Conclusie
de man)en verweerster in cassatie (hierna:
de vrouw) hebben een samenlevingscontract gesloten en zijn gezamenlijk eigenaar van een woning en een verhuurd bedrijfspand. In deze procedure gaat het, voor zover in cassatie nog van belang, om de verdeling van deze onroerende zaken en de verkregen huurinkomsten. Het hof is van oordeel dat over de diverse door partijen gedane verdelingsvoorstellen geen volledige overeenstemming is bereikt, zodat geen verdeling tot stand is gekomen. Het hof heeft bepaald dat de panden (onder bepaalde voorwaarden) aan de man worden toebedeeld en dat deze moeten worden getaxeerd met als peildatum de datum van taxatie. Verder heeft het hof het oordeel van de rechtbank bekrachtigd dat de man, kort gezegd, de helft van de huurinkomsten van het bedrijfspand aan de vrouw moet vergoeden tot de datum van levering van haar aandeel aan de man. In cassatie draait het met name om de vraag of partijen reeds een verdeling waren overeengekomen, met alle consequenties van dien voor onder meer de waardepeildatum.
1.Feiten en procesverloop
toev. A-G [3] ], met toedeling van de aandelen in [A] B.V. aan hem. [4]
2.Bespreking van het cassatiemiddel
hierop neer, dat het huis aan u wordt toegescheiden met de erop rustende schuld, het bedrijfspand aan u wordt toegescheiden met inbegrip van alle lusten en lasten, evenals de woning en de aandelen.
Kunt u mij aangeven of ik op korte termijn een antwoord van [de vrouw] kan verwachten? Uiteindelijk heb ik ingestemd met haar voorstel dus het verbaast me dat er zoveel tijd nodig is om dat af te ronden. Het heeft nog steeds mijn voorkeur om de zaken onderling te regelen, maar mocht het weer op een ‘nee’ stuiten dan stel ik vast dat er sprake is van structurele weigering door de wederpartij om gedurende de afgelopen vijf jaar mee te werken aan een oplossing.”
subonderdeel 1.1) en (ii) zekerheid over het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid (
subonderdeel 1.2) niet behoren tot de essentialia van het begrip ‘verdeling’ ex art. 3:182 BW Pro. Daartoe wordt aangevoerd dat voor een verdeling volstaat dat duidelijk is wat aan wie wordt toegedeeld (procesinleiding, p. 3 en 5).
vanverdeling dient te worden onderscheiden van de – weinig voorkomende – figuur van de overeenkomst
totverdeling. Bij die laatste (obligatoire) overeenkomst verbinden de deelgenoten zich over en weer op een bepaalde wijze de verdeling tot stand te brengen. Men denke aan het geval dat alle deelgenoten de notaris hebben meegedeeld akkoord te zijn met het door hem opgemaakte ontwerp van een akte van verdeling, waarna de notaris hiervan mededeling heeft gedaan aan alle partijen. In een en ander ligt besloten (vgl. art. 3:37 lid 1 BW Pro) dat zij zich jegens elkaar hebben verbonden de akte van verdeling overeenkomstig het ontwerp tot stand te brengen. [23] Deze overeenkomst tot verdeling kan voor de toepassing van een bepaling als art. 3:196 BW Pro met een verdeling op een lijn worden gesteld. [24]
verdelingin de zin van art. 3:182 BW Pro. Ik waag te betwijfelen of dat inderdaad het geval is. De stellingen van de man in feitelijke instanties over de tussen partijen bereikte ‘overeenstemming’ staan mijns inziens niet ondubbelzinnig in de sleutel van een gepretendeerde verdeling. Zij laten zich ook lezen als een beroep op de totstandkoming van een overeenkomst
totverdeling (zie hiervoor onder 2.11). Zo heeft de man gesteld dat de vrouw “geen gevolg heeft gegeven aan de gemaakte afspraken” en dat zij “gehouden is om mee te werken aan de afwikkeling van de overeengekomen regeling” [25] , welke terminologie moet worden bezien tegen de achtergrond van het feit dat partijen doende waren de verdeling door een notaris in een akte van verdeling te laten vastleggen. Ook naar de vaststelling van het hof stelde de man zich op het standpunt dat “de vrouw gehouden (was) tot medewerking aan de afwikkeling van de regeling waarover partijen in januari 2015 overeenstemming hadden bereikt” (rov. 3.6, eerste volzin) en spreekt het hof slechts van ‘overeenstemming’, zonder aan te geven dat het om een verdeling zou gaan. Ten slotte strookt met deze lezing dat de man primair heeft verzocht om
toedelingvan de panden (zie hiervoor onder 1.2 en 1.5) – waarmee hij naar eigen zeggen beoogde de rechtbank de verdeling te laten vaststellen [26] – en niet om een verklaring voor recht dat de verdeling in januari/februari 2015 tot stand is gekomen.
subonderdeel 1.1.
subonderdeel 1.2faalt bij gemis aan feitelijke grondslag. Het hof is er niet van uitgegaan dat zekerheid omtrent het ontslag van de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid behoort tot de essentialia van de overeenkomst van verdeling, maar heeft slechts overwogen dat het ontbreken van informatie omtrent dat ontslag een aanwijzing vormt dat de man met zijn e-mail van 1 april 2015 niet heeft verzocht om mee te werken aan de afwikkeling van de regeling, zoals hij stelt.
voortsals onbegrijpelijk de vaststelling van het hof dat het voorstel van de vrouw van 26 januari 2015 een betalingsregeling inhoudt volgens welke het bedrag van € 40.000 in één keer zou worden betaald (rov. 3.7, eerste volzin). Daartoe wordt aangevoerd dat haar voorstel om alles “in één keer in een lumpsum af te lossen” niet ziet op het betalen in één keer, maar op de betaling van één bedrag voor alle te verdelen bestanddelen.
Cliënte heeft aan gegeven er de voorkeur aan te geven te trachten één en ander in één keer in een lumpsum af te lossen.” [28] kennelijk zo uitgelegd, dat het voorstel van de vrouw zowel impliceerde dat met één ‘lumpsum’ de diverse in het voorstel genoemde posten zouden worden gecompenseerd, als dat betaling van die som in één keer zou geschieden. Dit feitelijk oordeel is niet onbegrijpelijk.
subonderdeel 1.1 tot slotnog klaagt.
voortsover onbegrijpelijkheid van de overweging (in rov. 3.7) dat, zoals het middel het formuleert, de man zijn reactie vergezeld had moeten doen gaan van informatie over het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldleningen. De klacht kom erop neer dat de man nog niet over een bevestiging van de bank kón beschikken, nu dit ontslag pas aan de orde komt bij het financieringsverzoek ten behoeve van de leveringshandeling en de verlening van het ontslag mede afhankelijk is van de verdeling.
primairevordering van de man tot toedeling van een aantal goederen. Die hield specifiek in dat de man het in verband met overbedeling te betalen bedrag van € 40.000 in termijnen (eenmalig € 20.000 binnen een week na betekening van het vonnis en vervolgens in twaalf maandtermijnen van € 1.666,60) zou mogen betalen. Het hof heeft de primaire vordering afgewezen en daarmee ook de gevorderde betalingsregeling afgewezen. De subsidiaire vordering van de man tot vaststelling van de verdeling bevatte geen vordering tot vaststelling van een betalingsregeling. Het hof was daarom niet gehouden een betalingsregeling op te nemen.
peildatumvoor de waardering bij de door hem vast te stellen verdeling moet worden gehanteerd. Het hof komt daarin tot de conclusie dat geen van de door de man genoemde data als datum van
verdelingen uit dien hoofde als peildatum kan worden aangemerkt.
a.-c.,verwijzingen [
ad a.] enz. en voetnoot):
ten eerstetegen de vaststelling (in rov. 3.12) dat geen verdeling tot stand is gekomen omdat partijen het niet eens zijn geworden over de financiële consequenties van de verdeling. Daartoe wordt aangevoerd, zo begrijp ik, dat in beide genoemde gevallen (protest van de vrouw i.v.m. de voorstellen van 6 december 2011 respectievelijk 26 januari 2015) de vrouw heeft geprotesteerd enkele dagen
nadat er overeenstemming was bereikt.
ten tweede(procesinleiding p. 7 midden) dat, anders dan het hof van oordeel is, de financiële consequenties van hetgeen waarover partijen het eens waren wél voldoende duidelijk waren (namelijk de verschuldigdheid van een bedrag ad € 40.000), zodat zich geen situatie voordeed als aan de orde in de hiervoor besproken uitspraak van uw Raad van 8 februari 2013.
ten derde(procesinleiding p. 7 onderaan) tegen de verwerping van het beroep van de man op art. 3:35 BW Pro “
mede tegen de achtergrond van de omstandigheid dat de man zelf heeft nagelaten de vrouw (…) duidelijkheid te verschaffen” over haar ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire schulden (rov. 3.12). De klacht verwijst naar hetgeen daarover is gesteld op (naar ik begrijp) procesinleiding p. 5 onderaan/p. 6 bovenaan, en dat erop neer komt dat de man, kort gezegd, die informatie niet kon verschaffen (zie hiervoor onder 2.21).
€ 270.000,- en een overwaarde van € 45.000,-. Daartoe heeft de man twee taxatierapporten overgelegd waarbij is getaxeerd tegen peildatum 14 januari 2016. De vrouw heeft voor de woning aan de [a-straat 1] een overwaarde van € 50.000,- berekend, uitgaande van een waarde van
€ 550.000,-. Zij heeft daartoe gewezen op de verkoopprijs van twee nabijgelegen woningen in 2017 en op de WOZ waarde van 2015. Voor het bedrijfspand aan de [b-straat 1] gaat zij uit van een waarde van € 420.000,-, gebaseerd op 14 x de jaarhuur ad € 28.000,- en een overwaarde van
€ 260.000,-.
ten eerstetegen de beslissing dat – nu partijen van mening verschillen over de waarde van de panden – de waarde moet worden vastgesteld
per datum taxatie. Geklaagd wordt dat die beslissing zich niet verdraagt met de vaststelling dat partijen zich ieder steeds op het standpunt hebben gesteld dat de panden aan de man moeten worden toegedeeld (rov. 3.12 en rov. 3.14). Betoogd wordt dat naar vaste rechtspraak de waarde moet worden bepaald naar het moment van feitelijke verdeling, dat wil zeggen het moment waarop partijen besluiten wat aan wie moet worden toegedeeld.
tweedeklacht (procesinleiding p. 8 midden) ziet op het verband dat het hof legt tussen het uitblijven van door de man te verschaffen duidelijkheid over het ontslag van de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid en de vertraging in de totstandkoming van een verdeling.
uitsluitendtoerekent aan de man. Bovendien valt niet in te zien welk belang de man heeft bij deze klacht, nu de opmerking van het hof uitsluitend dient als toelichting voor zijn aanpak om vast van twee scenario’s uit te gaan.
derdeklacht (procesinleiding p. 8 onderaan) berust erop dat de verdeling heeft plaatsgevonden, hetzij in 2012, hetzij in 2015, en strekt tot betoog dat de man door de waardebepaling per datum taxatie ongerechtvaardigd wordt benadeeld.
vierdeklacht betoogd, behoefde het hof niet afzonderlijk in te gaan op de stellingen van de man in zijn memorie van grieven onder 24. Deze zijn onderdeel van de toelichting op grief 2, betreffende de te hanteren peildatum voor de waarde van de woning aan de [a-straat 1] . Nadat de man in alle toonaarden heeft betoogd dat de vrouw – kort gezegd – sedert het uit elkaar gaan van partijen niet aan een verdeling heeft
willenmeewerken – en dat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een eerdere peildatum meebrengt (onder 21-23, weergegeven door het hof in rov. 3.8 onder c) –, stelt hij onder randnummer 24 dat de vrouw ook geen
belangheeft bij een spoedige afwikkeling van de verdeling, omdat door de lineaire aflossing van de hypotheek op het bedrijfspand aan de [b-straat 1] de jaarlijkse schuld met € 10.800,- afneemt en per persoon dus voor de helft daarvan. Het hof heeft deze stelling kennelijk en begrijpelijk gezien als een nadere stelling in het kader van het beroep op de redelijkheid en billijkheid. Het hof heeft dit beroep – in cassatie niet bestreden – verworpen in rov. 3.13.
leveringvan het bedrijfspand aan de man dan wel een derde. Dit oordeel zou onjuist althans onbegrijpelijk zijn voor zover het betrekking heeft op de periode na het moment van
verdeling.