Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt over de verwerping van het verweer dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dat de betrokkene ten aanzien van [betrokkene 1] heeft verworven op nihil dient te worden gesteld op de grond dat een boedelvermenging heeft plaatsgehad door het huwelijk van [betrokkene 1] met de betrokkene in gemeenschap van goederen, zodat de helft van het te ontnemen voordeel aan haar toebehoort en dus niet voor ontneming vatbaar is.
13. In eerste aanleg is betoogd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van [betrokkene 1] op nihil moet worden gesteld, nu door haar huwelijk (in gemeenschap van goederen) met cliënt op 28 oktober 2008 op grond van art. 1:94 lid 2 BW Pro een boedelmenging heeft plaatsgehad waardoor al het vermogen van cliënt in de gezamenlijke gemeenschap terecht is gekomen. [betrokkene 1] is op haar beurt van rechtswege eigenaar geworden van het vermogen van cliënt, en daarmee van het beweerdelijk wederrechtelijk verkregen voordeel. Dat leidt ertoe dat het voordeel aan de benadeelde derde is gaan toebehoren, zodat dit voordeel naar analogie met art. 36e lid 8 Sr (oud) niet meer aan cliënt kan worden ontnomen.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat ten gevolge van het huwelijk tussen [betrokkene 1] en veroordeelde, de helft van het te ontnemen voordeel ten laste komt van [betrokkene 1] . Het gaat daarbij om de helft van wat door haarzelf is verdiend met werkzaamheden in de prostitutie. Volgens de raadsvrouw verhoudt dit zich niet met het doel en reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel.
de aan veroordeelde indertijd door [betrokkene 1] afgedragen verdiensten wederrechtelijk verkregen voordeel vormen”. Daarin heeft het huwelijk van de betrokkene (de veroordeelde) met [betrokkene 1] geen verandering gebracht.
massieve wetgevende stand van zaken die beoogt uitbuiting van de vrouw c.q. prostituee te voorkomen”.
Schutznorm, zoals die pleegt te worden genoemd, thans niet in stelling zou mogen worden gebracht op de grond dat
ookde betrokkene in zijn belang wordt getroffen, miskent dat dit nou precies de bedoeling is van de ontnemingsmaatregel. Die maatregel beoogt de betrokkene zodanig te treffen in zijn financiële belangen dat hij komt te verkeren in de vermogenspositie waarin hij zou hebben verkeerd als hij [betrokkene 1] niet zou hebben uitgebuit.
er geen rechtsregel is die in de weg staat aan ontneming van dit voordeel” getuigt dus niet van een onjuiste rechtsopvatting, noch is het onbegrijpelijk.
tweede middelklaagt over de afwijzing van het verzoek om [betrokkene 2] (de moeder van [betrokkene 1] ) als getuige op te roepen.
Indien uw hof de verweren van de verdediging over de hoogte van de uitgaven en de gemiddelde verdiensten niet volgt, wenst zij dat standpunt te concretiseren door de getuigen op deze punten (en andere, waaronder de gewerkte dagen per week en eventuele perioden waarin niet werd gewerkt etc.) te bevragen.” [6]
Ten aanzien van het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 2] overweegt het hof dat deze getuige bij de politie een verklaring heeft afgelegd over wat zij van [betrokkene 1] zou hebben gehoord over, onder andere, het moeten verdienen van een bepaalde som geld per dag. Mede gelet op het feit dat het (alleen) gaat om iets wat [betrokkene 1] tegenover [betrokkene 2] heeft gezegd op dit punt, valt zonder nadere toelichting niet in te zien waarom de getuige hierover nader bevraagd zou moeten worden. Immers, de getuige is niet zelf bij de dagelijkse werkzaamheden van [betrokkene 1] in de prostitutie geweest en kan kennelijk niet meer verklaren dan wat zij volgens haar van [betrokkene 1] heeft gehoord. Het hof acht de verdediging niet in haar belangen geschaad door het achterwege blijven van het horen van de getuige [betrokkene 2] .”
de auditu-arrest [7] door de rechter als een volwaardig bewijsmiddel kan worden aangemerkt en dat getuigen
de auditu(dus) ook ten gunste van de betrokkene kunnen verklaren. Het enkele feit dat [betrokkene 2] slechts kan verklaren over hetgeen zij van [betrokkene 1] heeft vernomen, kan dus niet dragend zijn voor de afwijzing van het verzoek, aldus de klacht.
enkele gronddat de verklaring van [betrokkene 2] slechts ‘van horen zeggen’ zou zijn, maar – zoals ik het lees – vanwege de betrekkelijk ondergeschikte betekenis van de verklaring van [betrokkene 2] bij de schatting van de omvang van het wederrechtelijk voordeel dat de betrokkene had verworven. Dat verdient toelichting van mijn kant.
heeft verklaard dat zij van haar dochter [betrokkene 1] heeft gehoord dat zij zeven dagen in de week werkte als prostituee”, en dit terwijl de raadsvrouw had bepleit dat de prostituees gemiddeld
vijfdagen per week werkten. ’s Hofs motivering op dit punt vervolgt na dit citaat (ik laat bronverwijzingen weg):
[betrokkene 1] heeft verklaard dat zij wel eens een vrije dag nam. [betrokkene 3] heeft verklaard dat zij elke dag voor veroordeelde werkte. Andere slachtoffers in de “Sneep”-zaak hebben bijna[allemaal, DA]
hetzelfde verklaard. [betrokkene 4] heeft verklaard dat zij elke dag werkte, nooit vrij kreeg en zelfs als zij ongesteld was moest doorwerken. [betrokkene 5] heeft verklaard dat zij in elk geval zes dagen per week werkte. Uitgaande van voormelde verklaringen kan worden vastgesteld dat de slachtoffers veelal zeven dagen per week moesten werken. Sporadisch blijkt van ziekte, vrije dagen of vakantie.
uit de eerste handbevinden over de omvang van de verdiensten van de prostituees, waaronder de verklaring van [betrokkene 1] zelf. Onder die omstandigheden had van de verdediging inderdaad nadere toelichting mogen worden verlangd waarom specifiek ook nog [betrokkene 2] moest worden gehoord als getuige. Als dat belang niet nader kan worden toegelicht, mag het hof aannemen dat “
de verdediging niet in haar belangen[wordt]
geschaad door het achterwege blijven van het horen van de getuige [betrokkene 2].”