Conclusie
Het verweer
2.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelricht een rechts- althans motiveringsklacht tegen het oordeel dat in deze zaak geen uitzondering kan worden gemaakt op de Baijingsleer.
tweede onderdeelbevat een louter voortbouwende klacht.
Tulkens/FNVzou een andersluidende opvatting leiden tot een opeenstapeling van procedures, hetgeen de bijl zou zetten aan de procedure van art. 7:685 BW Pro, die is bedoeld als snel en effectief [10] . Hij vervolgt:
Drankencentrale Waterland/ [B] [11] is verduidelijkt dat de regel van exclusieve werking van de ontbindingsbeschikking uit het Baijingsarrest ziet op aanspraken die zijn gegrond op wat de redelijkheid en billijkheid of de eisen van goed werkgeverschap meebrengen in verband met de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Onder deze regel valt zodoende niet een vordering tot nakoming van een contractuele afvloeiingsregeling. Uit verdere jurisprudentie van Uw Raad volgt dat onder de regel uit het Baijingsarrest ook niet valt een vordering tot nakoming van een in een CAO neergelegde wachtgeldregeling [12] of een vordering gebaseerd op een beëindigingsovereenkomst in samenhang met het sociaal plan [13] . Evenmin vallen hieronder aanspraken van de werknemer die zijn ontstaan tijdens de dienstbetrekking, zien op de periode voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst en geen verband houden met de (wijze van) beëindiging van de arbeidsovereenkomst of de gevolgen daarvan, zoals bijvoorbeeld een aanspraak op achterstallig loon [14] . Deze laatste uitzondering geldt ook indien aan de betreffende aanspraken dezelfde feiten ten grondslag worden gelegd die in de ontbindingsprocedure aan de orde zijn geweest [15] .
Baijings-arrest zelf [16] . Wanneer de rechter in de ontbindingsprocedure uitdrukkelijk te kennen geeft dat bij het vaststellen van de hoogte van de aan de werknemer toegekende vergoeding een bepaalde, met de ontbinding verband houdende, aanspraak niet wordt meegewogen en dat de werknemer daarover een afzonderlijke procedure zou kunnen voeren, leidt een redelijke wetstoepassing tot aanvaarding van de mogelijkheid dat een zodanige aanspraak in een afzonderlijk geding aan de hand van de eisen van redelijkheid en billijkheid wordt beoordeeld, hoe zeer het in het algemeen ook ongewenst is dat de rechter bij het vaststellen van de door hem toe te kennen vergoeding niet alle voor zijn billijkheidsoordeel relevante factoren meeweegt [17] .
[A] /ING [18] wordt in de literatuur afgeleid dat de rechter in een (schadevergoedings)procedure gevoerd na de ontbindingsprocedure wel elementen zou mogen meewegen die in de ontbindingsprocedure niet eerder konden worden ingebracht [19] . Als ik het goed zie, is Uw Raad in die zaak echter niet toegekomen aan de beantwoording van de door het middel aan de orde gestelde vraag of een rechter in een op de ontbindingsprocedure volgende procedure in ieder geval heeft te oordelen over feiten en omstandigheden die, omdat zij in de ontbindingsprocedure niet naar voren zijn (of hadden kunnen worden) gebracht, niet door de kantonrechter in de beoordeling zijn betrokken. Dit omdat in de in cassatie bestreden uitspraak was geoordeeld dat er geen stellingen waren aangevoerd die niet al in de ontbindingsprocedure waren betrokken en door de kantonrechter zijn meegewogen, hetgeen volgens Uw Raad een feitelijk en niet onbegrijpelijk oordeel was [20] .
Tulkens/FNV [22] ,waarin de vordering tot schadevergoeding op grond van een escalerende werking van een brief werd afgewezen met een verwijzing naar de Baijingsleer, omdat de kantonrechter in de ontbindingsprocedure uitdrukkelijk rekening heeft gehouden met de escalerende werking van die brief. Dit oordeel hield in cassatie stand. Tot zover niets nieuws. Loonstra en Verburg baseren hun betoog – als ik hen goed versta – op het oordeel van Uw Raad over de tweede pijler waarop de vordering tot schadevergoeding was gebaseerd. Dat was de stelling dat de werkgever onvoldoende adequaat had gereageerd op hartklachten van werknemer, als gevolg waarvan de werknemer uiteindelijk arbeidsongeschikt was geworden. Op dit punt was door de rechtbank een bewijsopdracht gegeven. Ook dit oordeel hield in cassatie stand. Loonstra en Verburg stellen dat de juistheid van deze beslissing volgt uit de omstandigheid dat hier sprake was van nieuwe feiten (over hartklachten) die in de ontbindingsprocedure geen rol hebben gespeeld en dat om die reden van een verkapt hoger beroep geen sprake was. Hiermee zien zij er volgens mij aan voorbij dat in cassatie alleen was geklaagd over de uitleg van stellingen van partijen en de inhoud van de bewijsopdracht (zie rov. 3.6 en 3.7 van het arrest). In cassatie stond zodoende niet ter beoordeling of de betreffende vordering al dan niet zou afstuiten op de Baijingsleer.
[A] /ING [23] :
[A] /INGgewezen arresten over de Baijingsleer, die in het voorafgaande aan de orde zijn geweest, maken dit door Huydecoper geschetste beeld niet anders en passen daarin [24] .
op de ingeroepen nietigheid kan terugkomen. De werknemer kan dan alsnog aanspraak maken op schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging (art. 7:680 BW Pro (oud)) en wegens kennelijk onredelijk ontslag (art. 7:681 BW Pro (oud)). Door het alsnog intrekken van het beroep op nietigheid van het ontslag, berust de werknemer uiteindelijk in het ontslag als zodanig en is achteraf bezien een ontbinding uitgesproken over een al niet meer bestaande arbeidsovereenkomst, omdat die door de niet langer aangevochten opzegging is geëindigd. Er is dan nog geen onherroepelijke rechterlijke uitspraak gedaan over de geldigheid van het ontslag en de aangevoerde dringende reden en omdat de ontbindingsbeschikking geen gevolg meer heeft, is er geen sprake van strijd met het rechtsmiddelenverbod. Net als in onze zaak was in die zaak door de werknemer in een voorlopige voorzieningenprocedure een beroep gedaan op de nietigheid van het ontslag en was het ontslag aan de orde geweest in de ontbindingsprocedure. Anders dan de rechtbank had aangenomen in die zaak was de omstandigheid dat het ontslag al in die twee procedures aan de orde was geweest volgens Uw Raad geen “bijzondere omstandigheid” uit
Dibbets/Pinckersdie de hier bedoelde “switch” van een beroep op nietigheid van het ontslag op staande voet naar een beroep op onregelmatigheid en op de kennelijke onredelijkheid ervan blokkeerde [26] . NJ-annotator Van Heerma van Voss schetst het hierdoor ontstane stelsel aldus in zijn noot onder 5:
zondertoekenning van een vergoeding, zal het zin hebben om alsnog het beroep op nietigheid in te trekken.”
eerste onderdeelklaagt dat van een onjuiste rechtsopvatting getuigen de oordelen van het hof in rov. 3.10 dat:
onderdeel I.1dat uit het Baijingsarrest volgt, gelet op het “in beginsel” in rov. 5.1, dat de Hoge Raad de mogelijkheid heeft opengelaten om een in een specifiek geval een uitzondering op de in dat arrest ontwikkelde leer te maken. Verder veronderstelt de Baijingsleer dat de ontbindingsrechter, die alle omstandigheden van het geval moet toetsen aan de redelijkheid en billijkheid, van de
juisteomstandigheden uitgaat. De ontbindingsrechter en beide partijen zijn in onze zaak van onjuiste feiten uitgegaan. Pas na de ontbindingsbeschikking is komen vast te staan dat de verweten situatie zich niet zo heeft voorgedaan. Daarmee moet deze situatie worden onderscheiden van het geval waarin een partij de (onjuiste) stellingen onvoldoende heeft weersproken en de ontbindingsrechter deze aannemelijk heeft geoordeeld (
subonderdeel I.1.1).
subonderdeel I.1.2).
subonderdeel I.1.3).
subonderdeel I.1.4).
Greeven/Connexxionhad [eiser] ook kunnen benutten na te zijn geconfronteerd met een ontbindingsbeschikking zonder toekenning van een vergoeding aan hem. Die beschikking kwam op 3 maart 2015, het ontslag op staande voet dateert van 26 november 2014 en de onderhavige zaak is geïnitieerd bij dagvaarding van 26 mei 2015, dus binnen de verjaringstermijn van zes maanden uit art. 7:683 BW Pro (oud). [eiser] had zodoende als het ware ruim twee maanden de tijd om te “switchen” van zijn standpunt dat sprake was van nietigheid van het ontslag naar onregelmatigheid en kennelijke onredelijkheid. In plaats daarvan heeft hij gepersisteerd bij het inroepen van de nietigheid van het ontslag, hetgeen heeft geleid tot toewijzing (in appel) van het declaratoir ter zake. Dan strandt de inkomensschadevordering vervolgens op de Baijngsleer en dat dit dan apert onbillijk uitpakt in dit geval is een consequentie van die gekozen route die niet had behoeven te worden bewandeld. Voor het aannemen van een extra uitzondering op die leer voor een geval als het onze, zoals het middel voorstelt, bestaat geen aanleiding, omdat in het stelsel onder oud ontslagrecht al was voorzien in een “reparatie” voor een geval als dit, maar van die weg heeft [eiser] geen gebruik gemaakt.
juistefeiten bij de beoordeling heeft betrokken, zoals het middel aandraagt. Door Uw Raad is juist onderkend dat er verschil kan bestaan tussen de “feiten” vastgesteld door de ontbindingsrechter en die vastgesteld door de rechter die over de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet oordeelt en dat dit tegenstrijdige beslissingen op kan leveren. Uw Raad overwoog dat een dergelijk verschil verklaarbaar is, gelet op de verschillende aard van beide procedures, welk verschil meebrengt dat de vaststelling en weging van feiten niet op dezelfde wijze geschiedt [27] . In gelijke zin [verweerster] ’s s.t. onder 12. Het door het middel gekozen uitgangspunt heeft als consequentie dat van de exclusiviteit van de ontbindingsroute voor de ontslagvergoedingsvraag en het rechtsmiddelenverbod in die spoedprocedure weinig overblijft.
tweede onderdeelmist zelfstandige betekenis en moet het lot delen van het eerste onderdeel.