Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
ring fence, i.e. die toerekenbaar zijn aan het winningsbedrijf dat door die
ring fenceafgescheiden wordt van het overige vermogen van een vergunninghouder. Activiteiten die weliswaar samenhangen met winning, maar zelf geen winning zijn, zoals het houden van deelnemingen en de verhuur van boorplatforms, vallen buiten de
ring fence.
ring fencevolgt dat de fusiebeschikking alleen ziet op vermogensbestanddelen die tot het winningsbedrijf behoren. De lening valt dus na de fusie net zozeer buiten de
ring fenceals daarvóór. Een juridische fusie wordt bovendien in termen van financiering geacht te zijn gefinancierd met eigen vermogen, waaruit volgt dat de lening geen functie in het winningsbedrijf vervult, zodat de rente niet aftrekbaar is voor de winstaandeelbepaling.
dealook overname van andere vennootschappen betrof die uiteindelijk bij belanghebbendes moeder zijn terechtgekomen, die de
dealzou hebben geblokkeerd als zij die onderdelen niet had verkregen.
besmette rechtshandelingin het kader van antimisbruikwetgeving is mijns inziens echter iets anders dan neutrale toerekening van rente aan een (winnings)
bedrijf. De parlementaire geschiedenis van de Mijnbouwwet biedt geen aanknopingspunten voor aansluiting bij art. 10a Wet Vpb, nog daargelaten de juistheid van het standpunt van de fiscus dat ontsmetting in art. 10a-gevallen niet mogelijk is. Meer voor de hand ligt aansluiting bij de toerekening van schulden aan een onderneming voor de inkomstenbelasting of de toerekening van schulden aan een winningsbedrijf voor het voormalige staatswinstaandeel, mede gezien (i) de door de wetgever beoogde aansluiting van de grondslagbepaling voor het winstaandeel bij de winstbepaling voor de vennootschapsbelasting en daarmee de inkomstenbelasting, (ii) de van-overeenkomstige-toepassing-verklaring van art. 3.8 Wet IB 2001 in art. 68 Mijnbouwwet Pro en (iii) de toelichting bij de derde nota van wijziging inhoudende dat de regering wilde aansluiten bij de bestaande praktijk van en rechtspraak over de
ring fencingvoor het toenmalige staatswinstaandeel.
BNB1985/57, c.q. een omstandigheid is die ‘in redelijkheid’ een andere dan strikt historische toerekening kan rechtvaardigen in de zin van ABRvS 27 juli 1997, nr. R01.94.0118.
BNB2014/121 houdt in dat resultaten uit verhuur van boorplatforms niet tot het winningsbedrijf behoren, hoewel zij voortkomen uit daaraan gerelateerde zaken, maar dat werpt geen licht op de vraag of de rente op de financiering van voorheen een deelneming maar na de fusie uitsluitend van een winningsbedrijf al dan niet aan dat bedrijf toerekenbaar zijn.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
[A], een naar het recht van Abu Dhabi opgerichte en aldaar gevestigde
joint stock company. Die groep opereert in de olie- en gaswinning, de mijnbouw en de energievoorziening. De handelsnaam van de groep is […] ).
arm’s lengthdeel van de rente ingevolge de zgn.
fungibility approach [4] aftrekbaar is, althans (meer subsidiair) dat de rente aftrekbaar is vanaf het moment van daadwerkelijke fusie (29 december 2009). Dit leidt volgens haar primair tot een winstaandeel ad € 12.349.322 [5] bij een resultaat ad € 43.161.106, subsidiair tot een winstaandeel ad € 13.095.813 bij een resultaat ad € 45.234.834 en meer subsidiair tot een winstaandeel ad € 13.354.456 bij een resultaat ad € 45.953.335. Ter zitting van de Rechtbank heeft de Inspecteur verklaard deze bedragen op zichzelf niet te betwisten.
NTFR2017/476 aan:
primairdat de rentekosten historisch en causaal verband houden met (een lening ter verwerving van) een deelneming en niet met het winningsbedrijf. Vóór noch na de fusie werden met de lening winningsactiviteiten gefinancierd of functies in het winningsbedrijf vervuld. De vermogensetiketteringsregels uit de Wet IB 2001 zijn volgens hem niet op dezelfde wijze van toepassing. Ook als zij wel van toepassing zouden zijn, zou de schuld aan belanghebbendes moeder verplicht buiten het winningsbedrijf vallen, in elk geval na de fusie.
Subsidiairstelde de Inspecteur dat de rente slechts aftrekbaar is voor zover de schuld ziet op het saldo van de activa (naar boekwaarden) en de schulden van [K] BV. Ook dan is geen aftrek mogelijk, nu dat saldo negatief was.
NLF2018/0094:
3.Het geding in cassatie
cassatiemiddelmet rechts- en motiveringsklachten voor waarin ik de volgende vier onderdelen onderken:
ring fencerond het winningsbedrijf voor de bepaling van het winstaandeel volgt dat de fusiebeschikking ex art. 68 Mijnbouwwet Pro (zie 2.8) alleen ziet op vermogensbestanddelen die tot het winningsbedrijf behoren. De lening ad € 139.000.000 valt zowel voor als na de fusie buiten die
ring fence, zodat de daarop betaalde rente niet aftrekbaar is voor het winstaandeel. In termen van financiering wordt een juridische fusie volgens de Staatssecretaris geacht te zijn gefinancierd met eigen vermogen, waaruit eveneens volgt dat de lening geen functie in het winningsbedrijf vervult.
BNB2014/121 [7] volgt dat opbrengsten en kosten uit verhuur van winningsplatforms aan derden buiten de
ring fencevallen. Onduidelijk is de Staatssecretaris waarom het Hof van belang acht de vraag of [K] BV al dan niet andere activiteiten dan het winningsbedrijf had. Het gaat volgens de Staatssecretaris alleen om belanghebbendes activiteiten, waarbij voor het winstaandeel alleen relevant zijn de baten die rechtstreeks voortkomen uit de winning en de kosten die rechtstreeks (functioneel) met die winning verband houden.
deelgericht op verkrijging van het winningsbedrijf van [K] BV.
verweerdat de Inspecteur niet heeft tegengesproken dat zij beoogde de winningsvergunningen van [K] BV te verwerven en dat ’s Hofs oordeel op dat punt feitelijk is en in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Het Hof heeft volgens de belanghebbende terecht geoordeeld dat de geldlening de verwerving van de winningsvergunning en de uitbreiding van haar winningsbedrijf diende. Zij ziet een analogie met HR
BNB1998/193 [8] , waarin u als volgt overwoog over de mogelijkheid om voor vervanging te reserveren na de verkoop van twee
trawlers:
causavan de financieringsschuld ligt in de uitbreiding van belanghebbendes winningsbedrijf. De belanghebbende acht het strikt chronologische verband dat de Staatssecretaris voor renteaftrek eist te eng. Zij verwijst naar een in het dossier gevoegde, niet gepubliceerde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [9] (ABRvS) over het staatswinstaandeel onder de oude Mijnwet continentaal plat. De belanghebbende meent dat de ABRvS in die zaak renteaftrek heeft toegestaan ondanks ontbreken van historisch verband tussen de schuld en het winningsbedrijf. [10] Volgens de belanghebbende bestaat in haar geval ‘een (causaal en finaal) verband’ tussen (de kosten van) de geldlening en het winningsbedrijf, zodat de lening verplicht ondernemingsvermogen is. Subsidiair stelt de belanghebbende dat de lening keuzevermogen is en dat haar keuze voor ondernemingsvermogen blijkt uit haar aangifte voor het winstaandeel, c.q. dat de juridische fusie een bijzondere omstandigheid is die heretikettering rechtvaardigt, zodat de lening per 1 oktober 2009 aan het winningsbedrijf kan worden toegerekend. Voor het geval ’s Hofs uitspraak niet in stand kan blijven, meent de belanghebbende dat verwijzing moet volgen om haar in (hoger) beroep ingenomen (meer) subsidiaire standpunten te doen behandelen (zie 2.10 hierboven).
repliekwijst de Staatssecretaris erop dat andere dochters van [J] BV (dan [K] BV) niet aan derden zijn verkocht, maar aan belanghebbendes directe aandeelhouder. Hij bestrijdt dat vast zou staan dat de acquisitie uitsluitend gericht was op overname van het winningsbedrijf en stelt dat uit ’s Hofs uitspraak blijkt dat de Inspecteur die stelling heeft betwist. Hij zet voorts uiteen waarom belanghebbendes (meer) subsidiaire stellingen volgens hem onjuist zijn.
dupliekherhaalt de belanghebbende dat de Staatssecretaris volgens haar opkomt tegen een niet-onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd feitelijk oordeel en licht zij haar eerdere stellingen nader toe.
4.Wetgeving en beleid
5.Het winstaandeel en de ring fence
ring fencewordt betrokken, i.e. de winst behaald met het winningsbedrijf (zie de artt. 66-67). De
ring fenceis een denkbeeldige cirkel die het winningsbedrijf afscheidt van de overige activiteiten van een vergunninghouder, zo blijkt uit de MvT [19] en de derde Nota van Wijziging [20] bij de Mijnbouwwet:
BNB2014/121 [21] dat inkomsten (opbrengsten minus kosten) uit derdengebruik van platforms en pijpleidingen niet meetellen voor het winstaandeel:
Kamerstukken II, 1998-1999, 26219, nr. 16, blz. 20, opgemerkt:
ring fencewas in het voorgestelde art. 62(4) opgenomen en hield in dat voor het winstaandeel onder het winnen van koolwaterstoffen mede zouden worden begrepen ‘daarmee samenhangende activiteiten’. [22] De MvT omschreef die samenhangende activiteiten als volgt: [23]
metde winning behaalde winst, maar ook over de
doorde winning behaalde winst. Daarmee wordt bedoeld dat aan het «winningsbedrijf» alle direct en indirect met de winning samenhangende voordelen worden toegerekend. De formulering «en daarmee samenhangende activiteiten» heeft praktisch dezelfde betekenis als «door», maar geeft duidelijker dan in de huidige regeling aan dat het bij de toerekening van voordelen uit anderen hoofde moet gaan om activiteiten die technisch-functioneel met de winning verband houden. In zekere zin ligt daarin een begrenzing van de toerekening van voordelen aan het winningsbedrijf. Voor de vaststelling van het winstaandeel blijven de voordelen die zijn behaald uit activiteiten die geen relatie hebben met de winning buiten beschouwing. De resultaten van activiteiten die samenhangen met het winnen van koolwaterstoffen worden wèl betrokken bij de berekening van het winstaandeelresultaat . Als voorbeeld kan worden genoemd het resultaat dat de vergunninghouder behaalt met de bewerking en behandeling van gas op diens platform ten behoeve van een afnemer of van derden.”
ring fencezijn geplaatst en voor de bepaling van het winstaandeel dus niet relevant zijn (zie 5.5), is hoe dan ook duidelijk dat opbrengsten en kosten in verband met een deelneming irrelevant zijn voor de bepaling van het winstaandeel.
6.Aan het winningsbedrijf toerekenbare kosten
BNB1985/57 [24] heeft u de hoofdregel gepostuleerd dat een lening, behoudens bijzondere omstandigheden, verband blijft houden met de bezitting tot financiering waarvan zijis aangegaan, i.e. toerekening volgens de historische methode:
BNB1985/57:
f150 miljoen aftrekken. De lening was gebruikt voor een dividenduitkering en een lening aan haar moedermaatschappij. [28] Bedrijfseconomisch was het resultaat daarvan dat het winningsbedrijf met relatief meer vreemd vermogen werd gefinancierd. De ministers van Economische Zaken en Financiën weigerden echter renteaftrek wegens ontbreken van een strikt historisch verband de lening en de financiering van activa voor de winning van delfstoffen. [29] De ABRvS overwoog dat ook bij toerekening van schulden aan een winningsbedrijf de historische methode uitgangspunt is, maar het redelijk kan zijn dat ook een later (dan de aanschaf van de winningsactiva) aangegane lening (mede) toegerekend wordt aan die activa:
BNB1985/57 (zie 6.2) neemt de ABRvS dus het historische verband tussen de schuld en de daarmee gefinancierde bezittingen tot uitgangspunt. U maakte een uitzondering voor ‘bijzondere omstandigheden’; de ABRvS voor gevallen waarin de ‘redelijkheid’ dat meebrengt. Ik neem aan dat beide uitzonderingen op het historisch-verbandbeginsel op hetzelfde neerkomen. Ik merk op dat het Hof Den Haag [30] voor de vennootschapsbelasting strenger was en dezelfde rente op dezelfde lening voor het overgrote deel niet in aftrek toeliet omdat er een dividenduitkering mee was gefinancierd, maar dat dat Hof de feiten ook iets anders had vastgesteld dan de ABRvS: de lening was zijns inziens mede gebruikt voor lopende uitgaven van de Nederlandse v.i. en voor beleggingen vanaf een Amerikaanse bankrekening en de Nederlandse v.i. had in eerdere jaren een lening afgelost uit gerealiseerde winsten.
HR 2 november 1960, nr. 13 349, BNB 1961/13 (noot P. den Boer).
Hof Amsterdam 13 maart 2006, nr. 05/0169, V-N 2006/37.12.
Hof ’s-Gravenhage 13 januari 1992, nr. 89/5274, V-N 1992, p. 1599 e.v.”
BNB2001/398, r.o. 4.2, dat het hof, door te oordelen dat ‘rechtstreekse verbanden’, c.q. ‘directe samenhang’ tussen een geldlening en een uitdeling ontbraken, tot uitdrukking had gebracht dat de rechtshandelingen geen ‘samenstel van rechtshandelingen’ vormden. Daarvan uitgaande kon het leerstuk fraus legis niet worden toegepast. In HR 8 oktober 2004,
BNB2005/51 en met name HR 17 juni 2005,
BNB2005/304 heeft de Hoge Raad, mijns inziens, art. 10a toegepast in het licht van de frauslegis- en richtigeheffingjurisprudentie (zie par. 5.7.4). Uit de geschiedenis van de Wet werken aan winst blijkt dat de wetgever uitdrukkelijk afstand heeft willen nemen van deze jurisprudentie (zie par. 5.7.5). Ook wanneer een samenstel van rechtshandelingen ontbreekt, en het verband pas na verloop van tijd ontstaat, maar wel enig verband tussen rechtshandeling en schuld bestaat, kan de renteaftrek beperkt worden. Met de wijziging per 1 januari 2007, waardoor ook indirecte verbanden volstaan, heeft de wetgever met art. 10a op dit punt derhalve verder willen gaan dan een codificatie van jurisprudentie. Hoe ver, is niet duidelijk.”
7.Beoordeling van het cassatieberoep
Algemeen
fraus legiswegens winstdrainage, wellicht ervan uitgaande dat een dergelijk beroep geen zin heeft als de gelieerde lening niet onzakelijk is omgeleid. [37] Ik zie ook overigens in de Mijnbouwwet geen renteaftrekbeperking voor het geval activa van een winningsbedrijf met leningen worden gefinancierd door een gelieerde crediteur die niet met winstaandeel wordt belast, nu verstrekking van leningen geen winningsactiviteit is, ook niet als het geld aan een winningsbedrijf wordt uitgeleend voor de financiering van winningsactiva.
in casurenteaftrek had geblokkeerd (via art. 68 Mijnbouwwet Pro) voor de bepaling van het winstaandeel. Art. 14b(9) Wet Vpb beperkt immers aftrek pas als de rente het belastbare resultaat overstijgt dat de belastingplichtige zonder fusie had behaald.
ring fencevan het winningsbedrijf, waardoor de rente niet aftrekbaar is voor het winstaandeel (zie onderdeel 5).
besmette rechtshandelingin het kader van antimisbruikwetgeving zoals art. 10a Wet Vpb is mijns inziens echter iets anders dan neutrale toerekening van rente aan een (winnings)
bedrijf. Een rechtshandeling blijft inderdaad onveranderlijk diezelfde rechtshandeling en bij misbruikwetgeving spelen antifiscale motieven een belangrijke rol; een onderneming en haar financiering daarentegen veranderen voortdurend en geheel los van antifiscale bedoelingen. De parlementaire geschiedenis van de Mijnbouwwet biedt geen aanknopingspunten voor de onveranderlijk historische toerekening van schulden die althans de Staatssecretaris (als uitvoerende macht) onder art. 10a Wet Vpb aangewezen acht.
ring fencingvoor het toenmalige staatswinstaandeel.
BNB1985/57 (zie 6.2), c.q. een omstandigheid is die ‘in redelijkheid’ een andere dan strikt historische toerekening meebrengt in de zin van ABRvS 27 juli 1997, nr. R01.94.0118 (zie 6.4).
BNB1961/13 (zie 6.5) denkelijk aan het winningsbedrijf toegerekend. Wel was dan ook afgerekend over de meerwaarden en goodwill van [K] BV, maar de vraag is hoe relevant dat is, gegeven de fusiebeschikking, en ook die omstandigheid kan uitgeschakeld worden door een voorbeeld te nemen waarin activavervanging plaatsvindt met toepassing van de ruilarresten: ondanks de niet-afrekening als gevolg van de toepassing van de ruilarresten zal de lening die het oude activum financierde, na gebruik van de verkoopopbrengst van dat activum voor de aanschaf van het nieuwe activum dat nieuwe activum financieren. De Staatssecretaris zal wellicht tegenwerpen dat de ruilarresten niet van toepassing zijn op vervanging van een deelneming door een winningsbedrijf omdat zij economisch-functioneel niet dezelfde plaats in het vermogen van een belastingplichtige innemen, maar (i) het Hof heeft in wezen geoordeeld dat zulks in casu wél het geval is en (ii) de fiscus zelf heeft die vervanging in casu wel degelijk gefacilieerd.
BNB1998/194 [40] volgt dat de lening voor de overname van een onderneming onverkort ondernemingsvermogen is ook als de overdracht van de onderneming fiscaal wordt gefacilieerd.
BNB2014/121 inhoudt dat opbrengsten en kosten uit de verhuur van boorplatforms niet tot het winningsbedrijf behoren, hoewel zij voortkomen uit daaraan gerelateerde zaken, maar dat arrest werpt mijns inziens geen licht op de vraag of de rente op de financiering van voorheen een deelneming maar na een juridische fusie uitsluitend een winningsbedrijf al dan niet aan dat bedrijf toerekenbaar zijn.