ECLI:NL:PHR:2018:565

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 april 2018
Publicatiedatum
6 juni 2018
Zaaknummer
16/06311
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14g SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 27a SrArt. 179 lid 6 WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking duur vervangende hechtenis bij niet tenuitvoergelegde voorwaardelijke straf

In deze zaak stond de vraag centraal of de rechter vervangende hechtenis kan opleggen die langer duurt dan de niet tenuitvoergelegde duur van een voorwaardelijke vrijheidsstraf. De verdachte was eerder veroordeeld tot een voorwaardelijke hechtenis van vier weken, welke door het hof was vervangen door een taakstraf van 100 uur, met subsidiair 50 dagen hechtenis bij niet-naleving.

De verdediging stelde dat de vervangende hechtenis niet langer mag zijn dan de oorspronkelijke niet tenuitvoergelegde strafduur. De Hoge Raad bevestigde dit standpunt en verwijst naar eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2014:383 en ECLI:NL:HR:2014:776) waarin is bepaald dat de rechter niet vrij is om een langere vervangende hechtenis op te leggen.

De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van het arrest waarin de duur van de vervangende hechtenis werd vastgesteld op 50 dagen en beperkte deze ambtshalve tot 28 dagen. De rest van het arrest bleef in stand. Tevens benadrukte de Hoge Raad dat het herstel van dergelijke fouten bij de rechter die de zaak behandelde de voorkeur verdient.

De zaak illustreert het belang van een redelijke wetsuitleg en het voorkomen van disproportionele sancties bij vervangende hechtenis. De uitspraak bevestigt de grenzen aan de duur van vervangende hechtenis bij niet-naleving van taakstraffen in het kader van voorwaardelijke vrijheidsstraffen.

Uitkomst: De vervangende hechtenis is beperkt tot 28 dagen, niet langer dan de niet tenuitvoergelegde voorwaardelijke straf.

Conclusie

Nr. 16/06311
Zitting: 3 april 2018 (bij vervroeging)
Mr. D.J.M.W. Paridaens
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 26 oktober 2016 door het gerechtshof Den Haag wegens “overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren met aftrek als bedoeld in art. 179, zesde lid, WVW 1994. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, een en ander zoals nader omschreven in het arrest. Ook heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van de bij vonnis van de kantonrechter in Amsterdam op 4 april 2014, parketnummer 13-076168-13 voorwaardelijk opgelegde geldboete van € 440,-, subsidiair 8 dagen hechtenis, en eveneens de tenuitvoerlegging gelast van een hechtenis van 4 weken, zoals eerder voorwaardelijk is opgelegd door het hof Den Haag bij arrest van 17 april 2013, parketnummer 22-004598-12, met dien verstande dat deze is vervangen door een taakstraf voor de duur van 100 uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 50 dagen hechtenis.
Namens de verdachte heeft mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te ’s-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelklaagt over de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de door het hof Den Haag bij arrest van 17 april 2013, parketnummer 22-004598-12 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, nu de door het hof bevolen vervangende hechtenis de duur van de niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraf overstijgt.
De bestreden uitspraak houdt ten aanzien van de in het middel genoemde toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging het volgende in:

BESLISSING
(…)
Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 17 april 2013, parketnummer 22-004598-12, te weten van hechtenis voor de duur van vier weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, te vervangen door: taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.”
5. Op grond van artikel 14g, tweede lid, Sr kan de rechter een taakstraf gelasten in plaats van een last te geven tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraf. De duur van die taakstraf bedraagt ten hoogste 240 uur. [1] Het hof heeft de tenuitvoerlegging gelast van de door het hof Den Haag bij arrest van 17 april 2013, parketnummer 22-004598-12, voorwaardelijk opgelegde hechtenis voor de duur van vier weken en deze vervangen door een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis. Een redelijke wetsuitleg brengt evenwel mee dat het de rechter niet vrij staat om voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, op de voet van art. 22d Sr vervangende hechtenis op te leggen die de duur van de niet tenuitvoergelegde vrijheidsstraf overstijgt. [2]
6. Het middel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door te bevelen dat de vervangende hechtenis achtentwintig dagen beloopt.
7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de duur van de bij de aan de verdachte opgelegde taakstraf bevolen vervangende hechtenis ten aanzien van de zaak met parketnummer 22-004598-12, dat de Hoge Raad zal bepalen dat de vervangende hechtenis achtentwintig dagen beloopt, en dat het beroep voor het overige zal worden verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

1.Art. 22c, tweede lid, Sr.
2.Vgl. HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:383; HR 1 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:776,