In deze zaak stond de vraag centraal of de rechter vervangende hechtenis kan opleggen die langer duurt dan de niet tenuitvoergelegde duur van een voorwaardelijke vrijheidsstraf. De verdachte was eerder veroordeeld tot een voorwaardelijke hechtenis van vier weken, welke door het hof was vervangen door een taakstraf van 100 uur, met subsidiair 50 dagen hechtenis bij niet-naleving.
De verdediging stelde dat de vervangende hechtenis niet langer mag zijn dan de oorspronkelijke niet tenuitvoergelegde strafduur. De Hoge Raad bevestigde dit standpunt en verwijst naar eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2014:383 en ECLI:NL:HR:2014:776) waarin is bepaald dat de rechter niet vrij is om een langere vervangende hechtenis op te leggen.
De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van het arrest waarin de duur van de vervangende hechtenis werd vastgesteld op 50 dagen en beperkte deze ambtshalve tot 28 dagen. De rest van het arrest bleef in stand. Tevens benadrukte de Hoge Raad dat het herstel van dergelijke fouten bij de rechter die de zaak behandelde de voorkeur verdient.
De zaak illustreert het belang van een redelijke wetsuitleg en het voorkomen van disproportionele sancties bij vervangende hechtenis. De uitspraak bevestigt de grenzen aan de duur van vervangende hechtenis bij niet-naleving van taakstraffen in het kader van voorwaardelijke vrijheidsstraffen.