Conclusie
mr. P. Vlas
1.Feiten en procesverloop
American Depository Sharesgenoteerd.
American Depository Shares).
Universal Musicvan het HvJEU [4] volgt dat, behoudens andere bijzondere omstandigheden, het intreden van zuiver financiële schade op de bankrekening van de beleggers niet leidt tot rechtsmacht van de rechter van het land van de bankrekening (rov. 4.7.12-4.7.13). De door VEB aangevoerde bijkomende omstandigheden (gelegen in de beleggingsrekeningen van de personen ten behoeve van wie zij optreedt, de omstandigheid dat BP wereldwijd opereert en haar aandeelhouders daardoor overal zitten en de omstandigheid dat de achterban van VEB in Nederland woont of daar beleggingsrekeningen aanhoudt) leiden er niet toe dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om over de vorderingen van VEB te oordelen (rov. 4.7.15-4.7.17). De positie van VEB als ‘305a-organisatie’ doet aan dit oordeel niet af (rov. 4.7.18-4.7.19).
Kolassa [5] en de zaak
Universal Musicen de consequenties daarvan voor de onderhavige zaak (rov. 3.16). Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat het HvJEU in het arrest
Universal Musichet toepassingsgebied van de in het arrest
Kolassaontwikkelde regel nader heeft geduid en omlijnd, nu in het arrest
Universal Musicis benadrukt dat het arrest
Kolassais gegeven binnen een bijzondere context en dat de enkele aanwezigheid van een bankrekening niet voldoende is voor de bevoegdheid van een gerecht, maar dat daarvoor bijkomende omstandigheden nodig zijn (rov. 3.17).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Kolassaen is van een situatie zoals in het arrest
Universal Musicgeen sprake.
Subonderdeel 2.1ziet op de omstandigheid dat BP zich richt op een wereldwijd beleggingspubliek, waaronder Nederlandse aandeelhouders, en dat VEB de belangen behartigt van een groot aantal beleggers die voor het overgrote deel in Nederland woonachtig zijn.
Subonderdeel 2.2wijst op de relevantie van de stelling dat de schikking die BP in het kader van de procedures in de Verenigde Staten heeft getroffen met andere aandeelhouders niet is aangeboden aan de beleggers van wie VEB de belangen behartigt alsmede de stelling dat er in Europa geen andere soortgelijke procedures worden gevoerd tegen BP.
Subonderdeel 2.3heeft betrekking op de door VEB aangevoerde omstandigheid dat zich ook consumenten bevinden onder de aandeelhouders ten behoeve van wie VEB optreedt, en dat de EEX-Verordening een bijzondere rechtsbescherming biedt aan consumenten.
indirectvoordoet op de beleggingsrekening van de belegger. [11] Het hof heeft echter niet vastgesteld of – overeenkomstig de stellingen van de VEB [12] – de gestelde (zuiver financiële) schade zich rechtstreeks heeft voorgedaan op de in Nederland aangehouden beleggingsrekeningen. Daarom moet hiervan in cassatie veronderstellenderwijs worden uitgegaan.
Kolassaging het om het volgende geval. De in Oostenrijk woonachtige Kolassa heeft geïnvesteerd in bepaalde certificaten (obligaties aan toonder) uitgegeven door Barclays Bank, een in Londen gevestigde bank die ook een filiaal in Frankfurt am Main (Duitsland) heeft. Bij de uitgifte van de certificaten heeft Barclays Bank een prospectus opgesteld, die ook in Oostenrijk is genotificeerd. Kolassa heeft de certificaten niet rechtstreeks aangekocht bij Barclays Bank, maar bij een Oostenrijkse bank, die deze heeft besteld bij haar Duitse moedermaatschappij, die de certificaten op haar beurt bij Barclays Bank heeft gekocht. De Oostenrijkse bank heeft de bestelling van Kolassa ‘via de effectenrekening’ uitgevoerd, dat wil zeggen dat zij als dekkingsfonds de certificaten in eigen naam en voor rekening van haar cliënten te München in bewaring heeft gehouden. Kolassa heeft slechts een aanspraak op levering van de certificaten gekregen ter hoogte van zijn aandeel in het dekkingsfonds; de certificaten zelf konden niet aan hem worden overgedragen. De waarde van de certificaten werd bepaald aan de hand van een index die uit een portefeuille van verschillende doelfondsen bestond. Deze portefeuille werd samengesteld en beheerd door een in Duitsland gevestigde vennootschap. Nadat de certificaten waardeloos waren geworden, heeft Kolassa zich als gedupeerde belegger tot de Oostenrijkse rechter gewend en van Barclays Bank schadevergoeding gevorderd op grond van (onder meer) prospectusaansprakelijkheid. De Oostenrijkse rechter heeft aan het HvJEU prejudiciële vragen gesteld, waaronder de vraag of art. 5 punt Pro 3 EEX-Vo (nr. 44/2001) – de voorganger van het huidige art. 7 punt Pro 2 EEX-Vo – aldus moet worden uitgelegd dat in geval van aankoop van een waardepapier op grond van opzettelijk onjuiste informatie ervan moet worden uitgegaan dat de plaats waar de schade zich heeft voorgedaan, de woonplaats van de gelaedeerde is als het centrum van zijn vermogen. Het HvJEU heeft naar aanleiding daarvan onder meer het volgende overwogen:
Kronhofer, EU:C:2004:364, punt 20) – daar de emittent van een certificaat die zijn wettelijke verplichtingen met betrekking tot het prospectus niet nakomt erop moet rekenen, wanneer hij besluit het prospectus voor dat certificaat in andere lidstaten te laten notificeren, dat in die lidstaten wonende onvoldoende geïnformeerde marktdeelnemers in dat certificaat investeren en schade lijden.
Universal Musicbetrof, kort gezegd, het volgende geval. Een in Nederland gevestigde rechtspersoon (Universal Music) heeft in 1998 in Tsjechië een optieovereenkomst gesloten met betrekking tot aandelen in een Tsjechische platenmaatschappij. Bij het opstellen van dat contract is door een medewerker van een Tsjechisch advocatenkantoor een fout gemaakt, waardoor Universal Music een te hoge prijs voor de aandelen zou moeten betalen. In 2005 hebben Universal Music en de Tsjechische platenmaatschappij een vaststellingsovereenkomst in Tsjechië gesloten. Vervolgens heeft Universal Music zich gewend tot de rechtbank van haar woonplaats (Utrecht) en schadevergoeding gevorderd van de medewerker van het advocatenkantoor en van de toenmalige partners van dat kantoor. Universal Music heeft daartoe gesteld dat zij initiële vermogensschade in Nederland heeft geleden als gevolg van betalingen die zij vanaf een Nederlandse bankrekening heeft verricht. De Hoge Raad heeft prejudiciële vragen gesteld over de uitleg van art. 5 punt Pro 3 EEX-Vo (nr. 44/2001). [15] Het HvJEU heeft overwogen dat de schade is ingetreden in Tsjechië, de plaats waar Universal Music een vaststellingsovereenkomst had gesloten waarna op haar vermogen een onherroepelijke betalingsverplichting drukte (rov. 31-32). Vervolgens heeft het Hof aanleiding gezien om het arrest
Kolassanader te preciseren:
Kolassa(C‑375/13, EU:C:2015:37), in punt 55 van de motivering vastgesteld dat de gerechten van de woonplaats van de verzoeker uit hoofde van het intreden van de schade bevoegd zijn wanneer die schade zich rechtstreeks voordoet op de bankrekening van die verzoeker bij een in het rechtsgebied van die gerechten gevestigde bank.
Universal Music. Daarin heeft de A-G gewezen op de in de
Kolassa-zaak aanwezige omstandigheid dat de verwerende partij in Oostenrijk een prospectus had gepubliceerd over de betrokken financiële certificaten en dat een Oostenrijkse bank de certificaten had (door)verkocht. Het Hof heeft niet expliciet overwogen dat deze omstandigheden inderdaad een rol spelen bij de toekenning van de bevoegdheid aan de Oostenrijkse rechter in de zaak
Kolassa, maar op grond van de verwijzing naar de conclusie van A-G Szpunar ligt dit wel voor de hand.
Universal Musicduidelijk dat de plaats waar een bankrekening (betaalrekening) wordt gehouden waarop zich rechtstreeks financiële schade manifesteert, zonder bijkomende omstandigheden, niet een relevant aanknopingspunt kan opleveren voor bevoegdheid op grond van het ‘Erfolgsort’. De plaats van de bankrekening waarop de schade zich rechtstreeks voordoet, kan volgens het Hof alleen in combinatie met andere bijzondere omstandigheden leiden tot aanwijzing van de internationaal bevoegde rechter. [16]
Löbergewezen, waarin een vordering tot schadevergoeding van een gedupeerde belegger tegen een bank wegens prospectusaansprakelijkheid aan de orde kwam. [17] De omstandigheden van deze zaak zijn vergelijkbaar met die van de zaak
Kolassa. De feiten lagen als volgt. De in Wenen woonachtige Löber heeft door Barclays Bank uitgegeven certificaten gekocht. De certificaten zijn aangekocht door bemiddeling van twee verschillende Oostenrijkse banken, gevestigd te Salzburg en Graz, via twee verschillende bij deze banken aangehouden effectenrekeningen (het HvJEU spreekt in dit verband van ‘afwikkelingsrekeningen’, in de officiële procestaal: ‘Verrechnungskonten’). De certificaten zijn uitgegeven op basis van een Duitse prospectus, waarvan de Oostenrijkse Centrale Bank (Österreichische Kontrollbank) in kennis is gesteld. Nadat de certificaten waardeloos waren geworden, heeft Löber bij het Handelsgericht Wien een vordering tot schadevergoeding ingesteld tegen Barclays Bank op grond van prospectusaansprakelijkheid. Het Oberste Gerichtshof heeft vragen gesteld over de uitleg van art. 5 punt Pro 3 EEX-Vo (nr. 44/2001). De hoogste Oostenrijkse rechter wenste te vernemen welke rechter in de zin van art. 5 punt Pro 3 EEX-Vo bevoegd is in het geval de belegger zijn op een gebrekkige prospectus gebaseerde beleggingsbeslissing heeft genomen in zijn woonplaats en hij de aankoopprijs voor de effecten vanaf zijn rekening bij een Oostenrijkse bank heeft gestort op een afwikkelingsrekening die hij aanhoudt bij een andere Oostenrijkse bank vanwaar de aankoopprijs aan de verkoper is overgemaakt. Is in dat geval de rechter van het rechtsgebied waar de belegger woont bevoegd, of de rechter van het rechtsgebied van de vestigingsplaats van de bank waar de gewone bankrekening wordt aangehouden van waaruit de geïnvesteerde bedragen zijn overgemaakt naar de afwikkelingsrekeningen, dan wel de rechter van het rechtsgebied van de vestigingsplaats van de bank die de afwikkelingsrekening beheert?
Kolassaen
Universal Music:
Kolassa, C‑375/13, EU:C:2015:37, punt 57).
Universal Music International Holding(C‑12/15, EU:C:2016:449), heeft het Hof gepreciseerd dat deze vaststelling was gedaan in een bijzondere context, die werd gekenmerkt door omstandigheden die tezamen bijdroegen tot toekenning van bevoegdheid aan die gerechten (arrest van 16 juni 2016,
Universal Music International Holding, C‑12/15, EU:C:2016:449, punt 37).
Universal Music International Holding, C‑12/15, EU:C:2016:449, punt 40).’
Universal Musicgeformuleerde regel dat de plaats waar een bankrekening wordt gehouden waarop rechtstreeks zuivere financiële schade is ingetreden op zichzelf, zonder bijkomende omstandigheden, onvoldoende is voor het aannemen van internationale bevoegdheid op grond van art. 5 punt Pro 3 EEX-Vo (nr. 44/2001), thans art. 7 punt Pro 2 EEX-Vo. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat de specifieke omstandigheden in de zaak
Löbertezamen redengevend zijn om bevoegdheid toe te kennen aan de Oostenrijkse gerechten:
Löberkennelijk (mede)bepalend voor de bevoegdheid is dat (i) de belegger haar woonplaats had in Oostenrijk, (ii) alle betalingen betreffende de beleggingstransactie zijn verricht via Oostenrijkse bankrekeningen (zowel de persoonlijke bankrekening van de belegger als de ‘afwikkelingsrekeningen’), (iii) de belegger in het kader van de transactie alleen met Oostenrijkse banken heeft gehandeld, (iv) de certificaten op de Oostenrijkse secundaire markt zijn verkregen, (v) de prospectus betreffende de certificaten genotificeerd is bij de Oostenrijkse Centrale Bank en (vi) de belegger in Oostenrijk op basis van deze informatie zich ertoe heeft verbonden te beleggen. Daarbij lijkt het HvJEU (gelet op het woord ‘daarenboven’ in rov. 33) de nadruk te leggen op de omstandigheid dat de certificaten op de Oostenrijkse secundaire markt zijn verhandeld en de omstandigheid dat de emittent van de certificaten de daarbij behorende prospectus heeft laten notificeren in Oostenrijk. Net als in het arrest
Kolassa, hecht het HvJEU in het arrest
Löber(rov. 34-35) aan de omstandigheid dat voor de verweerder de internationale bevoegdheid van de rechter voorzienbaar moet zijn.
Löberspreekt van het toekennen van bevoegdheid aan ‘de Oostenrijkse gerechten’ en niet aan een gerecht van een specifieke Oostenrijkse plaats. [18] Dat is opmerkelijk, omdat de bijzondere bevoegdheidsregels van art. 7 EEX Pro-Vo niet alleen de internationale bevoegdheid regelen, maar ook rechtstreeks de interne relatieve bevoegdheid (‘het gerecht van de plaats waar’). [19] Door te spreken van de bevoegdheid van ‘de Oostenrijkse gerechten’ wekt het Hof de suggestie dat voldoende is dat de bijzondere omstandigheden van de zaak wijzen op de bevoegdheid van de gerechten van een bepaalde lidstaat en niet op de bevoegdheid van de gerechten van een bepaalde plaats. [20] Het Hof heeft in het midden gelaten op welke bankrekening de schade rechtstreeks is ingetreden. Niet duidelijk is of moet worden gekeken naar de vestigingsplaats van de bank waar Löber haar persoonlijke bankrekening aanhield dan wel van de banken waar een beleggingsrekening werd aangehouden. Enerzijds lijkt uit rov. 32 te volgen dat het Hof bij het gebruik van de term ‘bankrekeningen’ (in de formele procestaal van de zaak: ‘Bankkonten’) geen relevant onderscheid maakt tussen een ‘persoonlijke’ bankrekening (‘persönlichen Bankkonto’) en beleggingsrekeningen (‘Verrechnungskonten’), hetgeen ervoor pleit dat beide rekeningen in aanmerking kunnen komen. Anderzijds blijkt uit de conclusie van A-G Bobek (onder nr. 13) dat Löber haar persoonlijke bankrekening aanhield in Wenen, hetgeen tevens haar woonplaats is, en dat de beleggingsrekeningen werden aangehouden in Salzburg en Graz. Kennelijk was in het arrest
Löbervoor rechtsmacht van de rechter te Wenen voldoende, dat Wenen behalve de woonplaats van de gedupeerde belegger óók de plaats van vestiging van de bank was waarbij deze belegger zijn bankrekening aanhield. Maar wat wanneer de schade rechtstreeks is geleden op een beleggingsrekening die niet wordt aangehouden bij een bank in hetzelfde rechtsgebied waar de gedupeerde belegger zijn woonplaats heeft? Ik noem het geval dat de belegger in Maastricht woonplaats heeft, maar zijn beleggingsrekening gehouden wordt in Amsterdam. Het zou naar mijn mening van extreem formalisme getuigen wanneer de Nederlandse rechter in een dergelijk geval geen bevoegdheid aan art. 7 punt Pro 2 EEX-Vo als rechter van het ‘Erfolgsort’ zou mogen ontlenen, uitsluitend omdat er binnen Nederland geen sprake is van een samenval van de woonplaats van de gedupeerde belegger met de plaats waar zijn bankrekening wordt gehouden.
Kolassaen
Löber. Dit is immers geen omstandigheid die specifiek wijst in de richting van de Nederlandse rechter als bevoegde rechter. Een bijzondere omstandigheid die de bevoegdheid van de Nederlandse rechter kan rechtvaardigen, had zich kunnen voordoen wanneer BP, zoals ook de rechtbank heeft overwogen (in rov. 4.7.16 onder d), zich bij de gewraakte informatievoorziening afzonderlijk of in het bijzonder zou hebben gericht tot Nederlandse beleggers. Dan zou BP redelijkerwijs hebben kunnen voorzien dat in Nederland wonende beleggers op grond van de informatie in de aandelen investeren, in Nederland schade lijden en zich hier tot de rechter zouden kunnen wenden. De rechtbank heeft echter, in hoger beroep onbestreden, vastgesteld dat dit gesteld noch gebleken is.
Kolassa,
Universal Musicen
Löberbestaan echter belangrijke verschillen. Het gaat immers niet om een vordering die is gebaseerd op misleidende informatie in een in Nederland verspreide prospectus. Volgens de stellingen van de VEB in de inleidende dagvaarding, die door het hof niet zijn verworpen, zou BP onjuiste, onvolledige en misleidende informatie openbaar hebben gemaakt via persberichten, op haar website gepubliceerde rapporten, jaarrekeningen en jaarverslagen alsmede in het openbaar gedane uitlatingen van bestuurders. [21] Afgaande op de door het hof vastgestelde feiten, lijkt hier evenmin aan de orde de (doorver)koop van financiële producten op de Nederlandse secundaire markt, maar de koop van gewone BP-aandelen die zijn genoteerd aan de beurs in Londen en/of Frankfurt ‘via’ in Nederland aangehouden beleggingsrekeningen. De schade is, anders dan in de zaak
Universal Music(en mogelijk ook de zaken
Kolassaen
Löber), beweerdelijk niet ingetreden op een ‘gewone’ bankrekening maar op een effectenrekening. De plaats waar een effectenrekening wordt aangehouden is mogelijk lastiger te lokaliseren dan de plaats van een gewone bankrekening. [22]
CDC/Akzo Nobelhad een aantal gedupeerden van een waterstofperoxidekartel hun vorderingen gecedeerd aan een ‘claim vehicle’. Het HvJEU heeft overwogen dat de overdracht van schuldvorderingen door de oorspronkelijke schuldeiser geen invloed kan hebben op de bepaling van het bevoegde gerecht volgens art. 5 punt Pro 3 EEX-Vo (nr. 44/2001) en dat het schadebrengende feit derhalve voor iedere schadevordering moet worden bepaald, ongeacht een eventuele overdracht of bundeling ervan. [28] Het is de vraag of dergelijke strenge regels ook gelden voor de lokalisatie van het Erfolgsort in een collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW, nu in een dergelijke procedure een cessie of bundeling van vorderingen niet aan de orde is.
DFDS Torline/SEKOherhaald dat de verweerder zowel voor de rechter van het ‘Handlungsort’ als voor de rechter van het ‘Erfolgsort’ kan worden opgeroepen, ondanks de omstandigheid dat de verwijzende instantie in die zaak (het Deense Arbeidshof) slechts bevoegd was om zich uit te spreken over de rechtmatigheid van een collectieve werknemersactie en een andere rechterlijke instantie over de verzoeken tot vergoeding van de veroorzaakte schade. [37] Bovendien is op grond van art. 7 punt Pro 2 EEX-Vo ook het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich
kanvoordoen bevoegd, waaruit volgt dat de EEX-Verordening niet het bestaan van schade (en een daarop gebaseerde vordering tot vergoeding van schade) veronderstelt. [38]
. [39] Daarin heeft het hof, in het verlengde van hetgeen is beslist voor gewone perspublicaties in zijn arrest
Shevill/Presse Alliance [40] , onder meer bevoegdheid toegekend aan de gerechten van elke lidstaat op het grondgebied waarvan een op internet geplaatste content toegankelijk is of is geweest, althans voor zover het gaat om het kennisnemen van vorderingen met betrekking tot schade die is veroorzaakt op het grondgebied van de lidstaat van het aangezochte gerecht. [41] De omstandigheid dat publicaties op internet in beginsel wereldwijd toegankelijk zijn, zodat overal waar in de lidstaten schade is geleden een (beperkt) bevoegd forum kan worden aangewezen, lag kennelijk niet in de weg aan het formuleren van een dergelijke bevoegdheidsregel. Bij ‘strooischade’ (schade die op verschillende plaatsen is ontstaan, zoals bij laster via perspublicaties of via het internet) is de rechter slechts bevoegd ten aanzien van de binnen zijn rechtsgebied ingetreden schade.