Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeel [4] klaagt dat het oordeel van het hof in de rechtsoverwegingen 3.6.1 tot en met 3.6.3 en het dictum van de bestreden beschikking van 20 december 2018 rechtens onjuist, althans zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is. Ter toelichting wijst het onderdeel op de pleitnota [5] en het proces-verbaal van die zitting [6] . Het onderdeel stelt dat de man zich niet beperkt heeft tot de blote stelling dat hij belang heeft bij een gelijktijdige beslissing op het echtscheidingsverzoek en de nevenvoorzieningen, maar dat de (advocaat van de) man dit op de mondelinge behandeling heeft onderbouwd. Als de vordering van de man op de vrouw ter zake van verzwijging in hoger beroep wordt vastgesteld, hoeft de woning niet te worden verkocht maar kan deze door de man worden overgenomen. Als de woning moet worden verkocht, dan komt een toewijzing van de vordering van de man te laat. De man heeft derhalve wel een bijzonder belang gesteld, hetgeen het hof ten onrechte geheel onbesproken heeft gelaten.
verplichtis de beslissing met betrekking tot de echtscheiding uit te stellen totdat op de nevenvorderingen kan worden beslist. Dit is naar het mij voorkomt een kwestie van rechterlijk beleid, dat niet in cassatie kan worden getoetst.” [10]
opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgen, zoek maken of verborgen houdeneen bijzondere omstandigheid is in de zin van de genoemde jurisprudentie. Een deelgenoot die zich daar aan schuldig maakt handelt in strijd met de wet en keert zich juist tegen een ordelijke en eerlijke afwikkeling van een echtscheiding en dat mag uitzonderlijk heten, een bijzondere omstandigheid.” [16]
Onder deze omstandigheden behoefde het hof niet expliciet op deze stelling van de man in te gaan en is het oordeel van het hof weliswaar summier maar niet onbegrijpelijk. Het onderdeel is dus tevergeefs voorgesteld.
tweede onderdeel [21] klaagt dat het oordeel van het hof in de rechtsoverwegingen 3.7 tot en met 3.8 en het dictum rechtens onjuist, althans zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is. Het bijzondere belang dat de man reeds met betrekking tot het gelijktijdig beslissen op het echtscheidingsverzoek en de nevenvoorzieningen gesteld heeft, geldt ook voor de vraag of de uitvoerbaarverklaring bij voorraad dient te worden geschorst of ten onrechte is uitgesproken. Dit heeft het hof miskend, althans heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven. Voorts is rechtens onjuist, gelet op het bepaalde in artikel 149 Rv Pro, het oordeel van het hof in ro. 3.7.3 dat geen sprake is van nieuwe omstandigheden, dat niet is gebleken van een noodtoestand [22] en (in ro. 3.7.4) dat zich geen omstandigheden voordoen die schorsing van de uitvoerbaarverklaring in hoger beroep rechtvaardigen. Het onderdeel wijst erop dat die feiten en omstandigheden zijn te vinden in de pleitnota in appel en het proces-verbaal van de zitting. Het onderdeel stelt [23] voorts dat een bijzonder belang kan zijn gelegen in het feit dat, door de uitvoerbaar verklaring bij voorraad, een onomkeerbare situatie plaatsvindt, te weten de verkoop van de door de man bewoonde woning voordat is beslist op de nevenvoorzieningen c.q. verdeling van de gemeenschap als geheel. Indien het hof dit niet heeft miskend, heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang op dit punt. Ten slotte stelt [24] het onderdeel, onder verwijzing naar pagina 2 van de pleitnota van de man in hoger beroep, dat, nu de echtscheidingsbeschikking niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard, de daarvan afhankelijke nevenvoorzieningen dat ook niet kunnen omdat dit onverenigbaar is met het systeem. Het hof heeft deze grief VI van de man in hoger beroep ten onrechte onbesproken gelaten dan wel, indien het oordeel besloten ligt in ro. 3.7.2 van de bestreden beschikking, is dit oordeel rechtens onjuist en onbegrijpelijk. De echtscheiding komt pas tot stand na inschrijving in de daartoe bestemde registers en als dit wordt nagelaten, herleeft de gemeenschap weer. Er ontstaat dan een discrepantie als de gemeenschap – uitvoerbaar bij voorraad verklaard – is verdeeld en het huwelijk (bijvoorbeeld door niet-inschrijving) niet is ontbonden.
Voor de verzoekschriftprocedure bepaalt art 288 Rv Pro dat de rechter zijn eindbeschikking uitvoerbaar bij voorraad kan verklaren, met of zonder zekerheidstelling. Hij kan dit op verzoek of ambtshalve. Er zijn echter beslissingen waarvan de wet onherroepelijkheid vereist om deze ten uitvoer te kunnen leggen, bijvoorbeeld beschikkingen met betrekking tot de burgerlijke stand, afstammingszaken en adoptie (artt. 1:202 lid 1, 1:206 lid 1 en 1:207 lid 5 BW, 1:230 lid 1 BW). Ook de echtscheidingsbeschikking kan niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Ingevolge artikel 1:163 lid 1 BW Pro komt de echtscheiding tot stand door inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Artikel 1:20 lid 2 BW Pro stelt daarvoor echter de eis dat de echtscheidingsbeschikking in kracht van gewijsde is gegaan, met andere woorden onherroepelijk is geworden [29] . Dat is de achtergrond waarom een echtscheiding niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard. Dat argument geldt echter niet voor de nevenvoorzieningen. Zo ook de conclusie van A.G. Moltmaker voor HR 2 april 1999 waar hij stelt dat de rechter niet verplicht is de beslissing met betrekking tot de echtscheiding uit te stellen totdat op de nevenverzoeken kan worden beslist. Dit is een kwestie van rechterlijk beleid, dat niet in cassatie kan worden getoetst. [30]