Conclusie
eerste middelbevat de klacht dat de afwijzing door de rechtbank van een verzoek tot aanhouding van de behandeling van het beklag strijd oplevert met de beginselen van een goede procesorde, althans dat deze afwijzing zonder nadere motivering niet begrijpelijk is.
[klaagster]
tweede middelhangt enigszins samen met het eerste middel. Daarin wordt gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van haar uit art. 23, eerste lid, Sv voortvloeiende bevoegdheid tot het bevelen van het overleggen van nadere stukken c.q. het verrichten van nadere onderzoekshandelingen door het openbaar ministerie. Daarbij wordt gedoeld op het in opdracht van de officier van justitie nader ingestelde onderzoek naar de herkomst van de gelden waarmee de inbeslaggenomen Mercedes is gefinancierd. Volgens de steller van het middel had de rechtbank moeten wachten op het door de politie opgemaakte aanvullende proces-verbaal ter zake van de namens klaagster ingebrachte stukken, alvorens op het klaagschrift te beslissen
derde middelbehelst de klacht dat de ongegrondverklaring van het beklag zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. De steller van het middel merkt op dat de rechtbank in de bestreden beschikking (impliciet) heeft vastgesteld dat klaagster als rechthebbende op de in beslag genomen personenauto moet worden aangemerkt en dat tevens vaststaat dat jegens klaagster geen strafzaak is aangespannen. Onder deze omstandigheden moet uit de bestreden beschikking blijken dat de rechtbank zich bij de beoordeling van de waarschijnlijkheid van een latere verbeurdverklaring van de in beslag genomen personenauto rekenschap heeft gegeven van de toepasselijkheid van het bepaalde in art. 33a, tweede lid en onder a, Sr, [5] hetgeen volgens de steller van het middel niet het geval is.