ECLI:NL:PHR:2019:104

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 januari 2019
Publicatiedatum
5 februari 2019
Zaaknummer
17/02901
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 81 ROArt. 1 Wet op de identificatieplicht
Verwijzingen
12 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geldigheid bijzondere voorwaarde dagbesteding bij voorwaardelijke veroordeling

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin verdachte is veroordeeld voor diefstal van blikken bier en energiedrank uit een supermarkt. Het hof legde een voorwaardelijke gevangenisstraf op van één week met een proeftijd van twee jaar, verbonden aan algemene en bijzondere voorwaarden. Een van de bijzondere voorwaarden was dat verdachte zich optimaal zou inspannen voor het vinden en behouden van een dagbesteding.

De verdediging stelde in cassatie dat deze bijzondere voorwaarde te onduidelijk en te onbepaald was, mede omdat niet was aangegeven hoe lang de verdachte zich aan deze voorwaarde moest houden. De Hoge Raad overwoog dat sinds 19 september 2018 de algemene voorwaarden bij een voorwaardelijke veroordeling zijn beperkt tot het niet plegen van strafbare feiten gedurende de proeftijd, terwijl bijzondere voorwaarden, waaronder gedragsvoorwaarden, op grond van artikel 14c tweede lid Sr flexibel kunnen worden opgelegd.

De Hoge Raad stelde vast dat de proeftijd in het arrest was vastgesteld op twee jaar voor alle voorwaarden en dat de inspanningsverplichting gericht was op het bevorderen van goed levensgedrag, mede ondersteund door reclasseringstoezicht. De formulering van de bijzondere voorwaarde was bewust algemeen gehouden om de verdachte niet te beperken in de precieze invulling van de dagbesteding. De Hoge Raad verwierp het middel en bevestigde daarmee het arrest van het hof.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de bijzondere voorwaarde inzake dagbesteding is niet te onduidelijk of te onbepaald.

Conclusie

Nr. 17/02901
Zitting: 29 januari 2019
Mr. D.J.M.W. Paridaens
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 17 mei 2017 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 14 oktober 2016, waarbij de verdachte wegens “diefstal” is veroordeeld, bevestigd, met uitzondering van de straf. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een week, met toepassing van algemene en bijzondere voorwaarden zoals in het arrest omschreven en een proeftijd van 2 jaren, met aftrek als bedoeld in artikel 27(a) Sr.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelklaagt ten aanzien van één van de opgelegde bijzondere voorwaarden dat niet is aangegeven hoe lang de veroordeelde zich aan deze voorwaarde dient te houden en dat deze voorwaarde gelet op de zeer algemene omschrijving daarvan te onduidelijk en te onbepaald is.
Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf met algemene en bijzondere voorwaarden. Het dictum luidt:
“Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.
(…)
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal melden bij GGZ Bouman te Rotterdam op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich optimaal zal inspannen voor het vinden en behouden van een dagbesteding.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen bij de forensische polikliniek Bouman GGZ of andersoortige ambulante forensische zorg, waarbij een eenmalige kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek tot de mogelijkheden behoort, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar worden gegeven.
Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.”
5. De voorwaarde waar de steller van het middel over valt is de volgende: “dat verdachte zich optimaal zal inspannen voor het vinden en behouden van een dagbesteding”.
6. Het proces-verbaal van de zitting houdt in, als verklaring van de verdachte en voor zover van belang:
“Nu doe ik vrijwilligerswerk. Ik wil gaan werken, maar ik weet nog niet wat.”
7. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Ten tijde van ’s hofs arrest dienden aan een voorwaardelijke veroordeling, waarbij een of meer van de in artikel 14c, tweede lid Sr genoemde bijzondere voorwaarden werd(en) opgelegd, standaard drie algemene voorwaarden te worden gekoppeld, zoals geformuleerd in artikel 14c, eerste lid (oud) Sr. Sinds 19 september 2018 dient op grond van artikel 14c, eerste lid Sr aan een voorwaardelijke veroordeling nog slechts als algemene voorwaarde te worden verbonden dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. [1] In artikel 14c, tweede lid, Sr worden de bijzondere voorwaarden nader aangeduid. Artikel 14c, tweede lid, sub 14, Sr biedt de mogelijkheid tot het stellen van ‘andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende’. Dit maakt het mogelijk dat de rechter een bijzondere voorwaarde kan opleggen die hij passend en proportioneel acht, maar die niet specifiek in de wet is omschreven. Dit geeft de rechter de flexibiliteit die nodig is om de voorwaarden goed op de persoon van de veroordeelde af te stemmen, zonder dat een lange lijst van zeer specifieke voorwaarden, die mogelijk slechts sporadisch worden toegepast, in de wet opgenomen hoeft te worden. [2] Als gedragsvoorwaarden kunnen worden aangemerkt voorwaarden die strekken ter bevordering van een goed levensgedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden. [3] Op grond van artikel 14b, eerste lid, Sr dient de rechter die bepaalt dat een door hem opgelegde straf geheel of gedeeltelijk niet zal worden tenuitvoergelegd, daarbij een proeftijd vast te stellen. De maximale proeftijd was vóór 1 april 2012 afhankelijk van de voorwaarden die aan de voorwaardelijke veroordeling waren verbonden, maar dit onderscheid is sindsdien vervallen. [4] De wet lijkt de mogelijkheid niet uit te sluiten dat bij hetzelfde vonnis of arrest de duur van de proeftijd voor verschillende voorwaarden op verschillende termijnen wordt bepaald. Zo kan de rechter ervoor kiezen een bijzondere voorwaarde met betrekking tot het gedrag van de veroordeelde op te leggen met een proeftijd van drie jaar, terwijl de proeftijd voor de algemene voorwaarde(n) op twee jaar wordt gesteld. [5]
8. Uit het hiervoor onder 4 weergegeven dictum van ’s Hofs arrest blijkt dat de duur van de proeftijd voor alle toegepaste voorwaarden is bepaald op twee jaren. Voor zover het middel klaagt dat niet is aangegeven hoe lang de veroordeelde zich aan de betwiste bijzondere voorwaarde dient te houden, mist het feitelijke grondslag. Dat de formulering van deze voorwaarde niet opnieuw verwijst naar de reeds eerder gestelde proeftijd, doet hieraan niet af.
9. Voorts is de gestelde voorwaarde geformuleerd als een inspanningsverplichting. In aanmerking genomen dat de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij vrijwilligerswerk doet (p. 2 proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep) is het enige dat het hof als bijzondere voorwaarde heeft gesteld dat hij zich zal inspannen om bijvoorbeeld dit vrijwilligerswerk te blijven doen. Voorts is opdracht gegeven aan de reclassering om hem daarin te begeleiden, waaronder ook zal worden begrepen dat mocht het vrijwilligerswerk eindigen buiten de wil van de verdachte om en/of te wijten is aan factoren die buiten de macht van de verdachte liggen, dat de reclassering hem dan zal helpen om een andere dagbesteding te vinden. Dat de bijzondere voorwaarde wat algemeen is geformuleerd, zal naar mag worden aangenomen, zijn ingegeven door het simpele feit dat in het voordeel van de verdachte niet wordt gedicteerd hoe precies die dagbesteding eruit zou moeten zien, maar dit maakt de voorwaarde nog niet te onduidelijk of te onbepaald.
10. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81, eerste lid RO ontleende motivering.
11. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

1.De voorwaarden betreffende identiteitsvaststelling en reclasseringstoezicht zijn enkel relevant in het geval dat bijzondere voorwaarden aan een rechterlijke beslissing zijn verbonden. Daarom worden zij niet langer als algemene voorwaarden gesteld, maar op grond van art. 14c, derde lid, Sr van rechtswege verbonden aan een voorwaardelijke veroordeling waarbij een bijzondere voorwaarde is gesteld. Voor het geval de rechter beveelt dat voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn, heeft dat bevel dan mede betrekking op de voorwaarde van het reclasseringstoezicht en daarmee samenhangende identiteitsvaststelling. Vgl. Kamerstukken II, 2017/18, 34887, nr. 7, p. 7 en art. XLI van de Verzamelwet Justitie en Veiligheid 2018,
2.Kamerstukken II, 2009-2010, 32 319, nr. 3, p. 11.
3.Vgl. HR 26 november 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB6079.
4.Zie de Wet van 17 november 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met wijzigingen van regeling van de voorwaardelijke veroordeling en de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling,
5.Zie P.M. Schuyt in T&C Strafrecht, 2018, aant. 2a bij art. 14b Sr.