Uitspraak
1.De vordering van de Procureur-Generaal
c. de brief van de betrokkene d.d. 23 mei 2018 aan de Procureur-Generaal;
d. de brief van de president van het gerechtshof d.d. 6 juni 2018 aan de Procureur-Generaal.
Hoge Raad
De Procureur-Generaal heeft bij de Hoge Raad een vordering ingediend tot ontslag van een raadsheer van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch wegens arbeidsongeschiktheid. Dit ontslag is gebaseerd op artikel 46i van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra), dat ontslag mogelijk maakt indien de rechter wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.
De Hoge Raad heeft in raadkamer onderzoek ingesteld waarbij de betrokkene en de president van het gerechtshof zijn geïnformeerd, maar geen van beiden wenste te worden gehoord. De Procureur-Generaal heeft de vordering mondeling toegelicht. Uit de overgelegde stukken, waaronder het oordeel van het UWV en verzekeringsgeneeskundige rapportages, blijkt dat de betrokkene twee jaar onafgebroken arbeidsongeschikt is, herstel binnen zes maanden niet te verwachten is, en duurzame re-integratie binnen een redelijke termijn niet mogelijk is.
De Hoge Raad concludeert dat aan alle voorwaarden van artikel 46i lid 1 Wrra is voldaan en verleent per 6 juli 2018 ontslag aan de betrokkene als rechterlijk ambtenaar. Het arrest is gewezen door de vierde kamer en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2018.
Uitkomst: De Hoge Raad verleent ontslag aan de raadsheer wegens langdurige arbeidsongeschiktheid per 6 juli 2018.