Uitspraak
gevestigd te Amsterdam,
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.De prejudiciële procedure
3. Beoordeling of de vragen zich lenen voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing
4.Beslissing
13 juli 2018.
Hoge Raad
In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad over de verplichting van een werkgever tot doorbetaling van loon na een ontslag op staande voet, waarbij het hof een dringende reden aan de kant van de werknemer aannam.
De vragen betroffen onder meer de toepassing van artikelen 7:627, 7:628 en 7:680a BW en de mogelijke invloed van het oordeel over de dringende reden op loonmatiging en afwijzing van de loonvordering.
De Advocaat-Generaal adviseerde de vragen niet in behandeling te nemen vanwege een lopende cassatieprocedure (zaaknummer 17/04244) die dezelfde onderwerpen behandelde.
De Hoge Raad heeft vervolgens besloten de prejudiciële vragen niet te beantwoorden, omdat de inhoud van de uitspraak in de gelijktijdige zaak (ECLI:NL:HR:2018:1209) voldoende duidelijkheid biedt.
De beslissing werd genomen door de vice-president en vier raadsheren en in het openbaar uitgesproken door raadsheer T.H. Tanja-van den Broek.
Uitkomst: De Hoge Raad ziet af van beantwoording van de prejudiciële vragen vanwege een gelijktijdige uitspraak in een vergelijkbare zaak.