ECLI:NL:PHR:2018:926

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juni 2018
Publicatiedatum
4 september 2018
Zaaknummer
16/06267
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 WKSArt. 2 WKSArt. 3 WKSArt. 6 WKSArt. 27g WKS
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt deel van arrest over witwassen en bevestigt overige veroordelingen

Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor meerdere feiten, waaronder het medeplegen van illegaal pokeren, gewoontewitwassen en afpersing, met een gevangenisstraf van 42 maanden. Verdachte organiseerde pokeravonden in Haarlem, waarbij spelers en trainers werden betaald met vermoedelijk crimineel geld. Daarnaast werd verdachte veroordeeld voor afpersing van een schuldeiser.

In cassatie werden vier middelen ingediend die zich richtten op de motivering van de bewezenverklaringen. De Hoge Raad oordeelde dat de bewezenverklaring omtrent het witwassen van een bedrag van € 545.851 onvoldoende was gemotiveerd, omdat het hof niet nauwkeurig had aangegeven op welke bewijsmiddelen deze was gebaseerd. Dit leidde tot vernietiging van dat onderdeel van het arrest en terugwijzing.

De overige veroordelingen, waaronder die voor het organiseren van kansspelen zonder vergunning, gewoontewitwassen van een ander bedrag en afpersing, werden door de Hoge Raad bevestigd. Het hof had de feiten uitgebreid gemotiveerd met verklaringen, telefoongesprekken en andere bewijsmiddelen. De Hoge Raad vond geen aanleiding om deze onderdelen te vernietigen.

De zaak betreft complexe geldstromen en criminele activiteiten rondom een voetbalvereniging in Haarlem, waarbij pokeravonden werden georganiseerd om schulden te saneren. De Hoge Raad benadrukte het belang van een zorgvuldige motivering van bewezenverklaringen, vooral bij omvangrijke financiële feiten.

De beslissing heeft gevolgen voor de strafoplegging en de schadevergoedingsmaatregel, waarbij het arrest gedeeltelijk wordt vernietigd en terugverwezen voor nadere beoordeling van het witwasfeit.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor het witwasfeit en terugverwezen, de overige veroordelingen worden bevestigd.

Conclusie

Nr. 16/06267
Mr. A.J. Machielse
Zitting: 5 juni 2018 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[verdachte] [1]
1. Het gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 23 december 2016 voor 1: medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 1, onder a van de Wet op de kansspelen, meermalen gepleegd, 2: van het medeplegen van witwassen een gewoonte maken, 3: van het plegen van witwassen een gewoonte maken, en 4: afpersing, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden. Voorts heeft het hof de verbeurdverklaring van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen uitgesproken, de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest omschreven.
2. Mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende vier middelen van cassatie. De middelen keren zich ieder tegen de respectievelijke bewezenverklaringen.
3. Het hof heeft bewezenverklaard dat:
"1: hij de periode van 1 maart 2010 tot en met 6 oktober 2011 te Haarlem, meermalen, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk gelegenheid heeft gegeven aan personen uit het publiek om door middel van een kansspel, te weten "pokeren" (de variant "Texas Hold 'em"), mede te dingen naar prijzen, waarbij de aanwijzing der winnaar(s) geschiedde door enige kansbepaling te weten (onder meer) door het leggen van kaarten, waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen, terwijl daarvoor geen vergunning ingevolge de Wet op de kansspelen was verleend;
2: hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 maart 2010 tot en met 6 oktober 2011 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,
immers hebben verdachte en zijn mededader telkens geldbedragen van in totaal EURO 43.099,35 verworven, voorhanden gehad, overgedragen en gebruik gemaakt, terwijl hij en zijn mededader wisten dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;
3: hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 juni 2011, te Haarlem, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte telkens geldbedragen (in totaal EURO € 545.851), verworven, voorhanden gehad en overgedragen terwijl hij wist dat die geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;
4: hij in de periode van 1 juli 2011 tot en met 11 juli 2011 te Haarlem en Breda en Meerkerk, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot afgifte van EURO 49.000, toebehorende aan voornoemde [slachtoffer] , welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat
– tegen voornoemde [slachtoffer] werd gezegd: "Die vordering op jou is 52.000 Euro. Dit staat op jouw kop. Ik heb die vordering overgenomen van [B] . Je kan mijn naam en telefoonnummer doorgeven aan de politie, dat maakt mij niet uit. Je kan onderduiken in Barbados of zo, dat maakt mij niet uit. Ik heb overal vrienden. Ook hier in Breda ken ik de [...] . Je moet binnen een paar dagen betalen." en "Dat maakt niet uit, het is op jouw kop gezet, ik kom het bij jou halen", althans woorden van gelijke aard of strekking."
4.1. Ik stel voorop dat niet genoeg kan worden beklemtoond dat het in geval van een bewezenverklaring aan de rechter die over de feiten oordeelt is om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake de selectie en waardering, die - behoudens bijzondere gevallen - geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. [2]
4.2. Het
eerste middelklaagt over de bewezenverklaring van feit 1. De pokeravonden zouden niet door verdachte zijn georganiseerd en zouden plaats hebben gevonden in een besloten gezelschap. Verdachte was evenals anderen niet meer dan een speler.
4.3. Over feit 1 heeft het hof het volgende overwogen [3] :
"De verdediging heeft betoogd dat de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft de verdediging primair aangevoerd dat het spelen van poker in openbare gelegenheden in de meeste Europese landen niet strafbaar is en dat poker een behendigheidsspel is en als zodanig niet valt binnen de reikwijdte van artikel 1 onder Pro a van de Wet op de kansspelen. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat het spel werd gespeeld in de bestuurskamer van de [A] in besloten gezelschap, hetgeen vergelijkbaar is met het spelen van poker in een huiskamer. Tot slot heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet als organisator kan worden beschouwd.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De stelling van de raadsman dat het Openbaar Ministerie niet bevoegd is tot vervolging van illegaal pokeren over te gaan, nu dit in de meeste Europese landen niet strafbaar zou zijn, vindt geen steun in het recht.
Ten aanzien van de vraag of pokeren een kansspel is, overweegt het hof als volgt. Uit de Memorie van Toelichting bij de huidige wet volgt dat artikel 1 van Pro de Wet op de kansspelen een algemene verbodsbepaling betreft waarmee is beoogd alle op dat moment bestaande voorschriften op het gebied van kansspelen, zoals inzake de loterij of het hazardspel, (destijds) onder één wet te brengen. De wettelijke definitie van hazardspel luidde, voor zover van belang: 'onder hazardspel wordt verstaan elk spel waarbij in het algemeen de kans op winst van het toeval afhangt, ook wanneer die kans toeneemt met de meerdere geoefendheid of de grotere behendigheid van de speler'.
Gezien het open karakter van de huidige wettekst is de wetgever altijd uitgegaan van een ruim ‘kansspel begrip’, dat betrekking kan hebben op verschillende spelvormen waarbij kans enige rol speelt in de aanwijzing van de winnaar. Elk pokerspel vangt aan met de toedeling van twee gesloten kaarten op de toekenning waarvan de speler geen invloed heeft. Reeds hierin is naar het oordeel van het hof “enige kansbepaling” gelegen waarop de speler geen (overwegende) invloed heeft. De verkrijging van de na elke ronde open toebedeelde kaarten is evenmin beïnvloedbaar. In casu vond het pokerspel - merendeels - plaats als cashgame, zoals is geconstateerd door de deskundigen die de beelden hebben geanalyseerd. Juist bij cashgames is de mogelijkheid om uiteindelijk door een grotere behendigheid in elk geval enigermate het kansspelelement op te heffen (waardoor geen sprake meer zou zijn van een spel in de zin van artikel 1 onder Pro a van de Wet op de kansspelen) gering. Die vraag kan nog wel rijzen bij de toernooivorm zoals uiteengezet in het arrest van dit hof van 3 maart 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:775 waarbij het hof uiteindelijk oordeelde dat ook bij de toernooivorm de vraag wie de winnaar van het toernooi wordt - ‘de aanwijzing der winnaars’, zoals bepaald in artikel 1 onder Pro a van de Wet op de kansspelen - mede afhankelijk is van ‘enige kansbepaling’, namelijk de toedeling van de kaarten waarop de speler geen overwegende invloed heeft. Met behendigheid kan derhalve ook bij het spel in toernooivorm niet in die mate het kansspelelement worden opgeheven dat niet meer sprake zou zijn van een spel in de zin van artikel 1 onder Pro a van de Wet op de kansspelen. Naar het oordeel van het hof is het pokerspel derhalve een kansspel.
In hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, ziet het hof geen reden om anders te oordelen. Evenmin is sprake van het spelen van poker onder omstandigheden die vergelijkbaar zijn met het spelen in een huiskamer. Uit het dossier volgt dat spelers verplicht waren een entree van € 500 te betalen waarvoor fiches werden gekocht, dat tijdens de pokeravonden twee croupiers aanwezig waren die voor hun werkzaamheden werden betaald en dat per week aan een pokeravond bedragen variërend van € 1.000 tot € 4.000 werden overgehouden Het spelen van pokeren kan onder de hiervoor beschreven omstandigheden niet worden gelijkgesteld met pokeren in huiselijke kring.
Tot slot verwerpt het hof het verweer dat de verdachte niet degene was die de pokeravonden organiseerde. [betrokkene 2] heeft verklaard dat de verdachte de pokeravonden organiseerde en zorgde dat er mensen kwamen. Die verklaring wordt ondersteund door de inhoud van getapte telefoongesprekken. Het hof noemt onder meer een telefoongesprek van 27 juli 2011 waarin een onbekende persoon zegt dat de jongens die avond naar de verdachte toe komen (het hof begrijpt uit de context van het gesprek om te komen pokeren) en als deze persoon vraagt of ‘hij’ mag komen, antwoordt de verdachte dat ‘hij’ natuurlijk kan komen. De verdachte stemt er mee in dat deze persoon ‘5 meier’ mag proberen bij de verdachte, die de verdachte die zondag terugkrijgt. Verder blijkt uit een telefoongesprek op 3 augustus 2011 dat de verdachte een onbekende persoon de mogelijkheid biedt om zijn kantine te huren voor het spelen van poker omdat er tafels zijn, fiches en drinken. In ditzelfde gesprek zegt de verdachte tegen deze persoon dat hij die avond niet kan komen spelen. Uit telefoongesprekken van 28 september 2011 blijkt dat de verdachte croupiers regelde voor de pokeravonden.
Op grond van de verklaring van [betrokkene 2] in samenhang met de inhoud van de telefoongesprekken, is het hof van oordeel dat de verdachte, die doorgaans zelf aanwezig was bij de pokeravonden, onder meer bepaalde welke mensen konden meedoen aan de pokeravonden, wie geld konden lenen en welke croupiers werkten. De verdachte kan daarom worden gezien als organisator van de pokeravonden."
4.4. Artikel 1 van Pro de Wet op de kansspelen (WKS) [4] luidt aldus:
"1. Behoudens het in Titel Va van deze wet bepaalde is het verboden:
a. gelegenheid te geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, tenzij daarvoor ingevolge deze wet vergunning is verleend;
(...)
2. Het is verboden te handelen in strijd met de aan de verleende vergunning verbonden voorschriften."
Artikel 2 WKS Pro heeft de volgende inhoud:
"2. Artikel 1 is Pro niet van toepassing op:
a. gelegenheden als daarin bedoeld, die noch voor het publiek zijn opengesteld, noch bedrijfsmatig worden gegeven;
(...)"
Het eerste lid van artikel 3 WKS Pro houdt in dat voor een gelegenheid als in artikel 1 onder Pro a bedoeld een vergunning kan worden verleend. Het eerste lid van artikel 6 WKS Pro stelt een AMvB in het vooruitzicht die nadere regels stelt met betrekking tot de voorschriften die aan vergunningen worden verbonden. Die AMvB is het Kansspelenbesluit. [5]
Titel IVb WKS gaat over de zogenaamde casinospelen. Het eerste artikel van deze titel is artikel 27g dat aldus luidt:
"1. Tot het organiseren van een speelcasino kan uitsluitend vergunning verleend worden overeenkomstig de bepalingen van deze titel.
2. Onder speelcasino wordt verstaan de voor het publiek opengestelde of bedrijfsmatig gedreven inrichting, waar door middel van gemeenschappelijk beoefende kansspelen aan de deelnemers de gelegenheid wordt gegeven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling, waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen."
Vergelijking met artikel 1 lid 1 onder Pro a WKS leert onmiddellijk dat het hier gaat om het gelegenheid bieden tot het beoefenen van kansspelen.
De Raad van bestuur van de kansspelautoriteit bepaalt onder meer het aantal en de soort van de te organiseren spelen en de wijze waarop deze worden beoefend (artikel 27i WKS).
Op artikel 27i WKS is de Beschikking casinospelen 1996 [6] gebaseerd. Bij die beschikking is vergunning verleend aan de Nationale Stichting tot Exploitatie van Casinospelen in Nederland. Artikel 4 van Pro de Beschikking hield in dat in een speelcasino uitsluitend de volgende casinospelen worden aangeboden:
"k. Poker."
Poker wordt in verschillende varianten aangeboden onder meer als "texas hold'em". [7]
Uit een en ander is af te leiden dat de wetgever en de kansspelautoriteit poker als kansspel zien. Dat standpunt neemt ook de Hoge Raad in.
In HR 3 maart 1998, NJ 1999, 59 was bewezenverklaard dat een rechtspersoon bedrijfsmatig in een voor het publiek opengesteld perceel opzettelijk gelegenheid heeft gegeven om deel te nemen aan een kansspel, een pokervariant. Het hof had aangenomen dat het om een kansspel ging en niet om een behendigheidsspel. In cassatie werd opgekomen tegen dit oordeel van het hof. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en overwoog daartoe onder meer:
"4.1. Bij de beoordeling van de middelen dient het volgende te worden vooropgesteld. De middelen berusten blijkens de daarop gegeven toelichting op de opvatting dat het feit, dat de deelnemers aan de in de tenlastelegging omschreven spelen op de winstkansen in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, slechts kan worden bewezen door vaststelling van het resultaat dat de grote meerderheid van de spelers in de praktijk daadwerkelijk hebben behaald en door vaststelling van de wijze waarop deze spelen zijn gespeeld in het casino waarin de verdachte daartoe de gelegenheid heeft gegeven. Deze opvatting kan niet als juist worden aanvaard. Tot het bewijs van het vorenbedoelde feit kan de rechter - zoals in dit geval - komen op grond van verklaringen van verdachten, getuigen en deskundigen over de spelen en de wijze waarop deze in het algemeen in de praktijk plegen te worden gespeeld." [8]
4.5. Dat verdachte de pokeravonden organiseerde heeft het hof in zijn arrest uitdrukkelijk gemotiveerd, evenals het oordeel dat zich de uitzondering van het tweede lid onder a van artikel 2 WKS Pro niet voordeed. Er was sprake van een voor het publiek opengestelde gelegenheid en het was de bedoeling om winst te maken door bedrijfsmatig te handelen. Dat de deuren werden gesloten als de pokeravonden begonnen staat daaraan niet in de weg.
4.6. Het hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op de onderdelen van het vonnis van de rechtbank waarin de rechtbank de redengevende feiten en omstandigheden heeft uiteengezet. Daaronder zijn camerabeelden, afgeluisterde telefoongesprekken en de verklaring van [betrokkene 2] . Uit de camerabeelden blijkt in ieder geval wel dat verdachte op de pokeravonden aanwezig is, mee speelt, maar ook betrokken is bij de logistiek. Uit de verklaring van [betrokkene 2] blijkt dat verdachte de baas is van de voetbalvereniging [A] en met het idee kwam om pokerwedstrijden te organiseren om de schulden van de club te saneren. Er was geen sprake van lidmaatschap om mee te mogen doen. Verdachte organiseerde de pokeravonden en zorgde ervoor dat er mensen kwamen. Ook zorgde verdachte voor alle attributen die voor het pokeren nodig waren. Als de pokeravonden waren afgelopen telde verdachte of zijn broer het geld. Het geld werd door verdachte onder meer besteed door betalingen aan de spelers te doen. Verdachte betaalde ook de croupiers. Ook uit afgeluisterde telefoongesprekken is af te leiden dat verdachte de pokeravonden organiseerde. Hij was betrokken bij de financiële afwikkeling en bij het inzetten van het personeel.
Het hof heeft het bewezenverklaarde kunnen afleiden uit de inhoud van de bewijsmiddelen.
Het middel faalt.
5.1. Het
tweede middelklaagt over het bewijs van feit 2. Er is geen sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [betrokkene 2] bij het verhullen van de herkomst van de opbrengst van de pokeractiviteiten.
5.2. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte samen met anderen, onder wie zijn broer en [betrokkene 2] , nauw betrokken was bij het sturen van de geldstromen bij de pokeravonden. Uiteindelijk wordt het verdiende geld ingezet voor de voetbalclub. Er worden spelers van betaald, de mensen die diensten verlenen als croupier bij de pokeravonden krijgen ook geld en er worden schulden mee afgelost. Wat overbleef werd onder de valse titel van kantine-inkomsten geboekt en gestort op de bankrekening van de club. Er waren een aantal mensen met wie verdachte nauw samenwerkte; in ieder geval zijn broer [betrokkene 4] en [betrokkene 2] . Dezen waren ook betrokken bij de organisatie van de pokeravonden en bij het kanaliseren van de geldstromen. Dat [betrokkene 2] een schaduwboekhouding voerde was verdachte blijkens een telefoongesprek van 30 juni 2011 bekend. Door het betalen van schulden en van de spelers en door het voeren van een schaduwboekhouding heeft verdachte samen met deze anderen gelden verworven, voorhanden gehad overgedragen en ervan gebruik gemaakt.
Ook het tweede middel faalt.
6.1. Het
derde middelkomt op tegen de veroordeling voor feit 3 omdat de bewezenverklaring daarvan onvoldoende met redenen zou zijn omkleed.
6.2. In de aanvulling op het verkort arrest verwijst het hof ten aanzien van de bewijsmiddelen voor feit 3 naar de voetnoten 19 tot en met 22. Daar heeft het hof het volgende opgenomen [9] :

"Feit 3

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 3 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe primair aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte betalingen aan spelers en trainers heeft gedaan, nu dit door zowel de verdachte als alle spelers en trainers wordt ontkend. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de gelden niet van misdrijf afkomstig zijn, enerzijds omdat het geldbedrag op de bankrekening van [betrokkene 1] afkomstig is van stortingen uit Oostenrijk en het Openbaar Ministerie in een eerder strafrechtelijk onderzoek heeft vastgesteld dat deze gelden niet van misdrijf afkomstig zijn, en anderzijds omdat de voetbalclub [A] beschikte over sponsorgelden. De berekening van de Belastingdienst is bovendien niet gebaseerd op een schatting, maar op vergelijkingen, aldus de verdediging.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde. Hij heeft daartoe gesteld dat sprake is van een vermoeden van witwassen ten aanzien van een geldbedrag van € 1.200.000 betreffende betalingen aan spelers bij [A] , en dat de verdachte voor een deel daarvan, te weten € 550.000, geen aannemelijke verklaring heeft kunnen geven die een legale herkomst inhoudt. Volgens de advocaat-generaal is ook overigens niet gebleken van legale inkomsten die een legale herkomst van dit bedrag kunnen verklaren, zodat het niet anders kan zijn dan dat het geld afkomstig is van enig misdrijf.
Oordeel van het hof
Allereerst dient te worden onderzocht of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulks zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Die verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol.
Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld waarop de verdenking betrekking heeft een legale herkomst heeft en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Uit het dossier blijkt dat de verdachte betalingen heeft gedaan aan spelers en trainers van [A] . De spelers van [A] werden betaald volgens een premiestelsel. De spelers ontvingen € 50 per wedstrijd en € 75 bij winst. De spelers werden niet betaald door de club en de betalingen zijn ook niet verantwoord in de boekhouding. Uit de berekeningen van de Belastingdienst blijkt dat met de betaling van de spelers en trainers een bedrag van € 1.201.771 was gemoeid. Voor de spelers bedraagt het totale bedrag over de jaren 2007 tot en met 2011 € 969.783 en voor de trainers € 231.988. Naar het oordeel van het hof zijn deze berekeningen voorzien van toelichtingen waarin de uitgangspunten zijn vermeld en is tevens uitgegaan van uit de media verkregen informatie ten aanzien van wedstrijduitslagen.
Het hof stelt vast dat geen direct bewijs bestaat dat voornoemd geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is.
Van de verdachte zijn geen legale inkomsten bekend en bij de Belastingdienst zijn van de verdachte vanaf 2006 geen inkomstengegevens bekend. De verdachte organiseerde daarnaast pokerwedstrijden waarmee opbrengsten werden behaald die voor de voetbalclub waren bestemd. Uit deze en de hiervoor genoemde omstandigheden, vloeit naar het oordeel van het hof voort dat sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan het delict witwassen.
Het hof is van oordeel dat, gelet op dit vermoeden van witwassen en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de geldbedragen die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk is aan te merken.
Uit hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht volgt dat de verdachte heeft kunnen beschikken over een geldbedrag van € 655.920 in de periode van 2007 tot en met 2011 in verband met vanuit Oostenrijk gestorte bedragen op de bankrekening van de partner van de verdachte en die contant zijn opgenomen. De verdediging heeft aangevoerd dat door het Openbaar Ministerie onderzoek is gedaan naar de herkomst van dit geldbedrag en dat daarbij is geconcludeerd dat deze gelden geen criminele herkomst hebben. Naar het oordeel van het hof dient het door de Belastingdienst berekende geldbedrag van € 1.201.771 te worden verminderd met het bedrag waarover de verdachte heeft kunnen beschikken door de contante opnamen die hebben plaatsgevonden in verband met stortingen vanuit Oostenrijk op de rekening van de partner van de verdachte. Het resterende geldbedrag, waarvoor van de verdachte een verklaring mag worden verlangd, bedraagt aldus € 545.851.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de sponsoren voor de club regelde en dat deze sponsoren de betalingen hebben verricht. De verdachte heeft geen namen van sponsoren willen noemen.
Naar het oordeel van het hof kan deze verklaring op geen enkele wijze worden geverifieerd. Gelet op de omstandigheden dat de verdachte de spelers en trainers heeft betaald en hij daarvoor over een aanzienlijk onverklaarbaar vermogen heeft beschikt, mag van de verdachte worden verlangd dat hij zijn verklaring, dat de betalingen werden gedaan met sponsorgeld, onderbouwd met concrete en verifieerbare informatie.
Nu de verdachte dit heeft nagelaten en nu van de verdachte ook anderszins geen legale inkomstenbronnen aannemelijk zijn geworden, is het hof van oordeel dat de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd over de herkomst van het geld. Al het voorgaande in overweging nemende is het hof dan ook van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het hiervoor genoemde bedrag van € 545.851 dat de verdachte aan de spelers en trainers van [A] heeft betaald, middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dat wist. Het verweer wordt dan ook in zijn geheel verworpen."
6.3.
De verdediging heeft uitgebreid verweer gevoerd tegen de stelling dat trainers en spelers van [A] door verdachte zouden zijn betaald middels een premiestelsel. De spelers en trainers hebben ontkend dat zij door verdachte werden betaald en vallen aldus verdachte bij. Als er al zou zijn betaald zou dit volgens de verdediging zijn gebeurd door mensen die een speler of de club een warm hart toedroegen. De belastingdienst heeft zich gebaseerd op extrapolaties van wat de belastingdienst bij andere clubs kennelijk bekend is geworden.
Als zo een uitgebreid gemotiveerd verweer wordt gevoerd wreekt zich de werkwijze die het hof hier heeft toegepast. Het hof heeft immers volstaan met op te merken dat uit het dossier blijkt dat verdachte betalingen heeft gedaan aan spelers en trainers maar heeft niet expliciet aangegeven aan welk in het dossier zich bevindend bewijsmiddel dit is ontleend. Dat verdachte op een gegeven moment wel overging tot betaling aan spelers uit de opbrengsten van de pokeravonden is al in feit 2 verwerkt. De bewezenverklaarde periode in feit 2 valt ook nog eens gedeeltelijk samen met de periode van feit 3.
Naar mijn oordeel blijkt aldus onvoldoende aan welke redengevende feiten en omstandigheden het hof heeft ontleend dat verdachte geld van duistere herkomst ten behoeve van spelers en trainers heeft aangewend dat niet afkomstig was van de pokeravonden.
Het middel is terecht voorgesteld.
7.1.
Het
vierde middelkomt op tegen de bewezenverklaring van feit 4. Deze zou ontoereikend zijn gemotiveerd.
7.2.
In de aanvulling op het verkort arrest heeft het hof verwezen naar de inhoud van de bewijsmiddelen in het vonnis van de rechtbank, met een kleine uitzondering. In het verkort arrest heeft het hof bovendien de volgende overwegingen aan de veroordeling voor feit 4 gewijd [10] :

"Feit 4 (afpersing)

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte ontkent dat hij [slachtoffer] heeft bedreigd, dan wel heeft gedwongen tot betaling van zijn schuld aan [B] BV (hierna: [B] ). Mogelijk heeft [slachtoffer] later nadat hij op internet gegevens heeft nagetrokken over de verdachte, zijn contact met de verdachte als bedreigend ingevuld. Er is echter geen enkel steunbewijs voor de uitlatingen die [slachtoffer] in zijn aangifte aan de verdachte toeschrijft. De verdachte moet ook reeds wegens het ontbreken van opzet met betrekking tot afpersing worden vrijgesproken.
Oordeel van het hof
Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep blijkt het volgende. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft de verdachte verzocht een vordering voor hem te innen die [medeverdachte 2] had op [C] .
Op 4 juli 2011 heeft medeverdachte [betrokkene 2] telefonisch contact met de verdachte. In dit gesprek heeft [betrokkene 2] gezegd dat hij bij [B] , dat wil zeggen bij [medeverdachte 2] , is geweest en dat [medeverdachte 2] een brief heeft afgegeven met iets wat de verdachte moet regelen. Dit gesprek gaat verder over de aankoop van kleding bij [medeverdachte 2] , eventuele sponsoring door [medeverdachte 2] en dat het er uiteindelijk op neerkomt dat de verdachte aan [medeverdachte 2] € 20.000 moet betalen. In dat telefoongesprek heeft [betrokkene 2] aan de verdachte meegedeeld dat hij stukken heeft meegekregen van [medeverdachte 2] waarin staat dat een ander bedrijf (het hof begrijpt [C] ) nog € 46.000 aan [medeverdachte 2] moet betalen. [medeverdachte 2] wilde de verdachte vragen om er druk achter te zetten bij die mensen.
[betrokkene 2] heeft bij de politie verklaard dat hij erbij was toen [medeverdachte 2] aan de verdachte kleding liet zien en dat [medeverdachte 2] vertelde van zijn vordering op [slachtoffer] en dat [medeverdachte 2] niet door kon dringen bij [slachtoffer] en hem niet kon bereiken.
De verdachte heeft na dit telefoongesprek op 4 juli 2011 telefonisch contact opgenomen met [medeverdachte 2] en gezegd dat het geregeld gaat worden. Ook wordt afgesproken dat als [medeverdachte 2] hierover benaderd mocht worden hij moet doen of hij van niks weet. Uit een sms van 16 juli 2011 van de verdachte aan [medeverdachte 2] blijkt dat [medeverdachte 2] – desgevraagd – moet doen alsof hij al betaald is door de verdachte.
Nadat [slachtoffer] heeft betaald, vindt op 12 juli 2011 een sms-wisseling plaats tussen de verdachte en [medeverdachte 2] . De verdachte bericht [medeverdachte 2] dat alles is geregeld, 'alleen ze zeggen dat het bedrag lager is', en dat [medeverdachte 2] alles kan weggooien. [medeverdachte 2] reageert: "Echt niet waar, zie papier!" Daarop bericht de verdachte dat hij zich niet druk moet maken, "niemand neemt meer contact met je op voor dit en als je ze ooit spreekt buigen ze voor je".
Daarnaast blijkt uit de stukken het volgende. Een paar dagen voor 6 juli 2011 is [slachtoffer] gebeld door de verdachte met de mededeling dat hij kleding wilde bestellen bij [slachtoffer] . De verdachte heeft op 6 juli 2011 in het wegrestaurant Van der Valk (in de buurt van Breda) een afspraak gemaakt met [slachtoffer] over de aankoop van kleding voor [A] . De verdachte was die dag in gezelschap van [betrokkene 2] ; deze heeft zich afzijdig gehouden van het gesprek. De verdachte heeft toen aan [slachtoffer] een envelop gegeven waarin zich stukken bevonden inzake de vordering van [medeverdachte 2] op [C] . De verdachte heeft toen tegen [slachtoffer] gezegd dat hij een vordering van [B] had overgenomen en dat die vordering van € 52.000 op het hoofd van [slachtoffer] stond. Vervolgens heeft de verdachte tegen [slachtoffer] bedreigingen geuit zoals weergegeven in de tenlastelegging. Na de ontmoeting heeft de [slachtoffer] dreigtelefoontjes en -sms'jes ontvangen van de verdachte. De strekking daarvan was dat zij er aan zouden komen en dat het geen zin had te vluchten. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij deze bedreigingen heeft ontvangen in de vorm van sms'jes en dat deze niet werden opgeslagen op zijn telefoon. Dit neemt niet weg dat er contact moet zijn geweest tussen de verdachte en [slachtoffer] . Immers, op 9 juli 2011 laat de verdachte aan [medeverdachte 2] weten "stress in Breda".
[slachtoffer] heeft na het gesprek op 8 en 9 juli 2011 telefonisch contact opgenomen met de politie te Breda en aangegeven dat hij werd bedreigd door – zo begrijpt het hof – de verdachte. Ook is een afspraak gemaakt om op 12 juli 2011 in persoon aangifte te doen. [slachtoffer] heeft die afspraak op 12 juli 2011 afgezegd omdat hij bang was voor de gevolgen daarvan.
[slachtoffer] heeft [medeverdachte 2] op 7 juli 2011 benaderd om uitleg; deze deed of zijn neus bloedde. Ook heeft hij zijn voormalige compagnons gevraagd om hulp en heeft hij uiteindelijk met behulp van zijn zoon het geld bijeen gebracht. Op 11 juli 2011 heeft de [slachtoffer] , in het bijzijn van zijn zoon, bij [A] aan de verdachte € 49.000 betaald.
Na de aanhouding van de verdachte is de politie (i.c. de leden van het onderzoeksteam in de zaak Courage) op 14 oktober 2011 onderzoek geweest bij [slachtoffer] . Uit de mutatie blijkt dat de vrouw van [slachtoffer] toen heeft gezegd dat zij door een hel zijn gegaan en de afspraak van 12 juli 2011 bij de politie te Breda hebben afgezegd uit angst. [slachtoffer] heeft vervolgens op 14 oktober 2011 aangifte gedaan van afpersing. [slachtoffer] heeft verklaard dat hij directeur is geweest van [C] en dat hij tijdens zijn directeurschap zaken heeft gedaan met [A] en met [B] , waarvan [medeverdachte 2] eigenaar was. [C] is failliet gegaan. [slachtoffer] was toen al geen directeur meer. Omstreeks februari/maart 2011 is [slachtoffer] bezocht door [medeverdachte 2] , die een regeling wilde treffen voor een openstaande factuur van [B] op [C] ten bedrage van ongeveer € 25.000. [slachtoffer] heeft gewezen op het faillissement en zijn eigen positie en heeft aangegeven dat hij die factuur ook niet kon betalen. Hij heeft [medeverdachte 2] verwezen naar de toenmalige eigenaren.
[betrokkene 3] , de zoon, heeft bij de politie – zakelijk weergegeven – bevestigd dat zijn vader hem om hulp heeft gevraagd omdat hij werd afgeperst en op zeer korte termijn € 52.000 moest betalen. [betrokkene 3] heeft daarop met spoed geld van zijn bankrekening opgenomen.
In het dossier is een kopie gevoegd van de originele faillissementsaanvraag van [C] . Hierop is vermeld dat [D] BV, gevestigd te Enschede, verzoekster 1 is. Dit in tegenstelling tot de bij [A] aangetroffen bescheiden, waarop bij zowel 1 als 2 [B] als verzoekster staat en als gevolg daarvan twee vorderingen heeft op [C] .
Het hof leidt uit de hiervoor opgenomen feiten en omstandigheden af dat de verdachte zich tegenover [medeverdachte 2] bereid heeft verklaard een vordering te innen door druk uit te oefenen op [slachtoffer] . De verdachte heeft daarbij gebruik gemaakt van de stukken die [medeverdachte 2] hem heeft gegeven en heeft met [medeverdachte 2] afgesproken dat hij zal doen voorkomen dat hij de vordering van [medeverdachte 2] heeft overgenomen. Tegen [slachtoffer] heeft de verdachte gezegd dat de vordering € 52.000 bedroeg. Het hof stelt vast dat de brief die [betrokkene 2] van [medeverdachte 2] heeft meegekregen vervalst is. Uit dit stuk blijkt dat [B] twee vorderingen (punten 1 en 2) op [C] zou hebben, terwijl uit het originele stuk blijkt dat [B] één vordering heeft van € 23.128,65. Nu [betrokkene 2] op basis van de stukken die hij heeft meegekregen van [medeverdachte 2] tegenover de verdachte spreekt over een vordering van € 46.000 kan het niet anders zijn dan dat [medeverdachte 2] [betrokkene 2] een vervalst stuk heeft meegegeven waarin zijn oorspronkelijke vordering van circa € 25.000 is verhoogd tot € 46.000. Deze gang van zaken vindt ook bevestiging in de e-mail van 7 juli 2011 van [slachtoffer] aan [medeverdachte 2] . [slachtoffer] vermeldt daarin de zeer negatieve en als onprettig ervaren benadering door de verdachte op 6 juli 2011 en daarin geeft [slachtoffer] ook aan dat door de verdachte een veel hogere vordering is ingediend dan de hem bekende vordering van ongeveer € 25.000. De verdachte heeft, zonder dat daarvoor uit het dossier de reden blijkt, de vordering op enig moment kennelijk verhoogd van € 46.000 tot een bedrag van € 52.000 en getracht dit gehele bedrag van [slachtoffer] te ontvangen.
Door met [medeverdachte 2] af te spreken dat hij zich afzijdig houdt als [slachtoffer] hem over de vordering benadert, kon de verdachte bij de inning zelfstandig te werk gaan. Uit het feit dat de verdachte aan [medeverdachte 2] een bericht stuurt dat er stress is in Breda, leidt het hof af dat de verdachte er op uit was om [slachtoffer] te bedreigen. Ook de zinsnede in een bericht aan [medeverdachte 2] "buigen ze voor je" kan niet anders worden verstaan dan dat de verdachte de schrik er goed heeft ingejaagd bij [slachtoffer] . Noch [medeverdachte 2] noch de verdachte hebben voor deze sms-wisseling en het taalgebruik een andere, begrijpelijke en afdoende verklaring kunnen geven.
Het hof stelt verder vast dat [slachtoffer] , die niet persoonlijk aansprakelijk was voor de vordering van ruim € 23.000 van [medeverdachte 2] op [C] , na inschakeling van familie binnen een zeer kort tijdsbestek op 11 juli 2011 in contanten – en naar het hof begrijpt zonder kwitantie – aan de verdachte € 49.000 afdraagt terwijl hij aan de verdachte geen schuld had. Daarbij had zijn zoon nog een bedrag van € 3.000 in zijn schoenen voor het geval de verdachte geen genoegen zou nemen met betaling van € 49.000 in plaats van de door hem geëiste € 52.000. Naar het oordeel van het hof is [slachtoffer] enkel overgegaan tot betaling omdat hij zich daartoe door de door de verdachte geuite bedreigingen zoals de [slachtoffer] verwoordt.
Dat betekent dat het hof, mede gelet op de overige te bezigen bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte zich als medeplichtige schuldig heeft gemaakt aan afpersing van [slachtoffer] op de wijze zoals hierna is bewezenverklaard."
7.3.
De steller van het middel verwijt het hof dat de bewezenverklaring en de uitlatingen die daarin genoemd worden uitsluitend zijn gebaseerd op de verklaring van [slachtoffer] zelf. Steunbewijs ontbreekt. Deze klacht mist feitelijke grondslag. Op pagina 17 van het vonnis van de rechtbank wijst de rechtbank immers naar de verklaring van de zoon van [slachtoffer] , die zegt dat hij sms berichten van verdachte onder ogen heeft gekregen en dat het in ieder geval dreigementen waren. Hij las dat zijn vader werd bedreigd met geweld.
Dat [slachtoffer] eerst bang is geworden door de mededelingen van de politie doet er niet aan af dat [slachtoffer] zich tot de politie heeft gewend met de mededeling dat hij werd afgeperst.
Het hof heeft aangenomen dat [slachtoffer] is overgegaan tot betaling omdat hij werd bedreigd door verdachte. Dat heeft het hof uit de bewijsvoering kunnen opmaken.
Het middel faalt.
8. Het derde middel lijkt mij gegrond te zijn. De overige middelen kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO Pro ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het betreft de beslissingen over feit 3 en de strafoplegging, waaronder wel de schadevergoedingsmaatregel, maar niet de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij begrepen is, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.De zaken met de nrs. 16/06267 ( [verdachte] ), 17/00038 [medeverdachte 1] ) en 17/00200 ( [medeverdachte 2] ) hangen samen. In al deze zaken wordt heden geconcludeerd.
2.HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3189.
3.Omwille van de leesbaarheid te zijn de voetnootverwijzingen en de voetnoten weggelaten.
4.Wet van 10 december 1964,
5.AMvB van 1 december 1997,
7.Spelreglement casinospelen
8.Zie ook het door de rechtbank genoemde HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1624 en 1625 (belastingkamer).
9.Omwille van de leesbaarheid zijn de voetnoottekens en de voetnoten hier niet opgenomen.
10.Omwille van de leesbaarheid zijn de voetnoottekens en de voetnoten hier niet opgenomen.