Conclusie
eerste middelklaagt, als ik het goed begrijp, in de eerste plaats over de verwerping van het verweer dat hetgeen verdachte in Nederland heeft verricht niet strafbaar is en dat hetgeen hem aan naar Nederlands recht strafbare handelingen wordt aangewreven zich in het buitenland heeft afgespeeld, waar dergelijke handelingen wel zijn toegestaan. Strafrechtmacht over deze gedragingen ontbreekt in Nederland. Het middel beperkt zich in dit eerste onderdeel tot het eerste deel van de tenlastelegging en dan nog tot de dieren die zijn vermeld achter de eerste vier gedachtestreepjes.
tweede middelklaagt eveneens over de bewezenverklaring van feit 1 ten aanzien van de katachtigen en primaten en werpt op dat het hof ten onrechte ervan is uitgegaan dat verdachte niet als tussenpersoon heeft gehandeld. Verdachte heeft steeds volgehouden dat hij als tussenpersoon is opgetreden, als bemiddelaar of handelsagent. Een handelsagent kan tot op zekere hoogte zelfstandig optreden. Zo handelt en bemiddelt hij in opdracht van zijn opdrachtgever. De vervoersdocumenten stonden allemaal op naam van de nieuwe eigenaar in Dubai en verdachte heeft alleen maar het transport geregeld. Aan de handelsagent is het ook toegestaan om commerciële activiteiten te ontplooien. Het hof heeft dus een te ruime uitleg gegeven aan artikel 13 Ffw Pro. Verdachte heeft zich enkel beperkt tot het bemiddelen tussen twee dierentuinen.
“Bewijsoverwegingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde
Oneigenlijk bezit
derde middelklaagt over de veroordeling voor feit 1 voor zover het de aalscholvers betreft. De aankoop van de aalscholvers is niet strafbaar mits voldaan wordt aan de voorwaarden van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten. [11] Dat is een soort bijkomende voorwaarde voor strafbaarheid. Niet blijkt dat aan deze voorwaarde is voldaan. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat het om in het wild gevangen exemplaren ging. Verdachte is er ook van uitgegaan dat het om legale exemplaren ging.
Standpunt van het openbaar ministerie
vierde middelklaagt dat het hof is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt omtrent de betrouwbaarheid van de getuige [betrokkene 6] zonder daarvoor in het bijzonder de redenen op te geven. Het hof doet de veroordeling voor hieronder nog nader te noemen delicten (telkens: traject wildvang Bulgarije) hoofdzakelijk steunen op de verklaringen van [betrokkene 6] . Het
vijfde middelheeft ook betrekking op het onderdeel "Wildvang Bulgarije". Dat middel stelt dat de vogels waarop "Wildvang Bulgarije" betrekking heeft met de juiste papieren het grondgebied van Nederland zijn binnengebracht en daarom zijn vrijgesteld. Het hof heeft dat verweer ontoereikend gemotiveerd verworpen. Het vierde en vijfde middel lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
"Wildvang Bulgarije
zesde middelklaagt dat het hof ten onrechte het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de doelcode bij vogels voorkomend op Bijlage B een beperkte verbindendheid heeft, heeft verworpen. Het middel heeft betrekking op de zogenaamde Filippijnse en Tanzaniaanse dierentuinroutes die in de feiten 1, 3 primair en 4 figureren. De doelcode die is vermeld op de CITES-invoervergunning is volgens de verdediging niet bindend voor de verdere handel als de vogels eenmaal binnen het grondgebied van de EU zijn beland. Verdachte was ook bij aankoop niet verplicht om op de CITES-voorwaarden te controleren. Het hof heeft dit uitdrukkelijk onderbouwd standpunt veronachtzaamd, althans ontoereikend gemotiveerd verworpen.
Filipijnse dwergvalken
Tien panay of luzon neushoornvogels, twee rosse neushoornvogels, bonte kiekendieven en vier kuifhaviken
Filipijnse dwergvalken
Tien panay of luzon neushoornvogels, twee rosse neushoornvogels, twee bonte kiekendieven en vier kuifhaviken
zevende middelklaagt ook weer dat het hof een te ruime uitleg heeft gegeven aan artikel 13 Ffw Pro en de artikelen 10 en 101a GWWD. Het hof heeft niet in het bijzonder de redenen opgegeven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat verdachte op geen enkele wijze betrokken was bij de invoer van de vogels van de dierentuinroutes binnen Europa en dat bij verdachte enkel sprake is geweest van intracommunautair handelsverkeer. Ook dit middel heeft weer feit 1, feit 3 primair en feit 4 tot onderwerp.
achtste middelklaagt dat het hof, zonder daartoe in het bijzonder de redenen op te geven, is afgeweken van het door de verdediging aangevoerde onderbouwde standpunt dat [D] vaker gebruik heeft gemaakt van identiteitsfraude. Dit standpunt had weer betrekking op feit 1, feit 3 primair en feit 4.
negende middelklaagt over een tegenstrijdigheid in de beslissingen van het hof. Deze tegenstrijdigheid heeft betrekking op het onderdeel "wildvangroute Portugal" van het bewezenverklaarde feit 3.
“Wildvang Portugal
tiende, elfde en twaalfde middelkeren zich met verschillende klachten tegen de verwerping door het hof van het beroep op de 'vijfvogelregeling'. Ik geef alvast de slotsom van mijn beschouwingen over deze middelen weer. Deze slotsom komt erop neer dat de stelling waarvan deze middelen uitgaan en die erop neerkomt dat iedere buiten de EER-ruimte in het wild gevangen vogel een gezelschapsvogel wordt door het enkele feit dat de vogel is besteld door een particulier en daarom op transport wordt gezet naar Nederland zo zeer in strijd is met de ratio van de Europese en Nederlandse regelgeving dat deze stelling evident de plank misslaat.
tiende middelklaagt dat het hof een te extensieve uitleg heeft gegeven aan het begrip 'gezelschapsdier' zoals bedoeld in Beschikking 2007/25/EG en aldus ten onrechte het beroep van verdachte op de 'vijfvogelregeling' heeft afgewezen.
“Vijfvogelregeling
"Vijfvogelregeling
“Vijfvogelregeling
Strafbaarheid van de verdachte
Vijfvogelregeling
elfde middelklaagt dat het hof heeft miskend dat een zending van minder dan vijf vogels per definitie niet commercieel is volgens de bestuursrechtelijke uitleg van Beschikking 2007/25/EG.
twaalfde middelkomt op tegen dezelfde onderdelen van de bewezenverklaring als het 10e en het 11e, maar nu omdat het hof in strijd met de regelgeving heeft geoordeeld dat handel bij een beroep op de vijfvogelregeling niet is toegestaan als de vogels uit het wild afkomstig zijn. Het middel doet daartoe een beroep op de considerans voor de Beschikking 2007/25 van de Commissie.
dertiende middelklaagt meer bepaald over de veroordeling voor feit 4. Het hof heeft ten onrechte geoordeeld dat er geen houderschap is vereist voor een veroordeling voor artikel 101a GWWD. Alleen de houder kan - aldus het middel - worden veroordeeld voor het strafbaar feit van artikel 101a GWWD. In ieder geval is voor een veroordeling vereist dat verdachte feitelijke beschikkingsmacht over de dieren had. De bedoeling van de wetgever is niet geweest om ook het medeplegen van degene die zelf geen houder is onder artikel 101a te kunnen brengen.
veertiende middelkeert zich tegen de veroordeling voor feit 5. Het hof is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de vereiste gesteld mogen worden aan de "Leveranciersverklaring van Oorsprong" (LVO). De volledige tekst van de LVO beperkt zich niet tot de verklaring dat de dieren in eigen beheer op het eigen bedrijf van verdachte zijn gefokt, maar houdt ook in dat voor zover de dieren niet in eigen beheer zijn gefokt zij zijn gefokt bij in Nederland gevestigde fokkers. Verdachte heeft een deel van de dieren zelf gefokt en een deel gekocht bij in Nederland gevestigde fokkers, zodat de LVO, die door het hof onvolledig in de bewijsmiddelen is opgenomen, in haar totaliteit beschouwd geen onwaarheid bevat.
De Leveranciersverklaringen van Oorsprong
mededat de op de bovengenoemde CvO vermelde dieren worden gekocht en gefokt bij in Nederland gevestigde fokkers.” Naar het oordeel van het hof moet het daarom ook voor verdachte duidelijk zijn geweest dat hij de genoemde LvO’s niet op de juiste wijze heeft ingevuld.
vijftiende middelklaagt dat het hof is afgeweken van een onderbouwd standpunt van de verdediging zonder dat genoegzaam te verantwoorden. Dit middel keert zich tegen de veroordeling voor feit 5 voorzover de bewezenverklaring betrekking heeft op de waardeverklaringen die verdachte heeft opgemaakt voor de export van een aantal dieren. Het gaat - aldus het middel - niet om echte facturen waaruit zou kunnen blijken welke bedragen voor de dieren zijn betaald, maar om formaliteiten die nodig zijn voor de douane. Overigens blijkt wel uit de gebezigde bewijsmiddelen dat de bedragen kloppen.
De facturen met betrekking tot de amoerpanters, de ringstaartmaki’s en de lijgers