Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
niet is komen vast te staan dat [eiser] eigenaar is van het paard(rov. 3.12.3 en 3.12.4).
verkeerd levensnummervan het paard vermeld staat (rov. 3.12.3, eerste volzin). [verweerder] zou er (in MvG nr. 48 [7] ) slechts zeer terloops op hebben gewezen dat op de factuur niet het juiste levensnummer is vermeld en daar niet de conclusie aan hebben verbonden dat het hier om een ander paard dan VIP zou gaan. De identiteit van het paard zou in de procedure ook nimmer ter discussie hebben gestaan, zo betoogt [eiser].
aan [eiser]is
geleverd.
investeren, maar dat van een daadwerkelijke
eigendomsoverdrachtdoor [C]
aan [eiser]geen sprake is geweest.
nog daargelaten” dat, zoals overwogen, daarop niet het levensnummer van het paard is vermeld, maar een ander levensnummer.
subonderdeel I.2klaagt [eiser] dat het hof heeft miskend dat [eiser] hoe dan ook schade heeft geleden door het gestelde onrechtmatige handelen van [verweerder] en dan met name het beslag op - en de gerechtelijke bewaring van -
eenaan hem in eigendom toebehorend paard, zodat hij hoe dan ook recht en belang had bij zijn reconventionele vordering.
nader te onderbouwenen dat nu hij dat heeft nagelaten,
bewijslevering niet aan de ordeis.
aan zijn stelplicht heeft voldaanen heeft het hof dan ook ten onrechte van hem gevergd zijn stelling dat hij eigenaar is van het paard, nader te onderbouwen. Onbegrijpelijk is dan ook de overweging (rov. 3.12.3) dat de door [eiser] overgelegde factuur en betaalbewijzen (“in ieder geval”) onvoldoende zijn, ook al is op die factuur een ander levensnummer vermeld dan wat volgens [verweerder] het juiste levensnummer zou zijn.
productie 1de factuur van [C] aan hem van 05 juni 2009. Uit deze factuur blijkt zowel van de naam van het paard (“VIP”), de afstamming, de geboortedatum, alsook het levensnummer. [eiser] verwijst ook naar productie 2 van de dagvaarding, zijnde het stamboekpapier van het paard VIP, waaruit blijkt van dezelfde gegevens.
productie 2afschrift van zijn bankrekening bij de Sparkasse Köln, waaruit blijkt dat dit bedrag van € 90.000,-, te vermeerderen met “
Abwicklungsgebühren” ad € 135,-, op 07 juli 2009 zijn afgeschreven ten gunste van [C].
[betrokkene 1]een “verrekeningscheque” te hebben gegeven voor de betaling aan [C]. [betrokkene 1] ondertekent de cheque ook voor ontvangst. Dit verklaart ook waarom [eiser] het paard helemaal niet herken[t] op de stallen van [betrokkene 2]; hij kende het helemaal niet.”
leveringdoor [C] aan [eiser], ja zelfs dat er überhaupt sprake is geweest van een beoogde
eigendomsoverdrachtaan [eiser]. Het hof vindt in (i) de door [verweerder] aangehaalde (en door het hof in rov. 3.12.1 vermelde) getuigenverklaring van [eiser] en (ii) [eiser]’ standpunt in hoger beroep dat de papieren van het paard bij [betrokkene 1] zijn achtergebleven omdat zij zou trachten het paard te vermarkten, aanwijzingen voor de juistheid van het verweer van [verweerder] dat [eiser] slechts in het (door [C] aan [betrokkene 1] overgedragen) paard heeft geïnvesteerd en dat van een daadwerkelijke eigendomsoverdracht aan [eiser] geen sprake is geweest. In het licht van de processtukken is dit oordeel niet onbegrijpelijk. Het is dan voorts evenmin onbegrijpelijk dat [eiser] naar het oordeel van het hof onvoldoende heeft gesteld ter onderbouwing van zijn eigendomsrecht.
het er veeleer op lijkt dat [eiser] op aanraden van [betrokkene 1] in het paard heeft geïnvesteerd, zonder dat daadwerkelijk van een eigendomsoverdracht aan [eiser] sprake is geweest. Dit zou, anders dan het hof heeft overwogen, geenszins volgen uit de door [verweerder] aangehaalde getuigenverklaring van [eiser], berusten op louter speculatie en – gelet op de in subonderdeel II.1 genoemde stellingen – door [eiser] zijn betwist.
eersteals onbegrijpelijk ’s hofs oordeel dat sprake is van een
wisseling in standpuntaan de zijde van [eiser] (rov. 3.12.3).
afgezien van de wisseling in standpunt”).
voortsdat de door [eiser] ingenomen stellingen niet de conclusie toelaten dat van een daadwerkelijke eigendomsoverdracht geen sprake is gewest.
subonderdeel II.4dat het hof zijn bewijsaanbod ten onrechte heeft gepasseerd. [15]