ECLI:NL:PHR:2018:858

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 oktober 2018
Publicatiedatum
23 augustus 2018
Zaaknummer
17/01472
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 139 SrArt. 138 SrArt. 172 GemeentewetArt. 11 Politiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bevoegdheid opsporingsambtenaren bij lokaalvredebreuk in politiebureau en gerechtsgebouw

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens meermalen gepleegde lokaalvredebreuk door zich niet te verwijderen op vordering van bevoegde ambtenaren in een politiebureau en gerechtsgebouw. Hij werd veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken met een proeftijd van twee jaar.

Het cassatieberoep richtte zich op de vraag of de vorderingen tot verwijdering waren gedaan door bevoegde ambtenaren en of het verblijf van verdachte daadwerkelijk wederrechtelijk was. De Hoge Raad oordeelde dat onder 'bevoegde ambtenaar' in art. 139 lid 1 Sr Pro ook opsporingsambtenaren vallen die onder gezag van de burgemeester optreden ter handhaving van de openbare orde.

De Hoge Raad verwierp de middelen van cassatie die stelden dat het hof onjuiste rechtsopvattingen had over de wederrechtelijkheid en bevoegdheid van de ambtenaren. Uit de bewijsmiddelen bleek dat verdachte herhaaldelijk was gevorderd het lokaal te verlaten door opsporingsambtenaren en dat hij weigerde, waardoor het verblijf wederrechtelijk werd.

De Hoge Raad bevestigde dat het hof de bewezenverklaringen voldoende en begrijpelijk had gemotiveerd en dat het oordeel dat de vorderingen door bevoegde ambtenaren waren gedaan niet onjuist was. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de veroordeling in stand bleef.

Uitkomst: Het cassatieberoep is verworpen en de veroordeling voor meermalen gepleegde lokaalvredebreuk is bevestigd.

Conclusie

Nr. 17/01472
Zitting: 16 oktober 2018
Mr. A.E. Harteveld
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft de verdachte bij arrest van 7 maart 2017 ter zake van “wederrechtelijk in een voor de openbare dienst bestemd lokaal vertoevende, zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijderen”, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken met een proeftijd van twee jaren.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. N. van der Laan en D. Bektesevic, advocaten te Amsterdam, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.
De
middelen
3.1. De drie middelen klagen, elk ten aanzien van een andere bewezenverklaring, dat het hof ten onrechte de bestanddelen ‘wederrechtelijk’ en ‘bevoegde ambtenaar’ in de zin van art. 139 lid 1 Sr Pro bewezenverklaard heeft, althans dat die bewezenverklaringen ontoereikend dan wel onbegrijpelijk zijn gemotiveerd. De middelen bevatten naar de kern genomen dezelfde klachten, reden waarom zij zich grotendeels lenen voor een gezamenlijke bespreking.
3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“Zaak met parketnummer 18-034495-16:
hij op 16 februari 2016 te Winschoten, gemeente Oldambt, in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten het politiebureau, wederrechtelijk aldaar vertoevende zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar, aanstonds heeft verwijderd.
Zaak met parketnummer 18-038612-16 (gevoegd):
hij op 22 februari 2016, te Groningen in een voor de openbare dienst bestemd lokaal te weten de rechtbank te Groningen, wederrechtelijk aldaar vertoevende zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar, aanstonds heeft verwijderd.
Zaak met parketnummer 21-001884-15 (gevoegd):
hij op 14 maart 2014, in de gemeente Groningen, in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten het gerechtsgebouw aan het Guyotplein 1, wederrechtelijk aldaar vertoevende zich met op de vordering van de bevoegde ambtenaar, aanstonds heeft verwijderd.”
3.3. Daartoe heeft het hof de volgende bewijsmiddelen gebezigd:
“Zaak met parketnummer 18-034495-16:
1. Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal aanhouding, d.d. 16 februari 2016 (pagina 3 en verder van een dossier met nummer PLO 100-2016046520) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
als relaas van verbalisant:
Op dinsdag 16 februari 2016, omstreeks 11:45 uur, liep ik, verbalisant, het politiebureau te Winschoten, gemeente Oldambt, binnen. In de publieks/ontvangsthal aangekomen zag ik de mij ambtshalve bekende [verdachte] voor de balie aldaar staan. Hij was in een heftig gesprek verwikkeld met de dienstdoende servicemedewerkster van politie Nederland, [betrokkene 1]. Ik zag dat [verdachte] met zijn armen heftige bewegingen maken. Tevens sprak hij met zeer luide stem. Ik zag en hoorde dat [verdachte] niet voor rede vatbaar was. [verdachte] luisterde niet naar de uitleg van mijn collega [betrokkene 1], voornoemd. Na dit heel even te hebben aanschouwd, liep ik, verbalisant, vervolgens het politiebureau verder binnen. Aangekomen in het servicecentrum zag ik, verbalisant, nog net dat [verdachte] met veel ophef het bureau verliet. Nog geen minuut later zag ik dat [verdachte] wederom het bureau betrad. Hij was nog steeds zichtbaar en hoorbaar boos. Ik hoorde mijn collega [betrokkene 1], voornoemd, tegen mij zeggen of ik bereid was [verdachte] te vragen of hij het bureau wilde verlaten. Collega [betrokkene 1] had [verdachte] meerdere malen geprobeerd uit te leggen hoe het met 'zijn zaak' zat, maar zonder soelaas.
Daarop liep ik, verbalisant, omstreeks 11:50 uur, de ontvangsthal binnen en sprak [verdachte] aan. Hij vertoonde nog steeds een verhitte toestand. Hij ging opnieuw met zijn armen zwaaien en sprak wederom met zeer luide stem. Ik vroeg hem vervolgens het politiebureau te verlaten. Ik was in burger gekleed en maakte op niet mis verstane wijze aan [verdachte] duidelijk dat ik van de politie was en dat hij het bureau onmiddellijk moest gaan verlaten. Onderwijl toonde ik mijn legitimatiebewijs. Nadat ik, verbalisant, [verdachte] meerdere malen had gesommeerd het bureau te verlaten, hoorde ik [verdachte] tegen mij zeggen dat hij dit niet wenste te doen. Dit herhaalde hij meerdere malen. Daarop vorderde ik, verbalisant, [verdachte] meerdere malen dat hij het politiebureau onmiddellijk moest verlaten. Ik deed dit met de woorden: 'Ik vorder van U dat U het politiebureau onmiddellijk verlaat'. Ik deed dit tot viermaal toe. Ik zag dat [verdachte] voor de balie bleef staan en geen aanstalten maken om het bureau te verlaten.
Tevens hoorde ik [verdachte] meerdere malen tegen mij zeggen: 'ik ga niet weg'. [verdachte] werd door mij aangehouden.
2. Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 16 februari 2016 (pagina 6 en verder van het onder 1. genoemde dossier) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
als verklaring van verdachte:
Ik kwam vandaag (het hof begrijpt: 16 februari 2016) het politiebureau binnen om te vragen hoe het ervoor stond met mijn zaak die in behandeling is bij de politie te Winschoten. Ik stond bij de balie. Ik zag dat er een onbekende man naar mij toe kwam. Ik zag dat de man van buiten naar binnen kwam. Ik hoorde de man zeggen: Ik beveel jou nu hier het pand te verlaten. Ik heb de man dat drie keer horen zeggen.
Zaak met parketnummer 18-038612-16 (gevoegd):
1. Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal aanhouding, d.d. 22 februari 2016 (pagina 4 en verder van een dossier met nummer PL0100-2016052463) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
als relaas van verbalisanten:
Op maandag 22 februari 2016 was ik verbalisant [verbalisant 1], in dienst van de politie Noord Nederland, belast met het toezicht houden en handhaven van de openbare orde in de rechtbank te Groningen. Ik, verbalisant, zag [verdachte] in de openbare hal bij de enquetekamers zitten. Ik, verbalisant, hoorde dat de bode mij vertelde dat [verdachte] die dag geen zitting had en dus geen reden had om in de rechtbank aanwezig te zijn. Ik hoorde dat de bode mij vertelde dat [verdachte] had medegedeeld dat hij niet eerder zou vertrekken dan dat hij een rechter te spreken kreeg. Ik, verbalisant, heb [verdachte] uitgelegd dat zijn aanwezigheid in de rechtbank niet gewaardeerd werd en dat hij beter kon vertrekken. Hierop hoorde ik, verbalisant, [verdachte] zeggen dat hij niet van plan was te vertrekken voordat hij met een rechter had gesproken. Ik, verbalisant, heb [verdachte] uitgelegd dat hij geen rechter te spreken zou krijgen en dat hij verzocht werd om het gebouw te verlaten. Ik, verbalisant, hoorde [verdachte] hierop zeggen dat hij niet van plan was te vertrekken. Ik, verbalisant, heb [verdachte] uitgelegd dat als hij niet vrijwillig zou vertrekken dat ik hem dan zou gaan vorderen en dat hij dan moest vertrekken omdat hij anders zou worden aangehouden. Ik, verbalisant, hoorde dat [verdachte] hierop antwoordde dat hem dat niks zou uitmaken en dat hij niet zou vertrekken. Ik, verbalisant, heb [verdachte] hierop tweemaal gevorderd om de rechtbank te verlaten. Ik zag dat [verdachte] geen aanstalten maakte om te vertrekken. Hierop heb ik, verbalisant, met verbalisant [verbalisant 2] [verdachte] aangehouden.
2. Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 22 februari 2016 (pagina 6 en verder van het onder 1. genoemde dossier) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
als verklaring van verdachte:
Ik kwam vandaag 22 februari 2016 bij de infobalie. De baliemedewerker gaf aan dat hij niks voor mij kon betekenen. Ik gaf aan dat ik dan iemand in de Rechtbank zou gaan zoeken die mij wel te woord zou staan. Ik ben gaan zitten bij de zittingskamers om te wachten. Ik zag dat er twee man van de politie aan kwamen lopen. Ik werd door een vrouwelijke politieagente aangesproken. Zij gaf aan dat ik niet welkom was hier en ze gaf aan dat ik wel wist waarom. Ik gaf aan dat ik niet weg zou gaan tot er iemand mij te woord zou staan aan de hand van de meegenomen stukken. Ik heb de politie mijn brief laten zien. Ik hoorde dat de vrouwelijke politieagente, mij verzocht het pand te verlaten. Ik hoorde dat ze dit twee of drie keer herhaalde.
Zaak met parketnummer 21-001884-15 (gevoegd):
1. Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal aanhouding, d.d. 14 maart 2014 (opgenomen in het niet genummerde dossier met nummer PL01TM-2014028047) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
als relaas van verbalisanten:
Op vrijdag 14 maart 2014 omstreeks 12:10 uur, hielden wij op de locatie Guyotplein 1,9712 NX Groningen (rechtbank), als verdachte aan: [verdachte].
Ik, verbalisant [verbalisant 3], belast met de bewaking van de orde in het gerechtsgebouw te Groningen, werd op vrijdag 14 maart 2014 rond 12:00 uur door de portier van het gerechtsgebouw verzocht om een persoon naar de informatiebalie van het gerechtsgebouw te begeleiden. Ik, verbalisant [verbalisant 3], zag dat de mij ambtshalve bekende [verdachte] bij de portiersloge van het gerechtsgebouw stond. Mij, verbalisant [verbalisant 3], is ambtshalve bekend dat deze [verdachte] zich tijdens eerdere bezoeken intimiderend heeft gedragen en uitgelaten tegenover rechtbankmedewerkers. Ik, verbalisant [verbalisant 3], weet ambtshalve dat door de beveiliging van de rechtbank te kennen is gegeven dat hij alleen welkom is in het gerechtsgebouw indien hij een daadwerkelijk doel heeft om het gebouw te betreden en dat dit alleen mogelijk is onder begeleiding van de parketpolitie.
Ik, verbalisant [verbalisant 3], ben vervolgens samen met die [verdachte] gelopen naar de informatiebalie. Aldaar zag ik, verbalisant [verbalisant 3], dat [verdachte] een brief overlegde aan die medewerker. Ik zag en hoorde dat [verdachte] tegen die medewerker van de rechtbank zei dat hij een gesprek wenste. Ik hoorde de medewerker van de rechtbank tegen [verdachte] zeggen dat er geen gesprek mogelijk was en dat hem dat al middels een brief te kennen was gegeven. Ik, verbalisant [verbalisant 3], hoorde vervolgens dat de medewerker van de rechtbank driemaal tegen [verdachte] zei dat deze het gerechtsgebouw diende te verlaten en dat deze medewerker anders de parketpolitie zou gaan vragen om deze [verdachte] te verwijderen. Ik, verbalisant [verbalisant 3], hoorde [verdachte] zeggen dat hij het gebouw niet wilde verlaten. Vervolgens heb ik, verbalisant [verbalisant 3], [verdachte] driemaal gevorderd om het gebouw te verlaten. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat hij voor niemand bang was en dat hij niet weg zou gaan. Omdat hij niet aan de vorderingen voldeed is [verdachte] door ons, verbalisanten, aangehouden.
2. Een in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 14 maart 2014 (opgenomen in het onder 1. genoemde dossier) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
als verklaring van verdachte:
Ik ben vandaag (het hof begrijpt: 14 maart 2014) naar de rechtbank gekomen voor uitleg over wat mij is aangedaan. U zegt mij dat ik mij strafbaar heb gemaakt aan lokaalvredebreuk.
Ik heb wel gehoord dat ik het gebouw uit moest, maar dat wilde ik niet.”
3.4. Art. 139 lid 1 Sr Pro luidt als volgt:
“Hij die een voor de openbare dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringt, of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”
3.5. De uitvoerige toelichting op de middelen komt er in de kern op neer dat de (kennelijke) opvatting van het hof dat het voor de beantwoording van de vraag of sprake is van wederrechtelijkheid als bedoeld in art. 139 Sr Pro geen verschil maakt wie de persoon sommeert een voor openbare dienst bestemd lokaal te verlaten, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat uit de bewijsmiddelen volgt dat sprake is van wederrechtelijkheid zou dat oordeel voorts onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd zijn. [1] Ten tweede wordt geklaagd over de bewezenverklaring voor zover daarin besloten ligt dat elke ambtenaar bevoegd is een vordering als bedoeld in art. 139 Sr Pro te doen. Reeds om de enkele reden dat in die opvatting het (deel)bestanddeel ‘bevoegde’ elke waarde zou worden ontnomen, zou dat oordeel getuigen van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de ambtenaar bevoegd was de vordering te doen, zou ook dat oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd zijn. [2]
3.6. De klachten vinden hun grondslag blijkens de toelichting(en) op de middelen in de opvatting dat, nu niet blijkt dat het verblijf van de verdachte in het politiebureau in Winschoten, respectievelijk de rechtbank Groningen, van meet af aan wederrechtelijk was, uit de bewijsmiddelen zou moeten volgen dat zijn verblijf op enig moment wederrechtelijk is geworden. Voor de uitleg van het begrip ‘wederrechtelijk’ gaan de stellers van de middelen uit van de uitleg van datzelfde begrip uit art. 138 Sr Pro, inhoudend kortweg ‘tegen de wil van de rechthebbende’. [3] Daarmee wordt echter miskend dat art. 139 Sr Pro op in ieder geval twee punten inhoudelijk afwijkt van art. 138 Sr Pro. Naast de afwijkende ruimte [4] verschilt immers ook het begrip ‘rechthebbende’, in die zin dat art. 139 Sr Pro in plaats daarvan spreekt van ‘een bevoegde ambtenaar’. [5]
3.7. Van wederrechtelijkheid van het verblijf van een persoon in een voor de openbare dienst bestemd lokaal in de zin van art. 139 Sr Pro kan worden gesproken ingeval door diegene geen gehoor wordt gegeven aan een (herhaalde) vordering om zich te verwijderen. [6] De stellers van de middelen geven terecht aan dat de vraag wanneer sprake is van wederrechtelijk vertoeven in de zin van art. 139 Sr Pro en de vraag welke ambtenaar bevoegd is tot het doen van een zodanige vordering in elkaars verlengde liggen, zij het dat met hun uitleg van dat verband wordt miskend dat beantwoording van de tweede vraag een noodzakelijke voorwaarde vormt voor de beantwoording van de eerste vraag. Met het niet voldoen aan een vordering om zich te verwijderen van een daartoe bevoegde ambtenaar wordt het voortgezette verblijf immers wederrechtelijk.
3.8. Onder ‘bevoegde ambtenaar’ in de zin van art. 139 Sr Pro kan volgens Fokkens worden verstaan “de ambtenaar bevoegd ter plaatse zijn wil te doen gelden tegenover hem die wil binnenkomen of vertoeft. Hij moet het over het lokaal ‘te zeggen hebben’ onder de omstandigheden waaronder en op het ogenblik waarop het feit gepleegd wordt”. [7] De Hoge Raad bepaalde in 2004 dat onder de term ‘ambtenaar’ in de zin van voornoemd artikel degene valt die onder toezicht en verantwoording van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd. [8]
3.9. Ten aanzien van alle drie de feiten kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat de vordering is gedaan door een opsporingsambtenaar. De middelen komen nadrukkelijk [9] niet op tegen het oordeel van het hof dat sprake was van een ‘ambtenaar’ zoals bedoeld in art. 139 Sr Pro. [10]
3.10. Voor de beantwoording van de vraag of een opsporingsambtenaar als bevoegde ambtenaar in de zin van art. 139 Sr Pro kan worden aangemerkt, is van belang dat art. 139 Sr Pro een misdrijf tegen de openbare orde is. De burgemeester is op basis van art. 172 lid 1 van Pro de Gemeentewet belast met de handhaving van de openbare orde. [11] Het tweede lid van dat artikel luidt:
“De burgemeester is bevoegd overtredingen van wettelijke voorschriften die betrekking hebben op de openbare orde, te beletten of te beëindigen. Hij bedient zich daarbij van de onder zijn gezag staande politie.”
Voorts luidt art. 11 lid 1 van Pro de Politiewet in dat verband als volgt:
“Indien de politie in een gemeente optreedt ter handhaving van de openbare orde en ter uitvoering van de hulpverleningstaak, staat zij onder gezag van de burgemeester.”
Op basis van deze bepalingen kunnen opsporingsambtenaren worden aangemerkt als bevoegde ambtenaren in de zin van art. 139 Sr Pro.
3.11. Ten aanzien van het feit met parketnummer 18/034495-16 (het
eerste middel) blijkt uit het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van aanhouding van de opsporingsambtenaar dat hij de verdachte meermaals heeft gevraagd het politiebureau te verlaten en daartoe – eveneens herhaaldelijk – een vordering heeft gedaan. In aanmerking genomen hetgeen in het voorgaande is overwogen alsmede gelet op de bewijsmiddelen, waaruit volgt dat aan de verdachte op niet mis te verstane wijze duidelijk gemaakt is dat degene die vorderde dat hij het pand zou verlaten een opsporingsambtenaar was, geeft ’s hofs oordeel dat bewezen kon worden dat het hier ging om een bevoegde ambtenaar in de zin van art. 139 Sr Pro geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is voorts niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Het kennelijke oordeel van het hof dat het verblijf van de verdachte op het politiebureau wederrechtelijk is geworden na het niet voldoen aan de vorderingen van de opsporingsambtenaar, getuigt – gelet op het voorgaande – voorts niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk en noodzaakt niet tot nadere motivering. Ik teken daarbij aan dat op dat punt, zo blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting, ook geen verweer is gevoerd.
3.12. Het middel faalt.
3.13. Uit de bewijsmiddelen die ten grondslag zijn gelegd aan de bewezenverklaringen van de feiten met parketnummer 18-038612-16 (het
tweede middel) en 21-001884-15 (het
derde middel) blijkt dat de vorderende ambtenaren in kwestie in dienst waren van de politie en belast waren met de bewaking van de orde in het gerechtsgebouw in Groningen. In aanmerking genomen hetgeen hiervoor, onder 3.10 is overwogen geeft ’s hofs oordeel dat bewezen kon worden dat het hier ging om bevoegde ambtenaren in de zin van art. 139 Sr Pro geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is voorts niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte zich beide malen wederrechtelijk ophield in het gerechtsgebouw vanaf zijn weigering te voldoen aan de vorderingen van de opsporingsambtenaren, getuigt voorts niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk en noodzaakt niet tot nadere motivering. Ten aanzien van het feit met parketnummer 18-038612-16 is niet relevant dat niet zou blijken hoeveel tijd er heeft gezeten tussen de eerste vordering en de tweede, nu uit de bewijsmiddelen reeds volgt dat de verdachte gedrag vertoonde dat erop duidde dat hij geen aanstalten maakte om te vertrekken. [12] Dat ten aanzien van het feit onder parketnummer en 21-001884-15 evenmin zou blijken van het tijdsverloop tussen de twee vorderingen en meer in het bijzonder van de gelegenheid die de verdachte al dan niet heeft gehad om tussen de vorderingen te vertrekken teneinde het plegen van het misdrijf van art. 139 Sr Pro nog af te wenden, doet evenmin af aan de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat de verdachte – alvorens hij werd aangehouden wegens het niet voldoen aan de vorderingen – stelde dat hij voor niemand bang was en dat hij niet weg zou gaan.
3.14. Ook deze middelen falen.
4. Alle middelen falen en kunnen met de aan art. 81 RO Pro ontleende overweging worden afgedaan.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie - naast de inleiding van de schriftuur - met name onder nr. 28, 57 en 75.
2.Zie - naast de inleiding van de schriftuur - met name onder nr. 41, 57 en 75.
3.Onder verwijzing naar J.M. ten Voorde in Tekst en Commentaar Strafrecht, commentaar bij art. 139 Sr Pro. Ik begrijp dat gedoeld zal zijn op het commentaar bij art. 139 aant Pro. 1 en art. 138, aant. 9e.
4.Waar art. 138 Sr Pro spreekt van ‘de woning of het besloten lokaal of erf’, gaat het in art. 139 Sr Pro om ‘een voor openbare dienst bestemd lokaal’.
5.J.M. ten Voorde in Tekst en Commentaar Strafrecht, commentaar bij art. 139 Sr Pro, aant. 1 en art. 138, aant. 9e (actueel tot en met 1 juli 2018).
6.Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Aben voorafgaand aan HR 3 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8708 (81 RO), onder punt 6, zie ook J.W. Fokkens in Noyon-Langemeijer-Remmelink Strafrecht, commentaar bij art. 139, aant. 1, aant. 3 en aant. 4 commentaar bij art. 138 en Pro aant. 22 (actueel tot en met 20 september 2017).
7.J.W. Fokkens in Noyon-Langemeijer-Remmelink Strafrecht, aant. 4 op art. 139 (actueel tot en met 20 september 2017), zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Paridaens van 26 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:665, onder punt 26.
8.HR 18 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2599,
9.Zie ten aanzien van middel 1 onder randnummer 30, ten aanzien van middel 2 onder randnummer 49, onder verwijzing naar 29 e.v., en ten aanzien van middel 3 randnummer 59 van de schriftuur, waarin verzocht wordt om het gehele kader dat ten aanzien van middel 1 is geschetst en de in dat verband aangevoerde argumenten als aldaar herhaald en ingelast te beschouwen.
10.Hierbij verwijst de steller naar HR 18 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2599,
11.Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Paridaens van 26 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:665, onder punt 28.
12.Zie onder nr. 56, 70 en 74 van de schriftuur.