Conclusie
middelen
eerste middel) blijkt uit het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van aanhouding van de opsporingsambtenaar dat hij de verdachte meermaals heeft gevraagd het politiebureau te verlaten en daartoe – eveneens herhaaldelijk – een vordering heeft gedaan. In aanmerking genomen hetgeen in het voorgaande is overwogen alsmede gelet op de bewijsmiddelen, waaruit volgt dat aan de verdachte op niet mis te verstane wijze duidelijk gemaakt is dat degene die vorderde dat hij het pand zou verlaten een opsporingsambtenaar was, geeft ’s hofs oordeel dat bewezen kon worden dat het hier ging om een bevoegde ambtenaar in de zin van art. 139 Sr Pro geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is voorts niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Het kennelijke oordeel van het hof dat het verblijf van de verdachte op het politiebureau wederrechtelijk is geworden na het niet voldoen aan de vorderingen van de opsporingsambtenaar, getuigt – gelet op het voorgaande – voorts niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk en noodzaakt niet tot nadere motivering. Ik teken daarbij aan dat op dat punt, zo blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting, ook geen verweer is gevoerd.
tweede middel) en 21-001884-15 (het
derde middel) blijkt dat de vorderende ambtenaren in kwestie in dienst waren van de politie en belast waren met de bewaking van de orde in het gerechtsgebouw in Groningen. In aanmerking genomen hetgeen hiervoor, onder 3.10 is overwogen geeft ’s hofs oordeel dat bewezen kon worden dat het hier ging om bevoegde ambtenaren in de zin van art. 139 Sr Pro geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is voorts niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte zich beide malen wederrechtelijk ophield in het gerechtsgebouw vanaf zijn weigering te voldoen aan de vorderingen van de opsporingsambtenaren, getuigt voorts niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk en noodzaakt niet tot nadere motivering. Ten aanzien van het feit met parketnummer 18-038612-16 is niet relevant dat niet zou blijken hoeveel tijd er heeft gezeten tussen de eerste vordering en de tweede, nu uit de bewijsmiddelen reeds volgt dat de verdachte gedrag vertoonde dat erop duidde dat hij geen aanstalten maakte om te vertrekken. [12] Dat ten aanzien van het feit onder parketnummer en 21-001884-15 evenmin zou blijken van het tijdsverloop tussen de twee vorderingen en meer in het bijzonder van de gelegenheid die de verdachte al dan niet heeft gehad om tussen de vorderingen te vertrekken teneinde het plegen van het misdrijf van art. 139 Sr Pro nog af te wenden, doet evenmin af aan de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat de verdachte – alvorens hij werd aangehouden wegens het niet voldoen aan de vorderingen – stelde dat hij voor niemand bang was en dat hij niet weg zou gaan.