ECLI:NL:PHR:2018:763

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juni 2018
Publicatiedatum
9 juli 2018
Zaaknummer
18/02513
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46i lid 1 WrraArt. 46j WrraArt. 46o lid 3 WrraArt. 46b Wrra
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag raadsheer wegens duurzame arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren

Een raadsheer van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch is sinds 6 juli 2016 arbeidsongeschikt wegens ziekte. De president van het hof heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad verzocht om ontslag van de raadsheer op grond van artikel 46i lid 1 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra).

De Hoge Raad heeft op basis van de overgelegde stukken, waaronder een beslissing van het UWV waarin een IVA-uitkering is toegekend en een verzekeringsgeneeskundige rapportage die volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid bevestigt, vastgesteld dat aan de wettelijke voorwaarden voor ontslag wegens arbeidsongeschiktheid is voldaan. Herstel of re-integratie binnen een redelijke termijn wordt niet verwacht.

De raadsheer heeft schriftelijk haar zienswijze kenbaar gemaakt en erkent dat de voorwaarden voor ontslag zijn vervuld. De Hoge Raad acht de procedure correct en verleent het ontslag met ingang van 6 juli 2018.

Uitkomst: De Hoge Raad verleent ontslag aan de raadsheer wegens duurzame arbeidsongeschiktheid met ingang van 6 juli 2018.

Conclusie

K/2018/024

Aan de Hoge Raad der Nederlanden, Vierde Meervoudige Kamer
Vordering als bedoeld in artikel 46o van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren
betreffende
[betrokkene]
geboren op [geboortedatum] 1959, wonende aan de [a-straat 1] te [woonplaats] .
Betrokkene is raadsheer in het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch en derhalve een rechterlijk ambtenaar als bedoeld in artikel 46b van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra). Zij is sinds 6 juli 2016 arbeidsongeschikt wegens ziekte. In zijn brief van 22 mei 2018 heeft mr. R.C.A.M. Philippart, president van het Hof, mij verzocht betrokkene bij de Hoge Raad voor te dragen voor ontslag op grond van artikel 46i lid 1 Wrra. De president heeft stukken aangaande de arbeidsongeschiktheid van betrokkene overgelegd.
Artikel 46i lid 1 Wrra bepaalt dat een rechterlijk ambtenaar die wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid door de Hoge Raad kan worden ontslagen indien a) de ongeschiktheid twee jaar onafgebroken heeft geduurd, b) herstel van zijn ziekte binnen een periode van zes maanden na voornoemde termijn van twee jaar redelijkerwijs niet is te verwachten en c) naar het oordeel van de functionele autoriteit duurzame re-integratie in de eigen arbeid, in andere passende arbeid bij een gerecht of binnen het gezagsbereik van Onze Minister, of in passende arbeid buiten dat gezagsbereik, niet binnen een redelijke termijn is te verwachten.
Artikel 46j Wrra houdt in - kort gezegd - dat de Hoge Raad het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) betrekt bij de beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 46i lid 1.
Uit de overgelegde stukken blijkt het volgende.
Bij beslissing van het UWV van 11 oktober 2017 is aan betrokkene een IVA-uitkering toegekend, een voorziening voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten. UWV verwacht geen re-integratieactiviteiten van betrokkene. Volgens de toelichting bij de beslissing was de eerste ziektedag 6 juli 2016.
Bijlage bij de beslissing van het UWV is de verzekeringsgeneeskundige rapportage van het UWV van 28 september 2017. De verzekeringsarts constateert dat sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid en dat verbetering is uitgesloten. De conclusie is dat er geen duurzaam benutbare functionele mogelijkheden zijn als rechtstreeks en objectiveerbaar gevolg van ziekte en/of gebrek.
Op grond van het voorafgaande ben ik van oordeel dat ten aanzien van betrokkene is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor ontslag op grond van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte. Per 6 juli 2018 zal betrokkene twee jaar arbeidsongeschikt zijn, zonder dat herstel is te verwachten. Gelet op de beslissing van het UWV en de verzekeringsgeneeskundige rapportage is re-integratie niet aan de orde.
In de aanloop naar het verzoek van de president heeft betrokkene haar zienswijze schriftelijk naar voren gebracht. In haar brief van 23 april 2018 onderschrijft zij dat is voldaan aan de voorwaarden voor ontslag wegens ziekte. Zij ziet daarom geen reden zich te verweren tegen het aan mij te richten verzoek een vordering tot ontslag in te dienen bij de Hoge Raad.
In reactie op het verzoek van de president heeft betrokkene haar zienswijze aangevuld (brief d.d. 23 mei 2018) met een toelichting op haar besluit niet zelf een verzoek in te dienen tot ontslag bij koninklijk besluit. Zij handhaaft haar zienswijze wat betreft een vordering tot ontslag wegens ziekte. Bij schrijven van 6 juni 2018 heeft de president gereageerd op de toelichting van [betrokkene] .
Nu betrokkene haar zienswijze (op voorhand) naar voren heeft gebracht, is m.i. voldaan aan het voorschrift van artikel 46o lid 3 Wrra.
De stukken van deze zaak leg ik over overeenkomstig de bijgevoegde inventarislijst.
Gelet op het voorafgaande vorder ik dat de Hoge Raad [betrokkene] op de voet van artikel 46i lid 1 Wrra zal ontslaan met ingang van 6 juli 2018.
’s-Gravenhage, 7 juni 2018
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,