Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof het beroep op noodweerexces heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
“Strafbaarheid van de bewezen verklaarde feiten en van de verdachte
“Toen ik mij omkeerde [...] greep [slachtoffer 2] (het Hof: [slachtoffer 2] is de bijnaam van [slachtoffer 2]) mij bij mijn rechterschouder vast. Ik had een mes in mijn broeksband ter hoogte van de linkerzijde van mijn heup gepakt en heb [slachtoffer 2] hiermee twee keer ter hoogte van zijn bovenlijf gestoken. Vervolgens heeft [...] [slachtoffer 1] [...] mij met zijn vuist een harde klap [...] toegediend. Ik heb veel pijn gevoeld en heb [slachtoffer 1] [...] met hetzelfde mes [...] gestoken. ”
NJ2016/316 m.nt. Rozemond heeft de Hoge Raad ter zake onder meer het volgende overwogen:
tweede middelklaagt dat het Hof ten onrechte de regeling van de meerdaadse samenloop van toepassing heeft verklaard in plaats van die aangaande de eendaadse samenloop dan wel de voortgezette handeling.
NJ2016/430 rov. 2.4.3. Daarin heeft de Hoge Raad overwogen (met weglating van de noten):
derde middelklaagt dat het Hof heeft verzuimd te beslissen of overeenkomstig het bepaalde in art. 401, derde lid, SvC een strafverminderingsgrond aanwezig is.
vierde middelklaagt dat de artikelen 401 en 402 SvC (die dezelfde strekking hebben als art. 358 en Pro 359 Sv) zijn geschonden, nu het Hof de opgelegde straf heeft gemotiveerd op een wijze die niet (zonder meer) begrijpelijk is.