezen naar de justitiële documentatie van de verdachte. Eerst heeft het hof overwogen dat de verdachte eerder voor soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld en dat dit in het nadeel van de verdachte weegt. Daarna heeft het hof melding gemaakt van de bewuste nog niet onherroepelijke veroordeling van de verdachte waarbij aan de verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke straf met verschillende bijzondere voorwaarden is opgelegd. Ten aanzien van deze laatste veroordeling overweegt het hof dat het gelet op deze veroordeling het “niet nodig” acht in deze zaak een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen en daarbij bijzondere voorwaarden te stellen. Het gaat hier – althans, zo begrijp ik het hof – over de vraag of er aanleiding is om aan de op te leggen straf nog een extra (voorwaardelijk) strafdeel toe te voegen vanwege een reclasseringsadvies van het Leger des Heils van 9 oktober 2015. Uit dit advies blijkt onder meer dat, indien er geen gedegen plan van aanpak vanuit de reclassering uitgevoerd kan worden, de kans op recidive hoog wordt geacht en wordt geadviseerd om een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. Het hof ziet hiertoe kennelijk geen aanleiding, omdat die bijzondere voorwaarden al bij de veroordeling door het hof Amsterdam van 7 april 2016 zijn opgelegd. Ik geef toe, zoals de steller van het middel ook naar voren brengt, dat het hof hier kennelijk de mogelijkheid dat de oplegging van die bijzondere voorwaarden op een later moment alsnog teniet zou worden gedaan tot op zekere hoogte voor lief moet hebben genomen. Maar naar mijn mening is er geen reden om aan te nemen dat het hof de nog niet onherroepelijke veroordeling van 7 april 2016 ten nadele van de verdachte heeft laten meewegen en op grond daarvan een zwaardere onherroepelijke straf heeft opgelegd.
4.7.
Ook het tweede middel faalt.
5. Beide voorgestelde middelen falen. Het eerste middel kan naar mijn mening met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG