Conclusie
“feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een geldboete van € 9.000,00 subsidiair tachtig dagen hechtenis met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro.
de gedeeltelijke nietigverklaring van de dagvaarding en de gegeven vrijspraken”. [2] Uit praktische overwegingen houd ik bij de bespreking van de middelen een andere volgorde aan dan de schriftuur en ik begin met het eerste middel, dan het vierde middel, daarna het tweede middel en tot slot het derde middel.
eerste middelklaagt in de kern over ’s hofs oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feitelijk leiding geven aan het door (thans) [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] begaan van medeplegen van valsheid in geschrift door op de facturen te vermelden dat er ‘schol’ of ‘Scholle(n)’ zonder verdere toevoeging [15] (en al dan niet in combinatie met één van de woorden ‘filet’, ‘filets’, ‘rollen’ of ‘Kutter’) is/zijn geleverd. Dit oordeel geeft volgens de steller van het middel blijk van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de uitleg en/of de reikwijdte van het bestanddeel ‘valselijk’, dan wel is ontoereikend gemotiveerd.
onvoldoende onderscheidende” aanduiding van de verhandelde vissoort geen strijd met de werkelijkheid en dus geen valsheid daarvan oplevert.
onvoldoende onderscheidend” in de mond neemt. Dat predicaat is echter bepaald verwarrend in het licht van de overige vaststellingen en overwegingen, waaruit naar mijn inzicht een andere uitleg volgt, namelijk dat het hof ‘schol’ of ‘Scholle(n)’ zonder verdere toevoeging (en al dan niet in combinatie met één van de woorden ‘filet’, ‘filets’, ‘rollen’ of ‘Kutter’) als aanduiding niet zozeer als ‘onvoldoende onderscheidend’ aanmerkt, maar simpelweg als een
onjuistespecificatie, namelijk als een specificatie die in strijd is met het werkelijk door de verdachte geleverde visproduct. Nauwgezette lezing van de overwegingen wijst kortom uit dat het hof heeft geoordeeld dat de productomschrijving op de facturen
nietstrookt met het product dat in werkelijkheid geleverd is. Ik licht mijn uitleg van ‘s hofs overwegingen nader toe.
In de hiervoor aangehaalde terminologie komt de aanduiding “schol” uitsluitend voor als aanduiding voor de vissoort die wordt aangeduid met de Latijnse naam Pleuronectes Platessa (in het spraakgebruik en daarom ook hierna wel aangeduid als Noordzeeschol) en, maar dan in verbinding met het begrip “Pacifische”, voor de vissoort Lepidopsetta bilineata. Alleen bij de aanduiding van de Noordzeeschol kan dus volstaan worden met hantering van het woord “schol” zonder verdere toevoeging.”
mijnlezing van zijn overwegingen – het begrip ‘schol’ of ‘Scholle(n)’ niet als een (te) ruime, meeromvattende omschrijving van een verzameling scholachtige platvissoorten, maar – in dit verband – als een specifieke omschrijving van de vissoort Noordzeeschol (Pleuronectes platessa). Daarin ligt als oordeel van het hof besloten dat deze omschrijving, anders dan het middel stelt, in strijd is met de werkelijkheid.
‘schol’ en ‘Scholle(n)’ betreffen in dit verband exclusief de vissoort Noordzeeschol”, is van feitelijke aard. Tegen dit – aldus door mij verstane – oordeel wordt in cassatie nauwelijks iets anders ingebracht dan enkele verwijzingen naar de pleitnota in hoger beroep (in de vorm van een korte weergave van de strekking daarvan), zonder kenbaar te maken dat en op welke gronden dit oordeel onbegrijpelijk zou zijn.
dat in Duitsland de term Scholle niet gebruikt werd voor de geleverde vis”. Als ik de steller van het middel goed begrijp, wordt aangevoerd dat de term ‘Scholle’ in Duitsland een andere, ruimere betekenis heeft dan de term ‘schol’ in Nederland, die uitsluitend verwijst naar de vis
soortNoordzeeschol, en dat de term ‘Scholle’ ook kan worden gebruikt voor de in het onderhavige geval geleverde vis.
onvoldoende onderscheidend”, is het pleit nog niet beslecht ten gunste van het middel. Volgens vaste jurisprudentie kan het niet vermelden van bepaalde gegevens onder omstandigheden (ook) valsheid in geschrift opleveren, zoals – voor zover in de onderhavige zaak van belang – door het achterhouden van voldoende specifieke gegevens. [23] In HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB6354,
NJ 2008/74, waarnaar ook door de steller van het middel wordt verwezen, was ten aanzien van de verdachte als feitelijk leidinggever van een bedrijf dat zich bezighield met de handel in diergeneesmiddelen een aantal gevallen van valsheid in geschrift bewezen verklaard. Op een vijftal facturen was het geleverde product van een algemene omschrijving voorzien, in plaats van de werkelijke naam van de geleverde producten. Daarmee werd verhuld wat in werkelijkheid werd geleverd, zulks met het opzet om de effectieve toepassing van de wet- en regelgeving inzake de diergeneesmiddelenvoorziening te ontgaan. Volgens de Hoge Raad moet dit verhullen in een dergelijk geval, gelet op de in deze wetgeving neergelegde regels over registratie en controle van diergeneesmiddelen, worden aangemerkt als het valselijk opmaken in de zin van art. 225 Sr Pro. Deze uitspraak acht ik rechtstreeks van toepassing op de voorliggende casus. Daarbij merk ik nog het volgende op.
“niet een wezenlijk andere maatstaf”dan de maatstaf die Knigge hanteert. Het arrest wijst volgens de steller van het middel uit dat de Hoge Raad uit de bewijsmiddelen heeft opgemaakt dat sprake was van de door Knigge eerstgenoemde situatie, waarin door het niet vermelden van informatie controleurs op het verkeerde been zouden zijn gezet en de werkelijkheid geweld zou zijn aangedaan, terwijl in de onderhavige zaak veeleer sprake zou zijn van de tweede situatie, waarin “
de lezer tandenknarsend[zou]
achterblijven” en van strijd met de werkelijkheid geen sprake is.
“niet een wezenlijk andere maatstaf”dan Knigge heeft gehanteerd. Het arrest bevat voor die zienswijze in elk geval geen aanknopingspunten. De Hoge Raad lijkt bij zijn oordeel niet te hebben betrokken hoe de – te algemene en daardoor verhullende – aanduiding op een factuur van een geleverd product in het maatschappelijk verkeer (c.q. door controlerende ambtenaren) pleegt te worden verstaan. Van belang voor het oordeel of sprake is van ‘valselijk opmaken’ in de zin van art. 225 Sr Pro is simpelweg (zo lees ik voornoemd arrest) dat
in strijd met een rechtsplichtopzettelijk bepaalde gegevens zijn verhuld. Daarvan is ook in onderhavige zaak sprake. Ook indien het hof (slechts) zou hebben geoordeeld dat ‘schol’ dan wel ‘Scholle(n)’ een te generieke omschrijving van scholachtige platvissen betreft, en daarmee “
onvoldoende onderscheidend”, getuigt het oordeel van het hof dat het handelen van (thans) [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6] (intellectuele) valsheid meebrengt, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel toereikend gemotiveerd. Dat de gebruikte term in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk zou zijn, zoals in het middel wordt gesteld, doet aan het voorgaande niet af.
indiener bij het verhandelen van visproducten van een factuur gebruik wordt gemaakt [24] met vermelding van een benaming, deze wel de juiste en specifieke handelsbenaming dient te bevatten. Dat op een andere wijze wel is voorzien in het verstrekken aan de consument van de juiste specifieke handelsbenaming (etikettering, verpakking dan wel enig begeleidend handelsdocument anders dan die factuur), doet aan de eis (ook) in de factuur de juiste en specifieke handelsbenaming te vermelden niet af. Dat zou immers, wanneer de etikettering, verpakking en handelsdocumenten in samenhang worden bezien, in strijd met het beoogde doel van de regelgeving, tot misverstanden en onduidelijkheden kunnen leiden.
vierde middelklaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat
“het medeplegen van valsheid in geschrifte redelijkerwijs aan [medeverdachte 6] kan worden toegerekend, en [medeverdachte 6] aldus als dader kan worden aangemerkt”, waardoor de verdachte ten onrechte is veroordeeld ter zake het feitelijke leidinggeven daaraan. Daartoe is aangevoerd dat uit de bewijsvoering niet blijkt
“dat het valselijk opmaken van de bewezenverklaarde facturen in de sfeer van [medeverdachte 6] werd verricht, althans dat in de sfeer van [medeverdachte 6] daaraan een zodanig intellectuele en/of materiële bijdrage werd geleverd dat het medeplegen van deze valsheid in geschrifte aan [medeverdachte 6] kan worden toegerekend”.
niettot het takenpakket van [medeverdachte 6] behoorden en dat de bewezen verklaarde valselijk opgemaakte facturen ten name van [K] B.V. aan de afnemers zijn verzonden en bovendien, overeenkomstig de vaststellingen van het hof [27] , in de administratie van [K] B.V. zijn aangetroffen.
verwerkenvan vis, niet de verkoop en evenmin het factureren daarvan. Hiermee strookt dat de facturen op naam van [K] B.V. aan de afnemers zijn verzonden en bovendien in de administratie van [K] zijn aangetroffen. De enkele omstandigheid dat de vennootschappen zeer met elkaar verweven zijn en beide onderdeel uitmaken van een concern c.q. groep van vennootschappen doet daaraan niet af. Een ‘groeps’-aansprakelijkheid gaat m.i. te ver. Gelet op het voorgaande is ook het oordeel van het hof dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de
mededoor [medeverdachte 6] gepleegde valsheid in geschrift ontoereikend gemotiveerd.
“het medeplegen van valsheid in geschrifte redelijkerwijs aan[medeverdachte 6]kan worden toegerekend, en[medeverdachte 6]aldus als dader kan worden aangemerkt”en komt met motiveringsklachten op tegen de veroordeling ter zake het feitelijke leidinggeven daaraan (onderstreping: DA). Tegen de toerekening van de ten laste gelegde handelingen aan (thans) [medeverdachte 4] wordt in cassatie niet opgekomen.
“ [medeverdachte 6] tezamen en in vereniging met”betreft m.i. een ondergeschikt onderdeel van de bewezenverklaring, waarvan een partiële vrijspraak de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet wezenlijk aantast. Het verwijt aan de verdachte blijft immers volledig intact: feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon ( [K] B.V., thans [medeverdachte 4] ) begaan van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. Geen enkele (valse) factuur komt aan de bewezenverklaring te ontvallen. Het gaat uitsluitend om het tekortschieten van de motivering van het oordeel dat de verdachte bij het opstellen van de berispelijke facturen
medehandelde namens [medeverdachte 6] . Daarbij merk ik op dat het wettelijk strafmaximum niet mede wordt bepaald door het antwoord op de vraag of de twee rechtspersonen het feit al dan niet in vereniging hebben gepleegd. Bij vernietiging van de bestreden uitspraak en terug- of verwijzing van de zaak heeft de verdachte zodoende geen rechtens te respecteren belang. [28] , [29]
tweede middel [30] klaagt dat het hof, mede in het licht van het door de verdediging ter terechtzitting ingenomen standpunt dat de verdachte meende de term ‘schol’ te mogen gebruiken, ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft bewezen verklaard dat de verdachte opzet heeft gehad op de valsheid van de facturen en/of als leidinggevende is veroordeeld, waarbij het opzet aan de rechtspersoon [medeverdachte 6] werd toegeschreven.
iets anders” is geleverd dan hetgeen op de factuur stond vermeld en dat zij zich tot deze handelwijze, dus het op de factuur vermelden van een andere vissoort dan in werkelijkheid werd geleverd (ik lees aldus: het gebruik van een misleidende term), gedwongen voelden in verband met het behoud van de markpositie, doordat concurrenten ook goedkopere vissoorten op de markt brengen onder de naam Schollenfilet. Daarbij merk ik op dat het door het hof (niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd) verworpen verweer dat de verdachte meende de term ‘schol’ te mogen gebruiken moeilijk te rijmen is met de verklaringen van de verdachte [31] voor het overige en de geldende regelgeving.
in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 3]van de
onder gg en iigenoemde facturen betekent dat ook een vrijspraak van de
onder g en igenoemde facturen
in de zaak tegen de verdachte [verdachte]had moeten volgen. Ik merk daarover het volgende op.
zagen op dezelfde levering” als de facturen genoemd onder gg en ii (eveneens in de zaak tegen [medeverdachte 3] ) doch waren gericht aan [J] B.V., wordt bovendien een beroep gedaan op feiten die in de onderhavige zaak niet vaststaan.
met uitzondering van de levering aan [O]” niet redengevend is
voor, dan wel in de weg staat
aande bewezenverklaring van valsheid in geschrift van de onder g genoemde factuur, merk ik het volgende op. Gelet op de motivering van de vrijspraak van valsheid in geschrift van de onder gg (aan [O] ) genoemde factuur [37] heeft het hof kennelijk bij vergissing de passage “
met uitzondering van de levering aan [O]” in het bewijsmiddel opgenomen. Dit behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden, nu dit onderdeel van de bewijsvoering voor de onder g bewezenverklaarde factuur, zoals ik hiervoor onder 57 reeds heb betoogd, niet van betekenis is.
derde middelklaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat [medeverdachte 6] en/of de verdachte oogmerk heeft gehad op misleiding. Daartoe is, kort gezegd, aangevoerd dat de door het hof aangelegde maatstaf onjuist is (toegepast). Niet is voldaan aan de benodigde maatstaf van een oogmerk tot misleiding bij de verdachte zelf. In plaats daarvan heeft het hof aan de verdachte een risicoaansprakelijkheid met betrekking tot de afnemers toegeschreven die het oordeel dat sprake is van het oogmerk tot misleiding niet kan dragen, terwijl dit oogmerk evenmin uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
indien(eventueel naast andere documenten) op de factuur een benaming is vermeld, het een juiste en specifieke handelsbenaming dient te zijn, zodat er voor misverstanden en onduidelijkheden geen plaats kan zijn.