Conclusie
middelklaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging ter zake van feit 1, althans dat ’s hofs oordeel omtrent de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging ter zake van dit feit onbegrijpelijk en/of onvoldoende is gemotiveerd.
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
“interpretatie van resultaten” staat dat GHB snel uit het lichaam wordt verwijderd en tot ongeveer 6 à 8 uren na inname aantoonbaar is in het bloed. Bij concentraties in het bloed groter dan 250 mg/l treedt diepe, coma-achtige slaap op. In het bloed van verdachte is een concentratie van GHB gemeten van 291 mg/l.
NJ2016/72 m.nt. Reijntjes onderbouwt met een verwijzing naar het traject dat aan de ongeldigverklaring voorafgaat. Uw Raad stelt vast dat de ongeldigverklaring een bestuurlijke maatregel is waartoe kan worden besloten ‘ingeval de houder van het rijbewijs blijkens de uitslag van een daartoe op grond van art. 131 WVW Pro 1994 ingesteld onderzoek niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van één of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven’. Daarin ligt min of meer besloten dat Uw Raad de ongeldigverklaring en de procedure die daaraan voorafgaat ook in die uitspraak al samen nam, en van oordeel was dat die procedure niet aan een latere strafvervolging in de weg staat. ’s Hofs overweging sluit daar bij aan. [2]