Conclusie
1.Feiten en procesverloop
primair: door toedeling van het recht van erfpacht aan [verweerder 1] en/of [verweerster 2], met de verplichting om aan haar de helft van de marktwaarde te betalen en de helft van de van 1 januari 1986 tot en met dat moment gecollecteerde huuropbrengsten, en voorts aan haar de helft van de maandelijkse huurwaarde van het door [verweerders] vanaf 1 januari 1986 tot en met dat moment bewoonde appartement te voldoen;
subsidiair: door te bevelen dat het recht van erfpacht ten overstaan van een notaris wordt verkocht, met bepaling dat de koopprijs – na aftrek van kosten – aan haar zal worden uitgekeerd, dat [verweerders] aan haar de helft van de van 1 januari 1986 tot en met dat moment gecollecteerde huuropbrengsten en de helft van de maandelijkse huurwaarde van het door [verweerders] vanaf 1 januari 1986 tot en met dat moment bewoonde appartement dienen te voldoen;
meer subsidiair: door toedeling van het recht van erfpacht aan haarzelf, met machtiging om hetgeen zij uit hoofde van overbedeling aan [verweerders] verschuldigd zal zijn in mindering te brengen op hetgeen [verweerders] aan haar uit hoofde van vergoedingsrechten verschuldigd (zullen) zijn, en voorts te bepalen dat [verweerders] aan haar de helft van de van 1 januari 1986 tot en met dat moment gecollecteerde huuropbrengsten en de helft van de maandelijkse huurwaarde van het door [verweerders] vanaf 1 januari 1986 tot en met dat moment bewoonde appartement dienen te voldoen, en te bepalen dat het te wijzen vonnis in plaats van de akte van levering zal treden.
grieven III en IVhebben zij zich (onder meer) beroepen op een mondelinge afspraak tot en/of feitelijke verdeling, en keren zij zich tegen de beslissing van het GEA om hen niet toe te laten tot het bewijs daarvan.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
nietgeoordeeld. Met het eerste heeft het hof bovendien niet miskend dat voor een verdeling in de zin van art. 3:182 BW Pro-St.M. bij partijen een op het rechtsgevolg van verdeling gerichte wil vereist is en dat pas met een levering op grond van een dergelijke verdeling een einde wordt gemaakt aan de onverdeeldheid. Aldus mist het onderdeel feitelijke grondslag. Ook kan niet worden gezegd dat het oordeel dat met de bedoelde (mondelinge of stilzwijgende) overeenkomst en de feitelijke verdeling sprake is van een verdeling in de zin van art. 3:182 BW Pro-St.M., om deze reden onbegrijpelijk is.
nobody knows how much money [verzoekster] has collected from the property” (rov. 2.8). Volgens de toelichting lijkt het er hier zelfs op dat het hof in strijd met art. 52 Rv Pro.-St.M. (= art. 24 Rv Pro.) de feitelijke grondslag van het geding heeft aangevuld en in strijd met art. 128 Rv Pro.-St.M. (= art. 149 Rv Pro.) buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, en in elk geval heeft miskend dat [verzoekster] niet kan betwisten wat niet is gebeurd.
voldoendezal kunnen zijn voor de aanname van een dergelijke afspraak en/of feitelijke verdeling, alleen al gelet op het feit dat de vordering tot verdeling niet verjaart, vgl. art. 3:178 lid Pro 1 ‘te allen tijde’). Dat [verzoekster] haar vorderingen pas ten tijde van het inleidende verzoekschrift van 12 september 2014 heeft ingesteld omdat toen de verhoudingen tussen partijen waren verslechterd, kan hieraan niet afdoen. Het feit dat zij niet heeft betwist dat ook een recht van erfpacht op een perceel met daarop een woning op Curaçao tot de gemeenschap behoort, is voorts relevant, omdat de stellingen van [verweerders] erop neerkomen dat met de eerder gemaakte afspraken en/of de feitelijke verdeling niet alleen het nu aan de orde zijnde recht van erfpacht op Sint Maarten, maar ook een tot de gemeenschap behorend recht van erfpacht op Curaçao is verdeeld, en wel in die zin dat ieder een van beide percelen heeft toebedeeld gekregen. In dat kader is het (ontbreken van een betwisting van) het bestaan van dat andere gemeenschappelijke recht uiteraard van belang. Dat [verzoekster] nu slechts verdeling heeft gevraagd van het gemeenschappelijk goed op Sint Maarten, kan hieraan op zijn beurt niet afdoen. Om dezelfde reden is van belang dat [verzoekster] niet zou hebben gereageerd op de stelling van [verweerders] dat “
nobody knows how much money [verzoekster] has collected from the property”, een omstandigheid die moet worden bezien in combinatie met de overige onbetwist gebleven omstandigheden, waaronder (naast de reeds genoemde) de omstandigheid dat [verzoekster] het perceel met opstal op Curaçao sinds de echtscheiding als enige gebruikt of beheert en dat [verweerder 1] daarop sindsdien geen enkele aanspraak heeft gemaakt, de omstandigheid dat zij niets heeft gesteld over de vraag of zij de woning op het in erfpacht verkregen perceel verhuurt of anderszins gebruikt, wat de opbrengsten daarvan zijn en hoe dit een en ander sinds de echtscheiding van 1985 is verlopen, en de omstandigheid dat zij weliswaar heeft aangevoerd dat [verweerders] hebben “geweigerd” de helft van de huuropbrengsten van de gebouwen op het perceel in Sint Maarten af te dragen, maar over de vraag wanneer zij daarom voor het eerst heeft verzocht, niets heeft gesteld (zie voor dit alles rov. 2.8).
nobody knows how much money [verzoekster] has collected from the property”, verwijst het hof bovendien expliciet naar een vindplaats in eerste aanleg. Ten slotte valt niet in te zien waarom niet zou kunnen worden betwist wat niet is gebeurd.
onderdeel IIIwordt geklaagd dat het hof zijn taak als appelrechter heeft miskend door van de devolutieve werking van het appel uit te gaan en het de rechtsstrijd van partijen ten onrechte door ‘de devolutieve bril’ heeft beoordeeld. Dat is volgens het onderdeel in strijd met de rechtszekerheid, de goede procesorde en een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM Pro, omdat partijen bij de beslissing niet voor een verrassing mogen komen te staan. Door de beperkte beoordeling in hoger beroep is [verzoekster] in haar verdedigingsrechten beknot, aldus het onderdeel.