Conclusie
Het hof heeft zijn voornemen kenbaar gemaakt prejudicieel hierover vragen aan de Hoge Raad te stellen. Het hof heeft partijen op de voet van art. 392 lid 2 Rv Pro gelegenheid gegeven zich hierover uit te laten. [1]
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad over de doorbetaling van loon na een ontslag op staande voet dat door de kantonrechter is vernietigd, maar waarbij het hof oordeelt dat het ontslag wel terecht was. Het geschil betreft of de werknemer recht heeft op loon vanaf het moment van ontslag tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door het hof, en of het niet verrichten van arbeid door de werknemer een omstandigheid is die de werkgever niet in redelijkheid kan worden toegerekend.
Het hof stelde meerdere vragen over de toepassing van de artikelen 7:627 en 7:628 BW, de betekenis van het bestaan van een dringende reden, en de mogelijke loonmatiging op grond van artikel 7:680a BW. Tevens werd gevraagd of het bestaan van een dringende reden een grond kan vormen om de loonvordering geheel af te wijzen op basis van artikel 6:248 lid 2 BW Pro.
De Procureur-Generaal adviseerde de Hoge Raad om de prejudiciële vragen niet in behandeling te nemen, omdat er reeds een aanhangige zaak is (nummer 17/04244) waarin dezelfde onderwerpen aan de orde zijn en waarvan de uitkomst afgewacht kan worden. Hierdoor achtte hij het niet noodzakelijk om deze vragen afzonderlijk te behandelen.
De zaak betreft een belangrijke interpretatie van de Wet werk en zekerheid (Wwz) en de rechten en plichten van werkgever en werknemer na een ontslag op staande voet dat door een rechter is vernietigd maar door een hoger hof als terecht wordt beoordeeld.
Uitkomst: De Hoge Raad neemt de prejudiciële vragen niet in behandeling vanwege een lopende procedure met vergelijkbare inhoud.