Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
16 januari 2018.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of het Openbaar Ministerie (OM) niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens het ne bis in idem-beginsel, omdat de verdachte al een Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer (EMA) had opgelegd gekregen voor hetzelfde feit: weigering mee te werken aan een ademanalyse.
De verdachte werd vervolgd wegens het niet voldoen aan de verplichting om mee te werken aan een ademonderzoek op 2 mei 2015. De verdediging voerde aan dat het opleggen van een EMA, die volgens hen een punitief karakter heeft, een dubbele vervolging oplevert, waardoor het OM niet ontvankelijk zou moeten zijn.
Het Hof verwierp dit verweer en stelde dat de EMA een bestuurlijke maatregel is die niet punitief van aard is, zoals bevestigd door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep, waarbij het ook een vergelijking met het Alcoholslotprogramma als uitzonderingssituatie niet relevant achtte.
De Hoge Raad concludeerde dat het OM het recht tot strafvervolging behoudt ondanks de opgelegde EMA, omdat deze maatregel niet gelijk staat aan een strafrechtelijke sanctie en dus het ne bis in idem-beginsel niet in de weg staat.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie blijft ontvankelijk in de strafvervolging ondanks de opgelegde Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer.