AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verwerping beroep op noodweerexces en toepassing samenloopregeling bij doodslag en poging tot doodslag in Curaçao
De zaak betreft een verdachte die op 1 januari 2016 in Curaçao twee mannen met een mes heeft gestoken, waarbij één slachtoffer is overleden en het andere ernstig gewond raakte. De verdachte voerde in hoger beroep een beroep op noodweerexces aan, stellende dat hij uit verdediging handelde en de grenzen van noodzakelijke verdediging overschreed door een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door een eerdere mishandeling.
Het Hof oordeelde dat weliswaar sprake was van een noodweersituatie, maar dat de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging niet het onmiddellijke gevolg was van een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. De gedragingen van de verdachte werden vooral teruggevoerd op een emotie voortvloeiend uit een eerdere mishandeling en mogelijk versterkt door alcoholgebruik. Dit oordeel werd door de Hoge Raad niet onbegrijpelijk geacht.
Daarnaast werd de strafrechtelijke samenloop van de feiten besproken. Het Hof kwalificeerde de bewezenverklaarde feiten als meerdaadse samenloop, wat inhoudt dat meerdere op zichzelf staande feiten zijn begaan. De verdediging stelde dat sprake was van eendaadse samenloop of voortgezette handeling, maar de Hoge Raad oordeelde dat het Hof geen onjuiste rechtsopvatting had en dat het belang van de verdachte bij cassatie onvoldoende was.
Ten slotte klaagde de verdediging over de strafmotivering, met name over het ontbreken van een beslissing over strafverminderingsgronden en de motivering van de strafoplegging. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof voldoende gemotiveerd had en dat de strafverminderingsgronden niet van toepassing waren. Wel werd opgemerkt dat de redelijke termijn was overschreden, wat tot strafvermindering kan leiden. Het cassatieberoep werd grotendeels verworpen, behoudens de mogelijkheid tot strafvermindering door de Hoge Raad.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen, met uitzondering van een mogelijke strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Conclusie
Nr. 16/05702 A
Zitting: 12 juni 2018
Mr. E.J. Hofstee
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (verder: het Hof) heeft bij strafvonnis van 24 november 2016 het op 20 april 2016 uitgesproken strafvonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao bevestigd – behoudens ten aanzien van “de beslissingen op de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel” en de overwegingen aangaande de strafbaarheid van de bewezenverklaarde feiten en de strafbaarheid van de verdachte –, met aanvulling van de strafmotivering, en aldus de veroordeelde wegens 1 (impliciet subsidiair) “Doodslag” en 2 (primair impliciet subsidiair) “Poging tot doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Hof beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander als nader in het arrest omschreven.
Namens de verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middelklaagt dat het hof het beroep op noodweerexces heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
4B. Bewezenverklaring
Feit 1
hij op 1 januari 2016 te Curaçao, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, [slachtoffer 1] tweemaal gestoken met een mes, te weten in de (linker)borst en de hals, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;
Feit 2 primair
hij op 1 januari 2016, te Curaçao, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om, opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet toen en daar [slachtoffer 2] heeft gestoken met een mes in de (linker)borst, waardoor [slachtoffer 2] een pneumothorax/klaplong heeft opgelopen en een hoeveelheid bloed heeft verloren, zijnde de verdere uitvoering van dat door hem, verdachte voorgenomen misdrijf niet voltooid.”
5. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in (de voetnoten laat ik achterwege):
“Strafbaarheid van de bewezen verklaarde feiten en van de verdachte
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep nogmaals bepleit dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte een beroep op noodweerexces toekomt. De verdachte heeft in zijn optiek uit verdediging gehandeld en vervolgens de grenzen van die verdediging overschreden ten gevolge van een hevige gemoedsbeweging die door de eerdere aanranding was veroorzaakt.
Het Hof overweegt als volgt.
Bij de beoordeling van het beroep op noodweerexces worden de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen.
- De verdachte is in de ochtend van de Nieuwjaarsdag van 2016 verwikkeld geraakt in een conflict met de latere slachtoffers, genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Dat conflict is omstreeks 08:16 uur begonnen. [slachtoffer 2] is toen op de verdachte afgelopen om hem vervolgens met het bovenlijf aan te stoten.
- De verdachte is vervolgens van [slachtoffer 2] weggelopen en is bij een elektriciteitskast gaan staan. [slachtoffer 2] heeft zich vervolgens weer - dit keer verbaal en op afstand - tot de verdachte gericht. De verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 2] op dat moment tegen hem heeft gezegd dat hij moest weggaan en dat mannen niet smeken. De verdachte heeft daarop gezegd dat [slachtoffer 2] “zijn kont moest gaan wassen”.
- [slachtoffer 1] is omstreeks 08:18 uur naast [slachtoffer 2] gaan staan en heeft toen handgebaren naar de verdachte gemaakt. De verdachte heeft daarover verklaard dat [slachtoffer 1] tegen hem zei dat hij moest kalmeren en weg moest gaan omdat er anders iets zou gebeuren. De verdachte heeft tegen [slachtoffer 1] gezegd dat hij met [slachtoffer 2] moest gaan praten, omdat [slachtoffer 2] problemen zocht. Tijdens de daaropvolgende woordenwisseling werd de verdachte naar eigen zeggen door [slachtoffer 2] vreselijk beledigd.
- [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn vervolgens omstreeks 08:19 uur op de verdachte afgelopen. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn aan respectievelijk de rechterzijde en de linkerzijde van de verdachte gaan staan. De woordenwisseling duurde ondertussen voort. De verdachte is vervolgens van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] weggelopen, achteruit het wegdek op. Nadat [slachtoffer 2] eerst [slachtoffer 1] heeft tegengehouden, zijn zij vervolgens samen op de verdachte afgelopen. De verdachte heeft [slachtoffer 2] hand weggeduwd. Een paar seconden later heeft de verdachte zich omgedraaid om vervolgens - met de rug naar [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] toe - een mes te pakken, zich weer om te draaien en een zwaaiende beweging in de richting van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] te maken.
- De verdachte heeft over die momenten onder meer het volgende verklaard: “Toen ik mij omkeerde [...] greep [slachtoffer 2] (het Hof: [slachtoffer 2] is de bijnaam van [slachtoffer 2]) mij bij mijn rechterschouder vast. Ik had een mes in mijn broeksband ter hoogte van de linkerzijde van mijn heup gepakt en heb [slachtoffer 2] hiermee twee keer ter hoogte van zijn bovenlijf gestoken. Vervolgens heeft [...] [slachtoffer 1] [...] mij met zijn vuist een harde klap [...] toegediend. Ik heb veel pijn gevoeld en heb [slachtoffer 1] [...] met hetzelfde mes [...] gestoken. ”
- De verdachte is vervolgens met het mes nog in de richting van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] gelopen. Volgens de verdachte was de reden daarvan dat iets verderop een volle ton met lege flessen stond; hij wilde voorkomen dat zij een lege fles naar hem zouden gooien.
- De verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] geen voorwerp in hun handen hebben gehad. Hij dacht dat hij door hen met de handen zou worden aangevallen en heeft daarom zo gereageerd.
- De verdachte heeft voorts verklaard dat hij vier whisky’s had gedronken.
- De verdachte heeft verklaard dat hij in het jaar 2010 of 2011 zwaar is mishandeld en dat hij sinds die tijd heeft besloten bij uitgaansgelegenheden een mes bij zich te dragen.
- De verdachte heeft - op de vraag waarom hij niet eerder naar huis is gegaan - tijdens de eerste politieverhoren geantwoord dat hij dacht dat het niet zo erg uit de hand zou lopen, dat het bovendien een openbare plek was en dat hij ook van de eerste dag van het jaar wilde genieten.
Tegen de achtergrond van deze feiten en omstandigheden constateert het Hof allereerst dat de verdachte, ondanks een dreigende sfeer, bij de elektriciteitskast is blijven staan en er kennelijk voor heeft gekozen om - in plaats van zich daaraan te onttrekken - de woordenwisseling met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] voort te zetten.
Dat maakt echter niet dat de verdachte zich op dat moment per se aan deze bedreigende situatie had moeten onttrekken. De constatering geeft daarentegen wel kleuring aan de daaropvolgende fase van het conflict: de fase waarin [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] naar de verdachte zijn toegekomen. Anders dan de procureur-generaal is het Hof van oordeel dat in die fase sprake is geweest van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding van verdachtes lijf. Voor het hof is onvoldoende duidelijk geworden of de verdachte toen nog altijd de reële mogelijkheid had om zich aan dat dreigende gevaar te onttrekken. Vanwege die onduidelijkheid neemt het Hof net als het Gerecht in eerste aanleg aan dat de verdachte zich in een noodweersituatie bevond, dat wil zeggen dat voor hem de noodzaak tot verdediging bestond.
De verdachte heeft, zo heeft ook de verdediging toegegeven, de grenzen van een noodzakelijke verdediging overschreden. Het standpunt van de verdediging is dat die overschrijding het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging die door de dreigende aanranding is veroorzaakt. Het Hof volgt de verdediging daarin niet. Het Hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de gedragingen van de verdachte het onmiddellijk gevolg waren van een hevige gemoedsbeweging, die is veroorzaakt door de dreigende aanranding. In zoverre volgt het Hof het Gerecht in eerste aanleg. Het Hof leidt uit de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden af dat de door de dreigende aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging niet van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedragingen. Mede gezien de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden, meent het Hof dat die gedragingen in overwegende mate zijn terug te voeren op een emotie die voortvloeit uit de omstandigheid dat hij eerder het slachtoffer is geworden van een mishandeling, al dan niet in combinatie met de uitwerking van de genuttigde alcoholische drank.
Gelet op het voorgaande strandt het beroep op noodweerexces.
Opmerking verdient nog dat het Hof, anders dan het Gerecht in eerste aanleg, van oordeel is dat deze redenering voor zowel de bewezen verklaarde doodslag als de bewezen verklaarde poging tot doodslag opgaat. Het tijdsverloop tussen deze feiten is naar het oordeel van het Hof zo kort dat de conclusie niet is gerechtvaardigd dat de aan [slachtoffer 1] toegebrachte messteken in de kern aanvallend zijn geweest.
Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn ook anderszins geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de bewezen verklaarde feiten dan wel de strafbaarheid van de verdachte opheffen of uitsluiten.”
6. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het oordeel van het Hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet (zonder meer) begrijpelijk is, nu niet is vereist dat de door de aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest, terwijl het Hof daarnaast zou hebben miskend dat ook andere factoren dan de emotie die voortvloeit uit de omstandigheid dat de verdachte eerder het slachtoffer is geworden van een mishandeling, mede kunnen hebben bijgedragen aan het ontstaan van de hevige gemoedsbeweging.
7. Art. 1:115 vanPro het Wetboek van Strafrecht van Curaçao (hierna: SrC) luidt, voor zover hier van belang:
“Niet strafbaar is hij die een gedraging pleegt:
(...)
c. die door het onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging door een wederrechtelijke aanranding veroorzaakt, de grenzen van de noodzakelijke verdediging tegen de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van lijf, eerbaarheid of goed van hem of een ander overschrijdt;
(...)”
8. Deze bepaling is enigszins anders geredigeerd dan art. 41, tweede lid, Sr, maar heeft wel dezelfde strekking. [1] In het overzichtsarrest van 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, NJ2016/316 m.nt. Rozemond heeft de Hoge Raad ter zake onder meer het volgende overwogen:
“Noodweerexces
3.6.1. Noodweerexces kan in beeld komen bij een ‘overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging’, dus wanneer aan alle voorgaande eisen is voldaan behalve aan de proportionaliteitseis. Wat de subsidiariteitseis betreft, verdient opmerking dat voor een beroep op noodweerexces geldt dat er wel een noodzaak tot verdediging moet zijn of moet zijn geweest.
3.6.2. Voor noodweerexces geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:
de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien
op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
3.6.3. Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het ‘onmiddellijk gevolg’ moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging, maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid jegens het slachtoffer.
Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde ‘onmiddellijk gevolg’, kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging. Voorts kan het tijdsverloop tussen de aanranding en de verdedigingshandeling van belang zijn.
3.6.4. Niet op voorhand kan worden uitgesloten dat een beroep op noodweerexces mogelijk is in gevallen waarin de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding niet direct van het slachtoffer zelf uitging. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen in situaties waarin het slachtoffer wel een aandeel had in de aanranding of de dreiging daarvan, of waarin sprake was van andere gedragingen van het slachtoffer waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen dat die ertoe hebben geleid dat de verdachte — handelende in een hevige gemoedsbeweging — zich op het slachtoffer richtte.”
9. De Hoge Raad heeft meermalen geoordeeld dat voor de beoordeling van een beroep op noodweerexces “aannemelijk moet zijn geworden dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de gedraging, maar dat niet geheel uitgesloten is dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging”. [2] Wanneer men uitsluitend of in essentie handelt op basis van emoties die door andere factoren dan door de aanranding worden verklaard, kan niet meer met succes een beroep op noodweerexces worden gedaan. [3]
10. Het oordeel van het Hof dat uit de vastgestelde feiten en omstandigheden is af te leiden dat de door de dreigende aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging niet van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging, getuigt op grond van het voorgaande niet van een onjuiste rechtsopvatting. Door te overwegen dat de gedragingen van de verdachte in overwegende mate zijn terug te voeren op een emotie die voortvloeit uit de omstandigheid dat hij eerder het slachtoffer is geworden van een mishandeling, en dat de uitwerking van de genuttigde alcoholische drank mogelijk heeft bijgedragen aan het losmaken van deze emotie, heeft het Hof niet de rechtspraak van de Hoge Raad miskend voor zover daarin wordt overwogen dat in het leerstuk van noodweerexces niet kan worden uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van de hevige gemoedsbeweging.
11. De vraag is vervolgens of de beslissing van het Hof niet onbegrijpelijk is. In dat verband dient te worden vooropgesteld dat een hevige gemoedsbeweging als hier bedoeld kan bestaan uit angst, vrees of radeloosheid, maar bijvoorbeeld ook uit woede, drift of verontwaardiging. [4] Daarbij dient te worden aangetekend dat het bestreden oordeel van het Hof in cassatie niet verder kan worden getoetst dan enkel op zijn begrijpelijkheid, nu beantwoording van de vraag of feitelijk sprake is geweest van een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging een waardering van de feiten vergt. [5]
12. Ik lees de overwegingen van het Hof aldus, dat er weliswaar enige door de dreigende aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging was, maar dat deze niet van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedragingen. Het Hof oordeelt (als gezegd) dat de gedragingen van de verdachte in overwegende mate zijn terug te voeren op de eerder genoemde emotie, waarbij de genuttigde alcoholische drank al dan niet een rol heeft gespeeld. In dit oordeel ligt besloten dat het Hof het niet aannemelijk heeft geacht dat het steken met het mes door de verdachte op beide slachtoffers het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die in doorslaggevende mate door de aanranding van beide slachtoffers is veroorzaakt. Dit oordeel is, gelet op hetgeen hierboven uit het overzichtsarrest is aangehaald, niet onbegrijpelijk en is voorts toereikend gemotiveerd. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat het Hof in de verwerping van het beroep op noodweerexces de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden in aanmerking mocht nemen. [6]
13. Het eerste middel faalt.
14. Het tweede middelklaagt dat het Hof ten onrechte de regeling van de meerdaadse samenloop van toepassing heeft verklaard in plaats van die aangaande de eendaadse samenloop dan wel de voortgezette handeling.
15. De bewezenverklaringen (hierboven weergegeven) zijn gekwalificeerd als doodslag en poging tot doodslag. De opgelegde straf is door het Hof (dat zich in dat opzicht immers heeft verenigd met de toepasselijke wettelijke voorschriften zoals genoemd in het strafvonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao) gegrond op art. 1:136 SrCPro. In dit artikel is de meerdaadse samenloop geregeld. Voorts houdt het bestreden arrest in, voor zover hier van belang:
“Strafbaarheid van de bewezenverklaarde feiten en van de verdachte
(…)
Opmerking verdient nog dat het Hof, anders dan het Gerecht in eerste aanleg, van oordeel is dat deze redenering voor zowel de bewezen verklaarde doodslag als de bewezen verklaarde poging tot doodslag opgaat. Het tijdsverloop tussen deze feiten is naar het oordeel van het Hof zo kort dat de conclusie niet is gerechtvaardigd dat de aan [slachtoffer 1] toegebrachte messteken in de kern aanvallend zijn geweest.”
16. De steller van het middel meent dat uit deze overweging voortvloeit dat naar het oordeel van het Hof de bewezenverklaarde gedragingen “in die mate een samenhangend, zich op vrijwel exact dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat verzoeker daarvan in wezen één verwijt kan worden gemaakt”, zodat zich hier een geval van eendaadse samenloop en minst genomen van een voortgezette handeling voordoet – en niet van meerdaadse samenloop –, en derhalve het strafvonnis van het Hof daardoor gelet op het bepaalde in art. 401, vijfde lid SvC aan nietigheid lijdt.
17. Art. 1:136 SrCPro luidt voor zover hier relevant:
“Bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande gedragingen moeten worden beschouwd en meer dan een misdrijf opleveren dan wel in geval een misdrijf in meer dan een strafbepaling valt van onderscheiden strekking, is sprake van meerdaadse samenloop.”
18. Ook wat de samenloop betreft, hebben de Curaçaose en de Nederlandse samenloopregeling dezelfde strekking. [7] Het gaat daarbij om het voorkomen van onevenredige aansprakelijkheid en bestraffing bij een gelijktijdige berechting van verschillende, mogelijk sterk samenhangende strafbare feiten.
19. In grove lijnen valt hier het volgende op te merken over het leerstuk van de strafrechtelijke samenloop. [8] Kan één feit onder meer dan één strafbepaling worden gebracht, dan is sprake van eendaadse samenloop en wordt slechts één strafbepaling toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld. Een fysieke eenheid ten aanzien van tijd en plaats brengt naar huidig inzicht niet mee dat sprake is van hetzelfde feit als bedoeld in art. 1:133 SrCPro (respectievelijk art. 55, eerste lid, Sr). Vereist is een vergelijkbare strekking van de strafbepalingen [9] , een uiteenlopende strekking levert geen eendaadse samenloop op. “Het bewezen verklaarde wordt in dit verband bezien in zijn strafrechtelijk relevante betekenis. Deze invulling van het feitbegrip is in de literatuur wel de “aspectenleer” genoemd”, aldus mijn ambtgenoot Bleichrodt in (onder meer) zijn conclusie voorafgaand aan HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111. Bij de voortgezette handeling (art. 1:134 SrCPro en art. 56 SrPro) gaat het om meer strafbare feiten, zij het dat deze in een zodanig verband met elkaar moeten staan dat zij als één geheel kunnen worden beschouwd. Bovendien moeten deze, aldus met elkaar samenhangende, feiten zijn voortgekomen uit één ongeoorloofd wilsbesluit. Er wordt dan slechts één strafbepaling toegepast, bij verschil die waarop de zwaarste hoofdstraf is gesteld. De meerdaadse samenloop (art. 1:136 SrCPro en art. 57 SrPro) wordt in de wettekst als volgt omschreven: feiten die als op zichzelf staande handelingen worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld. In dat geval wordt één straf opgelegd. De Hullu noemt in dit verband de volgende situaties: “a) meerdere gelijktijdig begane delicten met een uiteenlopende strekking, b) een handeling met meer objecten of gevolgen, wanneer een en ander als meerdere normschendingen moet worden gezien, en vooral c) achtereenvolgens begane verschillende of gelijksoortige delicten die niet als een voortgezette handeling kunnen worden beschouwd”. [10]
20. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111 [11] (met betrekking tot art. 55 enPro 56 Sr), voor zover hier relevant, de volgende algemene beschouwingen gewijd aan de eendaadse samenloop en de voortgezette handeling (met weglating van noten):
2 Aan de beoordeling van het tweede middel voorafgaande beschouwing
2.2. Art. 55, eerste lid, en art. 56 SrPro komen in recente rechtspraak van de Hoge Raad zelden aan de orde. Daarbij speelt een belangrijke rol dat hierop betrekking hebbende klachten doorgaans van onvoldoende belang zijn om cassatie te rechtvaardigen omdat - kort gezegd - de opgelegde straf ver onder het strafmaximum ligt dat zou gelden als met de steller van het middel van eendaadse samenloop of voortgezette handeling zou worden uitgegaan. [12]
2.3. Het thema kan echter in feitelijke aanleg wel van belang zijn. (…). Bovendien speelt het onderwerp in de wetgeving soms een rol bij de vormgeving van delictsomschrijvingen, zoals hierna in 2.6 wordt geïllustreerd. Daarom is het van belang de eendaadse samenloop en de voortgezette handeling te belichten in hun huidige betekenis met de daarbij voor de feitenrechter bestaande ruimte tot toepassing van die leerstukken. Daartoe strekken de volgende opmerkingen. De zeer beperkte toetsing in cassatie zal door dit arrest niet veranderen.
2.4.
Op voorhand verdient opmerking dat samenloopvragen mede worden bepaald door de in het concrete geval toepasselijke strafbepaling(en). Indien bijvoorbeeld een strafbepaling betrekking heeft op een meervoud van voorwerpen of gedragingen, heeft als uitgangspunt te gelden dat in geval van bewezenverklaring van het - gelijktijdig en op dezelfde plaats - handelen in strijd met die bepaling geen samenloopvraagstuk rijst omdat dan sprake is van een uit de delictsomschrijving voortvloeiende enkelvoudige kwalificatie. Daar staat tegenover dat in het bijzonder bij gevolgdelicten het uitgangspunt is dat elk gevolg - ook indien de verschillende gevolgen uit hetzelfde feit of feitencomplex voortvloeien - een zelfstandige vervulling van de delictsomschrijving oplevert en dat daarom in beginsel van eendaadse samenloop of van een voortgezette handeling geen sprake is, zoals bij een verkeersongeval in de zin van art. 6 WegenverkeerswetPro 1994 met meerdere slachtoffers. [13]
Daarnaast kan ook de wijze van tenlasteleggen van belang zijn voor de samenloop. Wanneer meerdere feiten niet cumulatief, maar enkelvoudig zijn tenlastegelegd als één samenhangend feitencomplex, bijvoorbeeld mishandeling door het toedienen van meerdere slagen aan hetzelfde slachtoffer of diefstal met braak door het stelen van meerdere voorwerpen bij een inbraak, rijst in beginsel geen vraag van samenloop omdat enkelvoudige kwalificatie al uit de tenlastelegging voortvloeit. Anderzijds behoeft een cumulatieve tenlastelegging de rechter niet af te houden van toepassing van de regels over eendaadse samenloop en voortgezette handeling.
(…).
2.7. In de rechtspraak van de Hoge Raad over eendaadse samenloop is gaandeweg sterk het accent komen te liggen op de strekking van de aan de orde zijnde strafbepalingen. Indien die strekking uiteenloopt, is geen sprake van "één feit" in de zin van art. 55, eerste lid, Sr. Deze sterk juridisch getinte toetsing met een nadruk op de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, leidt tot een beperkt bereik van de regeling van de eendaadse samenloop.
Uit die rechtspraak moet echter niet worden afgeleid dat eenzelfde strekking een noodzakelijke voorwaarde is voor het aannemen van eendaadse samenloop, zoals blijkt uit de recente jurisprudentie over het witwassen en de heling van dezelfde voorwerpen. (…).
Evenmin is uitgesloten dat sprake is van een voortgezette handeling in de zin van art. 56, eerste lid, Sr van heling en witwassen indien aan de gedragingen van de verdachte met betrekking tot hetzelfde voorwerp één ongeoorloofd wilsbesluit ten grondslag ligt. Dat sluit aan bij eerdere rechtspraak over de voortgezette handeling waarin - in overeenstemming met de wetsgeschiedenis - centraal staan de met elkaar samenhangende eisen dat de verschillende strafbare feiten gelijksoortig zijn, en dat zij, chronologisch gezien, een nauw verband hebben, met één ongeoorloofd wilsbesluit als grondslag.
2.8. Uit hetgeen hiervoor onder 2.6 is overwogen blijkt dat ook de wetgever zich ervan bewust is dat recente wetgeving aanleiding geeft tot zorg over dubbele bestraffing en dat tegen die zorg wordt ingebracht dat de samenloopregeling waarborgen en oplossingen biedt. Dat betekent dat de samenloopregeling - en dan meer in het bijzonder de eendaadse samenloop en de voortgezette handeling - daarvoor ook daadwerkelijk voldoende ruimte moet bieden.
Daarom moet worden benadrukt dat naar huidig inzicht een enigszins uiteenlopen van de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet in de weg staat aan het aannemen van eendaadse samenloop indien het in essentie om hetzelfde feitencomplex gaat. Een dergelijk uiteenlopen is evenmin een blokkade voor het aannemen van een voortgezette handeling.
In het bijzonder verdient dus aandacht dat de rechter ruimte heeft voor het aannemen van eendaadse samenloop of een voortgezette handeling, ook indien de bewezenverklaring valt onder meerdere strafbepalingen met een enigszins uiteenlopende strekking.
Vervolgens komt het voor de eendaadse samenloop vooral aan op de vraag of de bewezenverklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Voor de voortgezette handeling komt het erop aan of de verschillende bewezenverklaarde, elkaar in de tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het "wilsbesluit") zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt.
Het voorgaande brengt mee dat het toepassingsbereik van deze regelingen ruimer is dan wellicht kon worden afgeleid uit eerdere rechtspraak waarin vooral de verschillen in de strekking van de betrokken strafbepalingen centraal stonden.
(…).
2.10.
Wat betreft de kwalificatie van het bewezenverklaarde in geval van eendaadse samenloop heeft de Hoge Raad al eerder geoordeeld dat het in beginsel aan de feitenrechter is om de vraag te beantwoorden of hij in geval van eendaadse samenloop het bewezenverklaarde enkelvoudig kwalificeert (onder de zwaarste strafbepaling) dan wel of hij meervoudig kwalificeert en vervolgens de zwaarste strafbepaling toepast bij de straftoemeting. Denkbaar is dat de feitenrechter, teneinde onevenredige aansprakelijkheid te voorkomen, een enkelvoudige kwalificatie aangewezen acht. Bij een voortgezette handeling ligt dat echter niet in de rede.”
21. De Hoge Raad verwijst in rechtsoverweging 2.2 (noot 1 in het arrest) naar het tweede ‘overzichtsarrest 80a’ van 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ2016/430 rov. 2.4.3. Daarin heeft de Hoge Raad overwogen (met weglating van de noten):
“2.4.3. Inmiddels kunnen aan de na 2012 gewezen beslissingen de volgende gevallen worden ontleend waarin toepassing is gegeven aan art. 80a RO vanwege klaarblijkelijk onvoldoende belang. Omdat, zoals in 2.1 is benadrukt, de toepassing van art. 80a RO vooral wordt bepaald door de bijzondere omstandigheden van het geval, worden hieronder met het oog daarop waar nodig de beslissende overwegingen geciteerd.
(…)
- Samenloop (toepassing van art. 57 inPro plaats van art. 55 SrPro):
"Ook indien toepassing dient te worden gegeven aan art. 55, eerste lid, Sr kunnen de strafbare feiten afzonderlijk worden gekwalificeerd. Het opzettelijk handelen in strijd met het in art. 2, onder A, Opiumwet gegeven verbod – van de door het Hof toegepaste strafbepalingen de bepaling waarop de zwaarste hoofdstraf is gesteld – is bedreigd met onder meer een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaar. Gelet op dit wettelijk strafmaximum en in aanmerking genomen de door het Hof opgelegde gevangenisstraf van 28 maanden en 's Hofs motivering van die straf, is het belang van de verdachte bij zijn cassatieberoep niet evident. De schriftuur bevat evenwel niet de (...) in zo een geval vereiste toelichting met betrekking tot het belang bij het ingestelde cassatieberoep en het – rechtens te respecteren – belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak. De enkele stelling dat toepassing van art. 55 SrPro 'tot een ander strafmaximum zou hebben geleid' is daartoe ongenoegzaam."
- Samenloop (onjuiste toepassing van art. 57 SrPro):
"Blijkens zijn (...) overwegingen heeft het Hof bij de (...) omstandigheid dat sprake is van "in de uitoefening van een beroep of bedrijf" in de zin van art. 11, derde lid, Opiumwet mede betrokken dat het opzettelijk telen van hennepplanten meermalen heeft plaatsgevonden.
Nu de bestreden uitspraak niets inhoudt waaruit kan worden afgeleid dat (...) sprake is van op zichzelf staande handelingen in de uitoefening van een beroep of bedrijf die meer dan één misdrijf opleveren, heeft het Hof ten onrechte aan de kwalificatie "meermalen gepleegd" toegevoegd. (...)
Alle door het Hof toegepaste strafbepalingen bevatten een strafbedreiging met onder meer een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. Ingevolge art. 57, tweede lid, Sr is te dezen het wettelijk strafmaximum, voor zover het een gevangenisstraf betreft, acht jaren gevangenisstraf. Gelet hierop en in aanmerking genomen de door het Hof opgelegde gevangenisstraf van twaalf maanden en 's Hofs motivering van die straf, is het belang van de verdachte bij zijn cassatieberoep niet evident. In aanmerking genomen dat de schriftuur niet een toelichting met betrekking tot dit belang bevat – de stelling dat "een ongebreidelde cumulatie van strafoplegging dreigt" is daartoe niet genoegzaam – mist de verdachte een voldoende rechtens te respecteren belang bij zijn klacht in cassatie."
22. Ten aanzien van gevolgdelicten geldt als uitgangspunt dat elk gevolg, ook als de gevolgen uit hetzelfde feit of feitencomplex voortvloeien, een zelfstandige vervulling van de delictsomschrijving oplevert. Daarom zal in die gevallen in beginsel geen eendaadse samenloop of een voortgezette handeling worden aangenomen. Gedacht kan worden aan één schot waarmee meerdere slachtoffers worden geraakt. Alsdan doet zich een geval van meerdaadse samenloop voor. [14] De casuïstiek van alledag brengt in het licht van de samenloop soms eigenaardigheden in beeld. De Hullu geeft daarvan een voorbeeld: twee op hetzelfde wilsbesluit gebaseerde schoten waardoor eveneens twee mensen omkomen, is namelijk weer een voortgezette handeling. Het lijkt echter niet verdedigbaar dat deze vlak na elkaar gepleegde feiten via de voortgezette handeling tot een lichter strafmaximum zouden moeten leiden dan in het geval één kogel twee slachtoffers maakt. [15]
23. In de onderhavige zaak zijn twee gevolgdelicten bewezenverklaard; evenals art. 287 SrPro spreekt art. 2:259 SrCPro van: “Hij die opzettelijk een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan doodslag, gestraft met” etc. [16] Het gevolg is hier telkens in enkelvoudige vorm aangeduid. Er zijn twee, uit hetzelfde feitencomplex voortvloeiende, gevolgen – levensberoving [slachtoffer 1] en poging levensberoving [slachtoffer 2] –, met twee slachtoffers en derhalve twee normschendingen. [17] Dit levert meerdere feiten op. Van één wilsbesluit is mijns inziens geen sprake. De verdachte heeft, naar hij blijkens de overwegingen van het Hof in het arrest zelf heeft verklaard, [slachtoffer 1] pas met het mes gestoken, nadat deze met zijn vuist de verdachte een harde klap toediende. Het oordeel van het Hof dat sprake is van meerdaadse samenloop getuigt daarom niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
24. De overweging van het Hof (hierboven onder 15 weergegeven) maakt het voorgaande niet anders, waarbij nog zij opgemerkt dat het Hof zulks heeft overwogen in respons op het beroep op noodweerexces en niet in relatie tot de samenloopregeling. En terzijde wijs ik er op dat met betrekking tot de samenloop in feitelijke aanleg geen enkel verweer is gevoerd.
25. Overigens zou de enkele omstandigheid dat het Hof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan art. 1:136 SrCPro (meerdaadse samenloop) in plaats van art. 1:133 SrCPro (eendaadse samenloop) of art. 1:134 SrCPro (voortgezette handeling) niet meebrengen dat de verdachte een voldoende rechtens te respecteren belang heeft bij zijn cassatieberoep en bij vernietiging van de bestreden uitspraak. Het Hof heeft immers een aanzienlijk lagere straf opgelegd dan het strafmaximum dat van toepassing zou zijn in geval het Hof wel zou zijn uitgegaan van eendaadse samenloop dan wel voortgezette handeling. In dat licht bezien is het belang van de verdachte bij het cassatieberoep niet evident, en indien dan ook nog in de cassatieschriftuur een deugdelijke toelichting ten aanzien van dat belang ontbreekt, wordt in de rechtspraak van de Hoge Raad toepassing gegeven aan art. 80a RO vanwege klaarblijkelijk onvoldoende belang.
26. Het tweede middel faalt.
27. Het derde middelklaagt dat het Hof heeft verzuimd te beslissen of overeenkomstig het bepaalde in art. 401, derde lid, SvC een strafverminderingsgrond aanwezig is.
28. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het derde middel van belang, in:
“Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn ook anderszins geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de bewezen verklaarde feiten dan wel de strafbaarheid van de verdachte opheffen of uitsluiten.”
29. De toelichting op het middel betoogt dat “de wet” voorschrijft dat de rechter zich niet alleen moet uitlaten c.q. ervan moet vergewissen dat een strafuitsluitingsgrond wel of niet aanwezig is, maar zich ook moet uitspreken over de afwezigheid van een strafverminderingsgrond. Dit zou des te meer geboden zijn indien daarover, zoals in casu, een verweer is gevoerd en nu het Hof een noodweersituatie aanwezig acht en daarin een straf-verminderde omstandigheid besloten ligt.
30. Vooraf zij het volgende opgemerkt. Onder strafverminderingsgrond dient een door de wet bepaaldelijk aangewezen strafverminderingsgrond te worden verstaan. [18] Art. 401, derde lid, SvC (dat dezelfde strekking heeft als art. 358, derde lid, Sv) schrijft voor dat wanneer in strijd met het te dien aanzien door de verdachte uitdrukkelijk voorgedragen verweer wordt bepaald dat (onder andere) een bepaalde strafverminderingsgrond niet aanwezig is, het vonnis daaromtrent bepaaldelijk dient te beslissen.
31. De verdediging heeft, blijkens de aan het zittingsverbaal gehechte pleitnotitie, tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 3 november 2016 (onder meer) het volgende aangevoerd:
“In het onverhoopte geval dat uw Hof het toch niet eens is met de verdediging en toch tot een veroordeling komen, dan verzoeken wij om te volstaan met een mindere straf gezien de volgende punten:
(…)
2. De negatieve en provocerende rol van beide slachtoffers bij de escalatie van het ontstane conflict.”
32. Dit in hoger beroep gevoerde verweer moet, volgens de steller van het middel, op één lijn worden gesteld met een beroep op een strafverminderingsgrond waarop het Hof ingevolge art. 401, derde lid, SvC bepaaldelijk had moeten beslissen.
33. Het verweer dat de negatieve en provocerende rol van beide slachtoffers bij de escalatie van het ontstane conflict hebben bijgedragen, is echter geen verweer dat door art. 401, derde lid, SvC wordt bestreken. Uit geen enkele wettelijke regel, of in de jurisprudentie ontwikkelde rechtsregel, blijkt dat dit een grond is die tot een lager strafmaximum zou dienen te leiden. Hetzelfde geldt voor ‘s Hofs vaststelling dat sprake was van een noodweersituatie. Art. 401, derde lid noch art. 402, tweede lid, SvC is daarop van toepassing. Het Hof was derhalve niet gehouden om te responderen op hetgeen de verdediging ter zake van de negatieve en provocerende rol van beide slachtoffers heeft aangestipt.
34. Overigens heeft het Hof wel degelijk de rol van de beide slachtoffers bij de strafoplegging in ogenschouw genomen. Kennelijk heeft de steller van het middel over het hoofd gezien dat het Hof zich heeft verenigd met de strafmotivering van het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao. Ik kom daarop in mijn bespreking van het vierde middel terug, maar haal daaruit alvast het volgende aan:
“Voorts houdt het Gerecht in het voordeel van de verdachte rekening met het feit dat hij niet eerder voor soortgelijke misdrijven is veroordeeld en met de rol van de beide slachtoffers bij de escalatie van het conflict tussen hen en de verdachte. Ook is acht geslagen op de inhoud van de rapporten van de psychiater en de reclassering die over de verdachte zijn uitgebracht.”
35. Het derde middel faalt.
36. Het vierde middelklaagt dat de artikelen 401 en 402 SvC (die dezelfde strekking hebben als art. 358 enPro 359 Sv) zijn geschonden, nu het Hof de opgelegde straf heeft gemotiveerd op een wijze die niet (zonder meer) begrijpelijk is.
37. Het behoeft geen betoog dat de oplegging van een gevangenisstraf door de feitenrechter dient te worden gemotiveerd en dat dit een onderdeel van de uitspraak is dat zich leent voor onderzoek in cassatie. [19] Als gezegd heeft het Hof zich verenigd met de strafmotivering van het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao, die het volgende inhoudt:
“7. Strafmotivering
Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het Gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag en een poging tot doodslag. Hij heeft twee mannen gestoken met een mes, wat de dood van één van hen tot gevolg heeft gehad. Het andere slachtoffer mag van geluk spreken dat hij het er levend vanaf heeft gebracht.
Door te handelen zoals de verdachte heeft gedaan, heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. De verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer 1] het meest fundamentele recht wat hem toekwam, namelijk het recht op leven, ontnomen en diens nabestaanden onherstelbaar leed aangedaan. Een steekincident als dit schokt bovendien de rechtsorde en draagt bij aan het ontstaan en in stand houden van in de samenleving levende gevoelens van onveiligheid. Dat geldt te meer nu het steekincident zich heeft afgespeeld op de openbare weg waar op dat moment meerdere personen aanwezig waren. Het Gerecht rekent dit de verdachte zwaar aan.
Op grond van de aard en de ernst van de bewezen feiten komt slechts een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt, als passende straf in aanmerking.
Bij de bepaling van de duur daarvan houdt het Gerecht rekening met de straf die ten aanzien van dit soort feiten in vergelijkbare gevallen door de rechter pleegt te worden opgelegd.
Voorts houdt het Gerecht in het voordeel van de verdachte rekening met het feit dat hij niet eerder voor soortgelijke misdrijven is veroordeeld en met de rol van de beide slachtoffers bij de escalatie van het conflict tussen hen en de verdachte. Ook is acht geslagen op de inhoud van de rapporten van de psychiater en de reclassering die over de verdachte zijn uitgebracht.
Alles overwegende is het Gerecht van oordeel dat na te noemen straf een passende en geboden reactie vormt op het handelen van de verdachte.”
38. Het Hof heeft in het bestreden strafvonnis nog de volgende aanvullende strafmotivering opgenomen:
“De raadsman heeft, bij wijze van subsidiair standpunt, bepleit dat zal worden volstaan met een mildere straf dan door het Gerecht in eerste aanleg is opgelegd en door de procureur-generaal is gevorderd. Ook dit strafmaatverweer slaagt niet. Het Hof overweegt in dat verband dat bij een bewezenverklaring van een doodslag en een poging tot doodslag in het algemeen een hogere straf aangewezen is dan de opgelegde en gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren.
Het Hof is van oordeel dat de strafverminderende omstandigheden, die de raadsman bij pleidooi naar voren heeft gebracht, daarin in voldoende mate zijn verdisconteerd. Het Hof is dan ook tot de slotsom gekomen dat de door het Gerecht in eerste aanleg opgelegde en door de procureur-generaal gevorderde straf een juiste reactie vormt op de bewezen verklaarde feiten.”
39. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat in de strafmotivering onvoldoende tot uitdrukking komt in welke mate de escalerende rol van de beide slachtoffers de strafmaat heeft beïnvloed. Het Hof had, volgens de steller van het middel, in de eerste plaats “dienen aan te geven welke straf in zaken waarin noodweer is aangenomen doorgaans wordt opgelegd”. Deze stelling begrijp ik niet; indien noodweer (een rechtvaardigingsgrond) wordt aangenomen, volgt geen strafoplegging ter zake van het desbetreffende feit.
40. Voorts wordt door de steller van het middel aangevoerd dat het Hof, evenals bij redelijke termijnoverschrijdingen, had moeten aangeven “welke straf zou zijn opgelegd bij het ontbreken van de strafverminderende omstandigheden”.
41. Dit standpunt vindt geen steun in het recht. In beginsel is het aan de feitenrechter om de factoren die voor de straftoemeting relevant zijn te selecteren en te waarderen, en behoeft zijn oordeel daaromtrent geen motivering. [20] Dat is anders wanneer in dat verband een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op de terechtzitting is ingenomen. Dan wordt van de feitenrechter een nadere motivering verlangd. Ook andere motiveringsvoorschriften, waaraan de feitenrechter zich heeft te houden, zijn in de wet aangegeven (art. 401 SvCPro en art. 359 SvPro). Het tot uitdrukking brengen van de straf die zou zijn opgelegd indien de strafverminderende omstandigheid ontbreekt, is daaronder echter niet begrepen. Voor het overige zij opgemerkt dat er grond kan zijn voor de Hoge Raad om in te grijpen en te oordelen dat de strafmotivering niet (zonder meer) begrijpelijk is, wanneer de strafmotivering verbazing wekt. [21] Daarvan is in de voorliggende zaak geen sprake.
42. Het oordeel van het Hof dat het, gelet op alle omstandigheden waaronder het feit is begaan, geen aanleiding ziet om af te wijken van de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
43. Het vierde middel faalt.
44. Alle middelen falen. Het tweede, het derde en het vierde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 ROPro ontleende motivering.
45. Ambtshalve merk ik op dat de verdachte op 25 november 2016 cassatieberoep heeft ingesteld, zodat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van twaalf jaren. [22]
46. Andere gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
47. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van deze straf in de mate die de Hoge Raad gepast acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
1.Ingevolge art. 39 vanPro het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden geldt het concordantiebeginsel: onder meer het strafrecht en de strafvordering worden in Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten “zoveel mogelijk op overeenkomstige wijze” geregeld. Er is niet alleen concordantie in wetgeving, maar ook in rechtspraak. Op grond van art. 1, eerste lid, van de Rijkswet van 7 juli 2010 (Stb. 339), houdende de cassatierechtspraak voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Bonaire, Saba en Sint Eustatius, neemt de Hoge Raad – kort gezegd – in overeenkomstige gevallen, op overeenkomstige wijze en met overeenkomstige rechtsgevolgen als ten aanzien van burgerlijke en strafzaken in het Europese deel van het Koninkrijk, kennis van de burgerlijke zaken en strafzaken waarin beroep in cassatie is ingesteld tegen uitspraken in hoger beroep van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Saba en Sint Eustatius. De Hoge Raad past dan ook zijn rechtspraak omtrent noodweer(exces) toe op uitspraken van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie. Zie bijv. HR 7 februari 2006, ECLI:NL:2006:AU8274,
14.Zie De Graaf, a.w., p. 326. Zie ook De Hullu, a.w., p. 558 en A.A. Franken,
15.Aan deze casuïstiek kan nog het voorbeeld worden toegevoegd dat een stomp tegen het oog en vervolgens een slag op het hoofd bij hetzelfde slachtoffer, één strafbaar feit (te weten mishandeling) oplevert; zie HR 29 januari 1923,
16.De poging (zie het tweede bewezenverklaarde feit) is geregeld in art. 1:119, eerste lid, SrC (en luidt vrijwel gelijk aan art. 45, eerste lid, Sr).
17.De Graaf, a.w., p. 87. Zie ook De Hullu, a.w., p. 535.