Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
12 januari 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een klaagschrift tegen het beslag op een horloge dat volgens klager zijn eigendom is. De rechtbank verklaarde het klaagschrift ongegrond en handhaafde het beslag, stellende dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter tot verbeurdverklaring zal besluiten in een strafprocedure tegen de verdachte.
In cassatie klaagt klager over de onvoldoende motivering van dit oordeel. De Hoge Raad herhaalt de maatstaf dat bij beslag op een voorwerp van een ander dan de verdachte, de rechter moet toetsen of het belang van strafvordering het beslag rechtvaardigt en of klager redelijkerwijs als rechthebbende moet worden beschouwd.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank niet heeft aangetoond dat een van de voorwaarden uit art. 33a lid 2 Sr is vervuld, die verbeurdverklaring van voorwerpen van derden mogelijk maakt. Het oordeel van de rechtbank is daardoor onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd.
De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor een nieuwe beoordeling op het bestaande klaagschrift.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor een nieuwe beoordeling.