Conclusie
eerste middelbevat twee onderdelen, waarvan het eerste onderdeel kritiek heeft op de bewezenverklaring en in verschillende klachten uiteenvalt. Het tweede onderdeel stelt dat in strijd is gehandeld met de praesumptio innocentiae, neergelegd in het tweede lid van artikel 6 EVRM Pro, omdat verdachte bij de beslissing van de rechtbank van 1 september 2016 in dezelfde zaak van de invoer van een middel, voorkomend op lijst I bij de Opiumwet is vrijgesproken.
tweede middelklaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. Op 28 december 2016 is namens verdachte cassatie ingesteld en het dossier is eerst ter griffie van de Hoge Raad op 3 november 2017 ontvangen, zodat de inzendtermijn met twee maanden en zes dagen zou zijn overschreden.