Conclusie
[eiser 2]
[eiseres 3] ,
non liquet-situatie waardoor het bewijsrisico voor [eisers] zich manifesteert. In cassatie betogen [eisers] onder meer dat het hof de door [eisers] overgelegde opdrachtbonnen ten onrechte niet als onderhandse akten met dwingende bewijskracht heeft aangemerkt, dat het de twee-conclusie-regel heeft miskend en dat het zijn oordeel op meerdere punten niet voldoende heeft gemotiveerd.
non liquet-situatie, hetgeen meebrengt dat het bewijsrisico voor [eisers] zich realiseert (rov. 13.10-13.19) en de grieven doel treffen (rov. 13.20).
2.Ontvankelijkheid
3.Bespreking van het cassatiemiddel
non liquet-situatie.
bewijslevering(rov. 7.10). Het hof legt aan deze beslissing ten grondslag: (i) dat [verweerster] in appel tegenbewijs heeft aangeboden tot het leveren waarvan zij kan worden toegelaten (rov. 7.6), (ii) dat [eisers] bij conclusie na enquête aanvullende stellingen naar voren hebben gebracht en nieuwe stukken hebben overgelegd (kopieën van opdrachtbonnen, prod. 23) die door de rechtbank niet in haar oordeel zijn betrokken (rov. 7.7), (iii) dat [eisers] bij memorie van antwoord nader bewijs hebben overgelegd (rov. 7.7), en (iv) dat het debat tussen partijen in hoger beroep zich heeft uitgebreid tot stellingen over en weer met betrekking tot de door [eisers] overgelegde kopieën van de opdrachtbonnen (prod. 23), waarvan [verweerster] de juistheid heeft betwist, en welke opdrachtbonnen in eerste aanleg niet aan de voorgebrachte getuigen zijn voorgehouden (rov. 7.8-7.9).
bewijswaardering, die moet worden bezien tegen de achtergrond van de meer dan 25 jaar durende handelsrelatie die partijen hebben gehad. Volgens [eisers] is in de loop der jaren het vertrouwen gewekt dat het overleggen van kopieën van opdrachtbonnen bij de desbetreffende facturen voor [verweerster] voldoende was om tot betaling over te gaan (rov. 13.10). Het hof gaat er daarbij veronderstellenderwijs vanuit dat partijen eind 2009 hebben afgesproken dat maandelijks maximaal € 7.000 zou worden gefactureerd (rov. 13.11). [eisers] mochten er naar het oordeel van het hof niet zonder meer op vertrouwen dat [verweerster] tot betaling van de onderhavige factuur van € 114.006,79 zou overgaan. Het gaat immers om een ongebruikelijke situatie; niet alleen vanwege de hoogte van de factuur maar ook omdat het oude leveranties betreft. Het hof acht het alleszins begrijpelijk dat [verweerster] in die situatie om een ontvangstbewijs van de leveranties vraagt, waaraan ook nog bijdraagt dat er door [eisers] € 31.815,57 onterecht is gedeclareerd (rov. 13.12). [verweerster] kan echter niet aan [eisers] tegenwerpen dat zij een schriftelijke bestelprocedure had als beschreven in prod. 1 bij conclusie van antwoord; [eisers] kregen slechts de opdrachtbonnen van [verweerster] (en ook dat niet steeds) en zij verstrekten nimmer pakbonnen (rov. 13.13).
in zijn algemeenheidals zodanig fungeerden (rov. 13.14), maar nu de getuigen ten aanzien van geen van de op de factuur vermelde specifieke goederen/diensten hebben kunnen bevestigen dat die daadwerkelijk zijn geleverd/verricht (rov. 13.15) en er tijdens de bewijslevering nieuwe onvolkomenheden en ongerijmdheden aan het licht zijn gekomen met betrekking tot de opdrachtbonnen (rov. 13.16), gaat het hof in deze stelling van [eisers] niet mee.
non liquet-situatie: het is mogelijk dat de gefactureerde goederen/diensten door [eisers] zijn geleverd, maar het is evengoed mogelijk dat dit niet of slechts gedeeltelijk is gebeurd. Dat brengt mee dat het bewijsrisico voor [eisers] zich realiseert (rov. 13.19), en dat het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd (rov. 13.21).
in zijn algemeenheidals zodanig fungeerden. Zij heeft verklaard dat zij de witte opdrachtbon kreeg (van haar echtgenoot [eiser 2] ) en een kopie daarvan hechtte aan de factuur (die vervolgens werd betaald door [verweerster] ). Verder komt uit de getuigenverklaringen naar voren dat gebruikelijk was dat als [eiser 2] kwam met bestellingen voor [verweerster] , deze werden gecontroleerd door een medewerker van [verweerster] en daarna een dergelijke witte bon werd afgegeven aan [eiser 2] door een medewerker van [verweerster] .
als zodanigc.q.
op zichzelfdwingend bewijs opleveren van de
leveringvan de daarop aangeduide goederen/diensten, dan is derhalve vereist (i) dat de bonnen de
verklaringbevatten dat de daarop aangeduide goederen/diensten zijn
geleverden (ii) dat de bonnen
bestemdzijn om die
leveringte bewijzen. Het hof is kennelijk van oordeel dat het één noch het ander het geval is. Dat is niet onbegrijpelijk. Een dergelijke (van een ‘bestelordernummer’ voorziene) ‘
Opdrachtbon [verweerster] ’, die slechts kolommen bevat voor het invullen van aantallen, artikelen en prijzen, bevat niet een verklaring dat die artikelen door de opdrachtnemer aan [verweerster] zijn afgeleverd en is, objectief bezien, evenmin bestemd tot bewijs van die aflevering.
onder omstandigheden(afgifte ervan eerst na aflevering en controle van de goederen) bewijs kan worden ontleend voor de levering van de daarop vermelde goederen. Dat is de door [eisers] opgeworpen vraag die het hof in de bestreden overwegingen bespreekt.
ten tijde van zijn beslissing [19] en was in dat kader gehouden tot een
zelfstandige, eigenwaardering van het bewijs. [20] In dit licht getuigt ’s hofs oordeel zoals besloten in rov. 7.7 dat een oordeel van het hof over de bewijswaardering door de rechtbank en de grieven van [verweerster] daartegen niet van beslissende betekenis is voor de uitkomst van de onderhavige zaak, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft daarmee terecht tot uitdrukking gebracht dat het diende te beslissen naar de toestand ten tijde van zijn beslissing, en derhalve met inachtneming van de aanvullende stellingen van [eisers] en de door hen overgelegde producties.
in zijn algemeenheidfungeerden als bewijs van aflevering (rov. 13.13 en 13.14) en (ii) nimmer pakbonnen kregen (rov. 13.13). Daarom is niet goed begrijpelijk, aldus [eisers] , waarom [verweerster] van [eisers] nog een (afzonderlijk) ontvangstbewijs mocht verlangen, althans is onvoldoende gemotiveerd waarom [verweerster] hierop aanspraak mocht maken terwijl aan [eisers] dergelijke afleverbonnen/pakbonnen nooit zijn verstrekt, nu altijd de opdrachtbon werd afgegeven na controle door medewerkers van [verweerster] .
in het licht van al het voorgaandealleszins begrijpelijk is dat [verweerster] heeft gevraagd om een ontvangstbewijs van de leveranties en dat zij dit redelijkerwijs ook mocht verlangen. In de daaraan voorafgaande rechtsoverwegingen valt de volgende argumentatie voor dit oordeel af te leiden:
betalingsafspraakgemaakt, welke tot gevolg had – kort gezegd – dat het bedrag per factuur werd verlaagd (maandelijkse facturen van maximaal € 7.000 in plaats van gemiddeld zo’n € 15.000 à 16.000 zoals daarvoor gebeurde) en de leveranties later aan [verweerster] werden gefactureerd en (rov. 3.11);
ongebruikelijke situatienu de hoogte van de factuur afwijkt en het oude leveranties betreft. Het hof acht het daarom alleszins begrijpelijk dat [verweerster] in die situatie heeft gevraagd om een ontvangstbewijs, waaraan bijdraagt dat is gebleken dat een bedrag van € 31.815,57 door [eisers] ten onrechte is gedeclareerd (rov. 13.12);
in zijn algemeenheidfungeerden als bewijs van aflevering (rov. 13.14);
€ 114.006,79 hebben overgelegd.
dezemogelijkheden geen gebruik hebben gemaakt is niet onbegrijpelijk.
opdrachtbonnengeldt immers dat deze niet vallen onder de in de brief 17 september 2010 genoemde mogelijkheden. Reeds hierom is het oordeel van het hof in het licht van de door [eisers] overgelegde opdrachtbonnen niet onbegrijpelijk.
verklaringendie [eisers] zouden hebben overgelegd als prod. 12 en 14 bij de inleidende dagvaarding geldt dat ook deze producties het oordeel van het hof in rov. 13.17 niet onbegrijpelijk maken. Deze ‘verklaringen’ betreffen immers de inkoopnota’s van ‘ruitensproeier antivries’ (prod. 12) en een verklaring waaruit blijkt welke koelingsdelen DAF [eisers] hebben afgenomen (prod. 14). [31] Uit de verklaring zoals overgelegd bij prod. 14 valt wel op te maken dat er radiateuren door [eisers] zijn afgenomen bij deze leverancier, maar niet hoeveel. Van ‘inkoopnota’s van de aan [verweerster] geleverde radiateuren en accu’s’ is daarom geen sprake. Het oordeel van het hof dat [eisers] geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om de inkoopnota’s van de geleverde accu’s en radiateuren te tonen, is op basis van deze producties niet onbegrijpelijk.
subonderdeel Vbvoeren [eisers] aan dat voor zover rov. 13.12 zo moet worden begrepen dat niettegenstaande de rechtsoverwegingen 13.13-13.14, [verweerster] van [eisers] een ontvangstbewijs van de leveranties mocht verlangen (waaronder niet valt de door medewerkers van [verweerster] getekende opdrachtbon), die overweging om dezelfde redenen zoals genoemd bij subonderdeel Va niet voldoende begrijpelijk is gemotiveerd in het licht van rov. 13.13 en 13.14.
begrijpelijkis dat [verweerster] heeft gevraagd om een ontvangstbewijs van de leveranties. Ter onderbouwing van dit oordeel voert het hof aan dat sprake is van een in de verhouding tussen [eisers] en [verweerster] ongebruikelijke situatie, niet alleen wegens de hoogte van de factuur maar ook omdat het oude leveranties betreft (hetgeen op zichzelf begrijpelijk is in het licht van de tussen partijen overeengekomen betaalafspraak zoals uiteengezet in rov. 13.11). Daarnaast zou ook het ten onrechte gedeclareerde bedrag ad € 31.815,57 de kritische opstelling van [verweerster] rechtvaardigen. ’s Hofs oordeel in rov. 13.12 is daarmee evenmin onbegrijpelijk.
nade gebleken wanbetaling in ongerede zijn geraakt.
nade gebleken wanbetaling in ongerede zijn geraakt, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof oordeelt in de bestreden rechtsoverweging slechts dat in de onderhavige ongebruikelijke situatie van [eisers] kon worden verwacht dat zij de A4tjes wel hadden bewaard
nu zij de facturen nog niet betaald hadden gekregen. Hierin ligt niet besloten dat het hof oordeelt dat de A4tjes pas na de gebleken wanbetaling in ongerede zijn geraakt. Bovendien is dit oordeel in het licht van de rechtsoverwegingen 13.11-13.12, waarin door het hof wordt uiteengezet dat [eisers] er niet zonder meer op mochten vertrouwen dat [verweerster] tot betaling van de factuur van € 114.006,79 zou overgaan nu sprake is van een in de verhouding tussen partijen ongebruikelijke situatie, niet onbegrijpelijk.
non liquet-situatie, en dat het daarbij heeft miskend dat het alle omstandigheden van het geval in aanmerking had moeten nemen. Volgens [eisers] is niet (absoluut) onmogelijk om uit te maken of goederen al dan niet zijn geleverd en heeft het hof verzuimd acht te slaan op alle omstandigheden van het geval, waaronder de omstandigheden zoals genoemd in subonderdeel VIIb.
bewijslastvoor die feiten. Zij zal ze moeten bewijzen om ervoor te zorgen dat het rechtsgevolg dat zij inroept intreedt en draagt het risico dat zich realiseert wanneer zij daarin niet slaagt (het
bewijsrisico). [38] Uit de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro, dat de bewijslast rust bij de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten, kan niet worden afgeleid dat de wederpartij die feiten moet bewijzen die zij stelt ter motivering van haar betwisting van de eerder gestelde feiten. Het gaat dan immers nog steeds om feiten die van belang zijn voor de inroeping van het door de andere partij gewenste rechtsgevolg. [39] Als de rechter geen enkele duidelijkheid kan verkrijgen over de feiten die zijn gesteld, doordat zij bijvoorbeeld niet kunnen worden bewezen omdat er geen bewijsmiddelen zijn en evenmin hun tegendeel kan worden aangetoond, spreekt men van een
non liquet-situatie. [40] Dat het hof in rov. 13.19 oordeelt dat sprake is van een
non liquet-situatie is onjuist noch onbegrijpelijk, zulks op grond van het volgende.
nietaan haar zijn geleverd. Die stellingen zien niet op het door [eisers] te leveren bewijs van aflevering, maar betogen in de kern dat
[verweerster]niet kan aantonen dat zij de gefactureerde goederen/diensten
nietheeft ontvangen. Hiertoe was [verweerster] niet gehouden.
nietbij haar zijn geleverd. Deze situatie brengt mee dat het bewijsrisico voor [eisers] zich realiseert. Dit oordeel van het hof is onjuist noch onbegrijpelijk, waardoor de klachten falen.
onderdeel VIIItegen het oordeel van het hof (in rov. 13.12) dat zij er niet zonder meer op mochten vertrouwen dat [verweerster] tot betaling van de onderhavige factuur van € 114.006,79 zou overgaan. Volgens [eisers] is dit oordeel zonder nadere motivering niet begrijpelijk, nu het hof in rov. 13.11 veronderstellenderwijs aanneemt dat tussen partijen is afgesproken per maand niet meer dan € 7.000 te factureren en [verweerster] haar rekeningen altijd keurig voldeed [41] , en deze afspraak om later te factureren voor zover de bestellingen een bedrag van € 7.000 per maand te boven zouden gaan, op zich niets afdoet aan de hoogte van de declaraties of de verplichting tot betaling daarvan.
ongebruikelijke situatie, niet alleen wegens de
hoogtevan de factuur, maar ook omdat het
oude leverantiesbetreft. Dit oordeel sluit aan bij de vaststelling dat partijen meer dan 25 jaar een handelsrelatie hebben gehad (rov. 13.10) en dat vóór de tussen partijen gemaakte betalingsafspraak de verrichte leveranties vrijwel direct werden gefactureerd en de facturen gemiddeld zo’n € 15.000,- à € 16.000,- beliepen (rov. 13.11).