Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.2, dat onder meer betoogt dat dit oordeel onbegrijpelijk is. De in beide subonderdelen opgenomen klachten over de begrijpelijkheid van de (samenhangende) oordelen dat niet de toegezonden toelatingsovereenkomst, maar een daarop gelijkende contractuele relatie tot stand is gekomen, lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
op zijn minsteen contractuele relatie met kenmerken van een toelatingsovereenkomst zijn aangegaan, behoeft mijns inziens nauwelijks uitleg. [eiseres 2] heeft [verweerder] immers, na het einde van zijn arbeidsovereenkomst, toegelaten om in het ziekenhuis zijn werkzaamheden te verrichten en [verweerder] heeft vervolgens daadwerkelijk werkzaamheden uitgevoerd. Dat partijen een contractuele relatie met kenmerken van een toelatingsovereenkomst zijn aangegaan, wil echter nog niet zeggen dat [verweerder] ook (integraal) de concept toelatingsovereenkomst stilzwijgend heeft aanvaard. Of deze conclusie op haar plaats is, hangt af van een beoordeling van de omstandigheden van het geval. In voorkomende gevallen zal aan het gegeven dat tussen partijen een concept overeenkomst ‘op tafel komt’ en partijen vervolgens, zonder aan dat concept nog woorden vuil te maken, uitvoering geven aan de in het concept beschreven contractuele relatie, de conclusie kunnen worden verbonden dat partijen de inhoud van het concept integraal hebben aanvaard. Dat het hof in dit geval tot een ander oordeel komt, in elk geval ten aanzien van het arbitragebeding, is naar mijn mening echter niet onbegrijpelijk. Daarbij speelt onder meer een rol dat, zoals het hof ook in overweging neemt, [verweerder] verschillende malen is gerappelleerd om de overeenkomst te ondertekenen, maar dit niet heeft gedaan. Dat laat zich lastiger rijmen met een stilzwijgende aanvaarding dan de situatie waarbij partijen naar het concept niet meer hebben omgekeken. Dat het hof in zijn oordeel heeft laten meewegen dat niet te snel moet worden aangenomen dat stilzwijgend is ingestemd met afstand van de aan hem op grond van de wet toekomende rechter, is evenmin onbegrijpelijk in het licht van art. 17 Gw Pro. Van [verweerder] kan ook niet worden gezegd, althans daar blijkt niet van, dat hij het arbitragebeding als zodanig door andere gedragingen heeft aanvaard.
subonderdelen 1.1 en 1.2falen. In het spoor daarvan faalt
subonderdeel 1.3, dat op de voorgaande subonderdelen voortbouwt.
Subonderdeel 1.4faalt derhalve.
subonderdelen 1.5 en 1.6bevatten diverse klachten ten aanzien van het in het Reglement mogelijk disfunctioneren lid Medische Staf (hiervoor al gedefinieerd als: ‘het Reglement’) opgenomen arbitraal beding. Volgens de klachten van subonderdeel 1.5 heeft het hof het bestaan van het arbitrale beding miskend, dan wel miskend dat zijn oordeel een beslissing inhield omtrent een geschil over de toepassing van het Reglement, zodat het daarin opgenomen arbitragebeding aan bevoegdheid van de burgerlijke rechter in de weg zou staan. Subonderdeel 1.6 veronderstelt dat het hof heeft geoordeeld dat [verweerder] niet aan het beding gebonden is en richt klachten tegen dat (veronderstelde) oordeel.
subonderdelen 1.5 en 1.6falen.
subonderdeel 1.7. Slotsom is dat
onderdeel 1niet tot cassatie leidt.
aanwezigis dan bij de vraag of een zwaarwegende grond
vereistis.
Subonderdeel 2.1faalt.
subonderdeel 2.2betogen [eiseressen] dat, gezien de door het hof genoemde noodzaak van contractuele inkadering van de toelating van vrijgevestigde medisch specialisten, geen zwaarwegende grond tot opzegging noodzakelijk is indien een specialist weigert de toelatingsovereenkomst te tekenen. [eiseressen] voeren daartoe onder meer aan dat zij de door de weigering van [verweerder] ontstane contractuele onduidelijkheid niet kunnen beëindigen als voor opzegging een zwaarwegende grond vereist is. Me dunkt dat [eiseressen] de kennelijk ongewenste contractuele onduidelijkheid beter niet hadden kunnen laten ontstaan, dan haar nu als argument te gebruiken voor een ruimere opzeggingsbevoegdheid. Hoe dan ook: de stelling dat de weigering de ene overeenkomst te ondertekenen in de weg staat aan het verlangen van een zwaarwegende grond voor opzegging van de andere overeenkomst, berust mijns inziens op een onjuiste rechtsopvatting.
Subonderdeel 2.2faalt.
subonderdeel 2.3faalt.
onderdeel 2doel.
onderdeel 3richten [eiseressen] zich tegen het oordeel dat een zwaarwegende grond voor de opzegging van de overeenkomst met [verweerder] ontbrak. Het onderdeel beslaat veertien subonderdelen die het oordeel dat een zwaarwegende grond ontbrak vanuit verschillende invalshoeken bestrijden.
subonderdeel 3.1, dat betoogt dat ’s hofs vaststelling dat de route naar beëindiging op onzorgvuldige wijze is gevolgd, niet zonder meer betekent dat geen zwaarwegende grond voor beëindiging bestaat. Naar het oordeel van het hof is het nu juist wel zo dat vanwege de onzorgvuldige aanloop (vooralsnog) een zwaarwegende grond ontbrak. Daaraan doet niet af dat, zoals door het subonderdeel wordt gesteld, het veronderstellenderwijs aan te nemen disfunctioneren van [verweerder] bij het doorlopen van een zorgvuldige procedure wellicht wel tot een zwaarwegende grond voor opzegging had geleid. In de visie van het hof vergt de vraag of sprake is van een zwaarwegende grond immers een beoordeling van (onder meer) (dis)functioneren en procedure in onderling verband, zodat het oordeel van het hof niet zonder meer kan worden vergeleken met de situatie dat wel een zorgvuldige procedure was gevolgd.
Subonderdeel 3.2mist doel.
Subonderdeel 3.3faalt.
subonderdeel 3.4richten [eiseressen] hun pijlen op de overweging van het hof inzake de ‘sur-pass’ in rov. 6.5.4. (hiervoor randnummers 1.6 en 2.10). Het subonderdeel veronderstelt dat het hof heeft geoordeeld dat [eiseressen] de beëindiging van de toelating niet meer op dat incident konden baseren, terwijl dit incident volgens [eiseressen] de druppel was die de emmer deed overlopen. De klacht faalt, omdat het hof in rov. 6.5.13. in het midden heeft gelaten of sprake was van medisch-technisch disfunctioneren en/of een gebrek aan bereidheid tot samenwerking, en dus ook het ‘sur-pass’ incident niet als grondslag voor deze verwijten heeft uitgesloten. Het hof heeft het ‘sur-pass’ incident dan ook in rov. 6.5.4. besproken in het kader van de zorgvuldige route naar opzegging en niet in het kader van het al dan niet bestaan van medisch-technisch disfunctioneren en/of een gebrek aan bereidheid tot samenwerking.
Subonderdeel 3.4faalt.
subonderdeel 3.5faalt.
Subonderdeel 3.6mist doel.
Subonderdeel 3.7faalt derhalve.
subonderdeel 3.8wordt allereerst betoogd dat [eiseressen] in december 2012 tot uitgangspunt konden nemen dat sprake was van gegronde meldingen omdat gelet op rov. 6.5.13. (veronderstellenderwijs) in cassatie tot uitgangspunt moet worden genomen dat sprake is van medisch-technisch disfunctioneren. Dit betoog miskent dat de veronderstelling dat sprake is van medisch-technisch disfunctioneren alleen betekenis heeft in de afweging of in het licht van enerzijds het veronderstelde disfunctioneren en anderzijds de onzorgvuldige route naar beëindiging, sprake is van een voldoende zwaarwegende grond tot opzegging. Bij de beantwoording van de vraag of [eiseressen] in december 2012 tot uitgangspunt konden nemen dat sprake was van gegronde meldingen speelt deze veronderstelling geen rol. Het subonderdeel veronderstelt verder dat het hof in rov. 6.5.8. heeft geoordeeld dat de Raad van Bestuur er in december 2012, na het ontvangen van de meldingen, direct van uitging dat sprake was van gegronde meldingen, en bestrijdt dit oordeel. Uit de bestreden rechtsoverweging valt echter niet het oordeel op te maken dat de Raad van Bestuur er direct van uitging dat sprake was van gegronde meldingen, zodat de klacht faalt vanwege een verkeerde lezing van het arrest. Het hof heeft in rov. 6.5.8. slechts overwogen dat het op 3 december 2012 zo leek te zijn dat er bij [eiseressen] een ongunstig beeld over [verweerder] bestond.
Subonderdeel 3.8faalt.
Subonderdeel 3.9mist doel.
Subonderdeel 3.10betoogt dat dit oordeel onbegrijpelijk is, omdat [verweerder] in het kader van zijn verzoek om een (extern) onderzoek naar zijn functioneren heeft aangegeven dat daarvoor tevens voorwaarde was dat hij per 1 februari 2013 weer zou gaan opereren. Het subonderdeel verwijst naar de door het hof in rov. 6.1.27. vastgestelde feiten (hiervoor randnummer 1.26) en een in de memorie van antwoord geciteerde brief van [verweerder] . [16] De klacht mist feitelijke grondslag. Uit zowel de door het hof vastgestelde feiten als de in de memorie van antwoord geciteerde brief volgt immers dat [verweerder] aan het door de maatschap gedane voorstel om weer te gaan opereren de voorwaarde heeft verbonden van een extern onderzoek, en dus niet andersom. [17] Hierop strandt
subonderdeel 3.10.
subonderdeel 3.11onbegrijpelijk, omdat [verweerder] naar het oordeel van het hof terecht een onderzoek door een extern deskundige verlangde en dus niet valt in te zien waarom het niet doen van eigen onderzoek desalniettemin relevant zou zijn. De klacht faalt, omdat het hof met de gewraakte overwegingen in rov. 6.5.10. en 6.5.11. onder woorden heeft gebracht dat [eiseressen] er naar zijn oordeel niet mee konden volstaan om de door collega’s van [verweerder] gemaakte verwijten voor juist aan te nemen, maar de juistheid daarvan – op een wijze onafhankelijk van de personen die de meldingen hadden gedaan – hadden moeten onderzoeken. Het voorstel van [verweerder] om hiertoe een onafhankelijk deskundige te benoemen ligt hiermee in lijn. Overigens sluit het oordeel van het hof, dat het verzoek van [verweerder] niet onredelijk was, mijns inziens niet uit dat als [eiseressen] zich op een andere wijze hadden gekweten van hun onderzoeksplicht – mits op deskundige wijze en met voldoende afstand tot de personen die de melding hadden gedaan –, het hof zou hebben geoordeeld dat [verweerder] zich daarmee tevreden had moeten stellen. Een en ander brengt met zich dat
subonderdeel 3.11faalt.
subonderdeel 3.12faalt om die reden.
subonderdeel 3.14bouwt voort op de subonderdelen 3.1-3.12. Beide subonderdelen falen in het spoor van de subonderdelen waarop zij voortbouwen.
onderdeel 3niet tot cassatie leidt.
Subonderdeel 4.1bevat louter op de onderdelen 1-3 voortbouwende klachten en faalt derhalve in het spoor daarvan.
subonderdeel 4.2faalt. Daarmee faalt
onderdeel 4.
onderdeel 6, dat vier subonderdelen beslaat, richten [eiseressen] zich tegen de oordelen van het hof inzake schade en eigen schuld in rov. 6.7.2. en 6.7.7. De eerste twee subonderdelen betreffen oordelen inzake de schadeomvang en het derde subonderdeel betreft het oordeel inzake eigen schuld. Het vierde onderdeel bevat een voortbouwende klacht.
Subonderdeel 6.1faalt derhalve.
subonderdeel 6.2richten [eiseressen] zich tegen de overweging in rov. 6.7.2. dat niet is onderzocht of en zo ja voor wie/welke maatschap een verbetertraject nodig was, voor zover deze overweging mede dragend is voor het oordeel dat niet onaannemelijk is dat [verweerder] tot zijn pensioengerechtigde leeftijd zou hebben doorgewerkt in het ziekenhuis. Ik begrijp de klacht aldus dat wordt betoogd dat niet aannemelijk is dat als dit onderzoek wel zou zijn uitgevoerd, aan de uitkomst daarvan het gevolg zou zijn verbonden dat alle andere specialisten (behoudens [verweerder] ) het veld hadden moeten ruimen (en [verweerder] dus ongehinderd tot zijn pensioen had kunnen doorwerken). Ik geloof echter niet dat het hof met zijn overweging deze mogelijke uitkomst voor ogen had. Het lijkt er meer op dat het hof juist de mogelijkheid open laat dat [verweerder] als gevolg van een verbetertraject bij hem of een van de andere betrokkenen/betrokken maatschappen, alsnog in samenwerking met de andere specialisten tot zijn pensioengerechtigde leeftijd had kunnen doorwerken.
Subonderdeel 6.2faalt derhalve wegens een verkeerde lezing van het arrest.
Subonderdeel 6.3faalt derhalve.
onderdeel 6.