Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten
Doelstelling
that the state of building was slightly behind schedule” en “
we calculate that the signing at the notary can take place from 20th of June 2008 on.”
Unfortunately we have to inform you that once again a delay is arose (…) I can therefore confirm herewith that we can signing at the notary from 19 July 2008.”
De voorzitter licht aan de hand van een presentatie de situatie rond het fonds toe. (…) De hogere financieringslasten in combinatie met lagere huurinkomsten en ontbreken van reserves heeft geleid tot staking van de obligatierentebetalingen.”
3.Procesverloop
4.Bespreking van het principale cassatiemiddel
voorwaardelijk incidentele cassatiemiddel.
onderdeel 2 van het principale cassatiemiddel.
voorwaardelijk incidentele cassatiemiddel.
onderdeel 2 van het principale cassatiemiddel.
onderdeel 4 van het principale cassatiemiddel.
onderdeel 3 van het principale cassatiemiddel.
onderdeel 1 van het principale cassatiemiddel.
subonderdeel 2.1.1dat het in 4.4.1 geciteerde oordeel onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd is, omdat de (aspirant)obligatiehouders op basis van het prospectus mochten verwachten dat hun inleg (deels) wel gedekt was door een op het Spaanse vastgoed gevestigd eerste recht van hypotheek.
subonderdeel 2.2.3), de aanwezigheid van transacties met gelieerde partijen (
subonderdeel 2.2.1), het verhuurd zijn van de objecten en de verhuurbaarheid ervan (
subonderdeel 2.2.2) en de wijze van aanwending van de obligatie-inleg (
subonderdeel 2.2.4). Ik bespreek de klachten in de volgorde waarin het hof deze onderwerpen heeft behandeld.
Projectontwikkeling?
subonderdeel 2.2.3is dit oordeel onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd in het licht van de stellingen van de Claimstichting, kort gezegd, dat het prospectus het beeld creëert van een relatief veilige belegging (met gegarandeerd rendement) terwijl de obligatiehouders de facto echter risico’s hebben gelopen die zich voordoen bij projectontwikkeling en die zij niet behoefden te verwachten.
het verhuurd zijn van de objecten/de verhuurbaarheid). Dit geldt ook voor het feit dat de taxaties de waarde in afgebouwde staat betroffen (het hof oordeelt in rov. 5.2.8 op p. 21 onder het kopje
de taxatiewaardesdat dit verwijt samenvalt met het verwijt ter zake waarvan misleiding is aangenomen). Dit geldt ook voor de in rov. 5.2.17 (waarover in cassatie niet wordt geklaagd) besproken problemen met het niet verkrijgen van een woonvergunning, de dreigende insolventie van Valor Real en de noodzaak van herstructurering van het fonds.
tweede klachtvan het subonderdeel veronderstelt, heeft het hof zijn oordeel niet louter gebaseerd op het feit dat in het prospectus op p. 22 staat vermeld dat Bouw State V fungeerde als koper van een projectontwikkelaar. Het hof heeft aan de hand van de door hem genoemde omstandigheden geoordeeld dat Bouw State V in werkelijkheid fungeerde als koper van een projectontwikkelaar en voorts, dat dit overeenstemt met hetgeen is vermeld in het prospectus. De klacht faalt dus bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Gelieerde partijen/achtergestelde lening?
de eerste klacht van subonderdeel 2.2.1dat het oordeel onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd is.
stelling a). Daartoe overwoog het hof in rov. 5.2.8 onder het kopje
projectontwikkeling, kort gezegd, dat de Bestuurder in de fase voor de totstandkoming van het fonds de rechten van de oorspronkelijke kopers heeft afgekocht en in hun rechten trad voor een nader te noemen meester en dat vervolgens de Spaanse appartementen door de Spaanse vennootschap zijn gekocht van de verkopende projectontwikkelaar Valor Real. Het hof verwijst daarnaar in de door subonderdeel 2.2.1 bestreden rechtsoverwegingen.
stelling b) en dat de Bestuurder, al dan niet via aan hem gelieerde vennootschappen, daarom een financieel belang had bij het Spaanse vastgoed (zie met name de overweging over de achtergestelde lening) (
stellingen c en f).
stellingen d, e en fkomen er verder op neer dat de Bestuurder in verband met dit financiële belang het ertoe heeft geleid dat het fonds, tegen het belang van de obligatiehouders in, in 2009 het Spaanse vastgoed van de projectontwikkelaar heeft afgenomen. Het hof heeft deze stellingen behandeld en verworpen in rov. 5.2.17 over
het doorschuiven van de penthouses in het fonds in 2009:
tweede klachtvan subonderdeel 2.2.1 laten de hiervoor besproken stellingen a t/m g zich niet anders lezen dan dat, kort gezegd, de Bestuurder in privé (althans B. Vastgoed B.V.) gold als contractuele wederpartij van Valor Real en een financieel belang had om het Spaanse vastgoed te verkrijgen, zodat sprake was van een belangenverstrengeling die de obligatiehouders niet behoefden te verwachten.
derde klachtvan subonderdeel 2.2.1 dat uit wat het hof in rov. 5.2.8 overweegt niet, althans niet zonder meer, volgt dat geen sprake is van transacties met gelieerde partijen.
projectontwikkelingbedoelde transacties van de Bestuurder, die in de fase voor de totstandkoming van het fonds de rechten van de oorspronkelijke kopers had afgekocht en in hun rechten trad voor een nader te noemen meester, en dat vervolgens de Spaanse appartementen door de Spaanse vennootschap zijn gekocht van de verkopende projectontwikkelaar Valor Real en (b) de in rov. 5.2.8 onder het kopje
gelieerde partijen/achtergestelde leningbedoelde cessie door de Bestuurder van zijn aanspraken uit dien hoofde aan B. Vastgoed en de daar bedoelde achtergestelde geldlening.
Het verhuurd zijn van de objecten/de verhuurbaarheid
eerste klacht van subonderdeel 2.2.2geeft het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting door te overwegen dat het feit dat de huurstroom in werkelijkheid niet op gang kwam door de sterk vertraagde oplevering pas misleiding zou opleveren indien de aanzienlijke vertraging van de oplevering ten tijde van de uitgifte van het prospectus redelijkerwijs voorzienbaar zou zijn geweest. De klacht voert aan (i) dat beoordeeld had moeten worden of de mededeling in het prospectus ‘op zichzelf genomen’ een misleidend karakter heeft en dat daarbij geen rol speelt wat voor degene die de mededeling openbaar maakt voorzienbaar was of had moeten zijn en (ii) dat het hof niet expliciteert voor wie een en ander voorzienbaar geweest zou moeten zijn.
Het gaat er dus om of de mededeling op zichzelf genomen een misleidend karakter heeft. Is dat het geval, dan behoort de uitgevende instelling zich vanwege het misleidende karakter van die mededeling te onthouden van openbaarmaking daarvan, en handelt zij onrechtmatig indien zij de mededeling toch openbaar maakt. Pas in het kader van de vaststelling van de omvang van de aansprakelijkheid jegens een individuele belegger komt aan de orde of en, zo ja, in hoeverre deze bij zijn beleggingsbeslissing daadwerkelijk door de misleidende mededeling is beïnvloed en als gevolg daarvan is benadeeld.” [onderstreping toegevoegd; A-G]
tweede klachtvan het subonderdeel is de bestreden overweging onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van de stellingen van de Claimstichting, kort gezegd, dat de obligatiehouders mochten verwachten dat de portefeuille zou bestaan uit bestaand verhuurd vastgoed, dat deze vanaf de oprichting van het fonds huurinkomsten zou genereren en dat risico’s van vertraagde oplevering zouden worden ondervangen door de concerngarantie.
derde klachtvan het subonderdeel (op p. 19-20 van de procesinleiding) is in wezen een herhaling van de tweede klacht en dient te falen om de eerder gegeven redenen.
vierde klachtvan het subonderdeel had het hof moeten oordelen over de vraag of het vermelden van de concerngarantie in het prospectus misleidend was. De klacht baseert dit op de positieve zijde van de devolutieve werking van het appel. De klacht veronderstelt dus dat het hof een in eerste aanleg aangevoerde grondslag voor het misleidend zijn van het prospectus over het hoofd gezien.
Afwijkingen ten opzichte van het prospectus) onder 2.6.5 opgemerkt: “
Bouw State V heeft geen beroep kunnen doen op de vermeende huurgarantie van [B.] Vastgoed B.V. Hierdoor zijn de “gegarandeerde” huurinkomsten aan Bouw State V onthouden.” Deze paragrafen maken deel uit van het onderdeel “2. Feiten” van de dagvaarding.
Wijze van aanwenden van de obligatie-inleg
eerste klacht van subonderdeel 2.2.4is onjuist en/of onbegrijpelijk het oordeel dat uit het prospectus (p. 23) voldoende helder blijkt hoe de obligatie-inleg aangewend zal worden.
tweede klachthanteert het hof in rov. 5.2.8 een onjuiste maatstaf omdat voor de vraag of het prospectus misleidend is, niet relevant is of sprake was van een “vooropgezette bedoeling” om gelden te onttrekken voor andere doeleinden dan in het prospectus vermeld.
derde klachtis onbegrijpelijk het oordeel dat de Claimstichting niet voldoende onderbouwd heeft gesteld dat gelden aan het fonds zijn onttrokken voor andere doeleinden dan in het prospectus vermeld. De klacht verwijst daartoe naar zes in de klacht onder a t/m f genoemde stellingen van de Claimstichting.
stelling a) en dat daarvan € 2.800.000 is opgenomen (
stelling d) heeft het hof in rov. 5.2.19 verdisconteerd.
stellingen b en c) en stonden daartegenover geen aankopen (
stelling e), terwijl het bedrag al was opgenomen tot en met 29 december 2008 (
stelling b en f). Het hof heeft in rov. 5.2.19 geoordeeld dat Verweerders een uitvoerig gemotiveerde financiële verantwoording hebben gegeven, waaruit volgens Verweerders blijkt dat alle beschikbare middelen zijn aangewend voor de verwerving van onroerend goed en ontstane kosten, en dat de Claimstichting daartegenover haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. In het licht van de stellingen in de conclusie van dupliek, waarnaar het hof verwijst, [21] komt het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk voor. De klacht faalt daarom.
het slot van subonderdeel 2.2.4tegen rov. 5.2.19 geformuleerde klacht, die voortbouwt op de voorgaande klachten. Overigens heeft het hof, anders dan deze klacht veronderstelt, in rov. 5.2.19 niet geoordeeld dat het bedrag van € 2.800.000 “conform het prospectus” is besteed, maar dat Verweerders dit hebben gesteld en dat de Claimstichting daartegenover onvoldoende heeft gesteld.
subonderdeel 2.4bevat rov. 2.11 (hierboven in 2.9 geciteerd) een onbegrijpelijke vaststelling van de feiten, indien het hof met de woorden “zoals vermeld in het prospectus” zou hebben bedoeld dat het prospectus zou vermelden dat de Bestuurder reeds in 2007 het (nog in aanbouw zijnde) Spaanse vastgoed zou hebben gekocht.
in goed vertrouwenervan uitgegaan dat de appartementen op 12 juni 2008 zouden worden geleverd en heeft dat vermeld in het prospectus,
echter zonder mee te delen dat er nog opgeleverd moest worden en zonder te wijzen op de risico’s die daaraan verbonden waren. Daar kan nog bij worden opgemerkt dat Valor Real als datum 20 juni 2008 had genoemd en dus niet 12 juni 2008.
onzorgvuldigheid(12 juni in plaats van 20 juni) en van
een inschattingsfoutvan [de Bestuurder] door enkel te vertrouwen op het woord van Valor Real. Als (indirect) professioneel bestuurder van een vastgoedfonds had [de Bestuurder] zich moeten realiseren dat er altijd iets kan misgaan, zolang niet is opgeleverd. Naar het oordeel van het hof is deze inschattingsfout evenwel niet van dien aard dat de bestuurder daarvan een voldoende ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt, te meer, nu [de Bestuurder] vertrouwde op het woord van een grote partij met wie hij in het verleden probleemloos had samengewerkt. De Claimstichting denkt daar anders over en hamert in deze context op het feit dat de oplevering in werkelijkheid ernstig is gestagneerd, dat de appartementen uiteindelijk pas in 2009 in het fonds zijn gekomen en dat de huurstroom al die tijd is uitgebleven.
Het gaat er echter niet om wat er achteraf gezien is gebeurd, maar om wat de bestuurder ten tijde van diens gewraakte handelen of nalaten voorzag of behoorde te voorzien. Naar het oordeel van het hof kan uit de door de Claimstichting gestelde feiten en omstandigheden niet de conclusie worden getrokken dat de bestuurder in de toenmalige omstandigheden voorzag of had behoren te voorzien dat er een reëel gevaar bestond dat de appartementen aanzienlijk later zouden worden opgeleverd dan was gepland. Het hof komt dan ook tot de slotsom dat op dit onderdeel geen sprake is van een ernstig persoonlijk verwijt aan de zijde van de bestuurder. (…)” [onderstreping toegevoegd; A-G]
onderdeel 2, falen zij in het voetspoor daarvan.
de eerste klacht van subonderdeel 4.1gaat het bestreden oordeel langs het eigenlijke punt heen. Bij beantwoording van de vraag of de Bestuurder ter zake van de misleiding door het prospectus een persoonlijk ernstig verwijt treft, is van belang dat hij als bestuurder van het fonds de dagelijkse gang van zaken en de inhoud van het prospectus bepaalde (zoals de rechtbank heeft vastgesteld in rov. 5.18 van het vonnis van 23 december 2015). Uit de in de klacht bedoelde stellingen a t/m f van de Claimstichting volgt dat de Bestuurder wist of behoorde te weten, kort gezegd, dat het prospectus misleidend was en tot een onrechtmatige daad van de rechtspersoon jegens de obligatiehouders zou leiden, zodat hem een persoonlijk ernstig verwijt treft.
stelling b). Dat het onroerend goed niet verhuurd was (
stelling b), heeft het hof verworpen (rov. 5.2.8; zie bij subonderdeel 2.2.2). Het hof heeft verdisconteerd dat de Bestuurder ten tijde van het uitbrengen van het prospectus wist dat het Spaanse vastgoed niet afgebouwd was en de oplevering daarom vertraagd was (
stellingen b en a) (zie rov. 5.2.13). Het hof heeft geoordeeld dat de Bestuurder in het prospectus had moeten wijzen op de risico’s in verband met het nog niet opgeleverd zijn van de appartementen (
stelling d) (zie rov. 5.2.13).
stelling c), heeft het hof in rov. 5.2.13 gemotiveerd gereageerd. Voor zover de stelling dat de aannemer de oplevering nog straffeloos 18 maanden mocht uitstellen (
stelling a), verwijst naar de feitelijke gang van zaken, betreft het hetzelfde punt als stelling c. Voor zover stellig a verwijst naar een contractueel recht van de aannemer om de oplevering verder uit te stellen, behoefde het hof daarop niet afzonderlijk in te gaan om de hierna in 4.32.3 genoemde redenen.
stelling f), heeft het hof verworpen. De Bestuurder is er volgens het hof in goed vertrouwen van uitgegaan dat de appartementen op 12 juni 2008 geleverd zouden worden (zij het dat dit onzorgvuldig was, omdat Valor Real 20 juni 2008 had genoemd) en dat hij een inschattingsfout heeft gemaakt door op het woord van Valor Real te vertrouwen (rov. 5.2.13). Het hof vindt dit om de in rov. 5.2.13 genoemde redenen echter te weinig voor het aannemen van een persoonlijk ernstig verwijt. De stelling dat daarvan wél sprake is (
stelling e) heeft het hof dus gemotiveerd verworpen.
derde klachtveronderstelt dat het hof ervan is uitgegaan dat het niet zou behoeven te beoordelen of de Bestuurder wist of behoorde te weten dat de rechtspersoon een onrechtmatige daad jegens derden zal plegen.
vierde klachtvan het subonderdeel kan uit het bestreden oordeel niet (zonder neer) volgen dat de Bestuurder geen persoonlijk ernstig verwijt treft. Hij wist of behoorde te weten dat het prospectus misleidend was omdat hij daarin de obligatiehouders meer zekerheid voorspiegelde (een bestaand en verhuurd vastgoed dat gegarandeerd direct huurinkomsten zou opleveren, met een eerste recht van hypotheek) dan daadwerkelijk bestond.
de eerste klacht van subonderdeel 4.2is het bestreden oordeel onjuist of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van de daarin genoemde essentiële stellingen a t/m h van de Claimstichting, die er kort gezegd op neerkomen dat de Bestuurder voorzag of behoorde te voorzien dat er een reëel gevaar was dat het Spaans vastgoed aanzienlijk later dan gepland zou worden opgeleverd.
stellingen a, b en ckomen erop neer dat de Bestuurder wist van de vertraging ten opzichte van de opleverdatum in april 2008 en dat hij niet op mededelingen van de aannemer mocht vertrouwen. De
stellingen e, f en gkomen erop neer dat de Bestuurder wantrouwig had moeten zijn omdat hij het vastgoed alleen van buiten mocht bekijken, wat ongebruikelijk is, en dat ongeloofwaardig is dat het vastgoed er van buiten ‘zo goed als gereed uitzag’.
Stelling hhoudt in dat de Bestuurder al voor het uitbrengen van het prospectus serieuze aanwijzingen had dat de opleverdatum van 12 juni 2008 niet gehaald zou worden en daarom niet mocht vertrouwen dat er verder geen noemenswaardige vertraging zou zijn. Het hof heeft dit alles in rov. 5.2.13 verdisconteerd.
stelling dwist de Bestuurder dat de aannemer contractueel gerechtigd was om de oplevering straffeloos 18 maanden uit te stellen en dat op overschrijding van de oplevertermijn, anders dan gebruikelijk, geen boete gesteld was.
de tweede klachtvan het subonderdeel brengen de genoemde stellingen mee dat onbegrijpelijk is het oordeel dat de Claimstichting onvoldoende gronden heeft aangevoerd op grond waarvan de Bestuurder nader onderzoek had moeten doen naar de staat van de appartementen.
voortbouwende klachtaan het slot van subonderdeel 4.2 faalt in het voetspoor van de voorgaande klachten.
subonderdeel 4.3. Onderdeel 4 gaat daarom niet op.
subonderdeel 3.1is dit oordeel onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd om de in de subonderdelen 3.1.1 en 3.1.2 genoemde redenen.
subonderdeel 3.1.1volgt, samengevat, uit de overweging dat er sprake was van “één fondsvermogen” niet (zonder meer) dat de inleg niet pro rata had kunnen worden terugbetaald.
subonderdeel 3.1.2volgt, samengevat, uit de overweging dat het bestuur van het fonds bevoegd was tot pro rata-aflossing niet (zonder meer) dat van die bevoegdheid geen gebruik zou zijn gemaakt.
Door de Claimstichting is niet, althans niet onderbouwd, gesteld dat indien de voorgenomen maatregel aan de obligatiehouders was voorgelegd, zij niet met gekwalificeerde meerderheid daarmee hadden ingestemd. Dit ligt ook niet in de rede nu vaststaat dat Valor Real ten tijde van het treffen van de maatregel op het punt van failliet gaan stond en het gevaar dreigde dat de appartementen daardoor niet in het fonds zouden komen.De overname van het project bood aldus een noodoplossing om de appartementen toch in het fonds terecht te laten komen. Weliswaar had die oplossing door de overname van de hypothecaire lening van Valor Real voor de obligatiehouders tot nadeel dat er financiële verplichtingen voor het fonds bijkwamen, maar
het voordeel was dat de aankoop dan veilig gesteld zou worden, de tot dan toe gemaakte kosten niet tevergeefs waren geweest,Bouwstate V er zelf voor zou kunnen zorgen dat de appartementen daadwerkelijk verhuurbaar werden en (naar toen de verwachting was) de huurstroom op gang zou komen, waardoor de rentebetalingen weer voortgezet zouden kunnen worden.
de eerste klacht van subonderdeel 3.1.2zijn de hierboven gecursiveerde oordelen onjuist en/of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van de stellingen van de Claimstichting dat, kort gezegd, de noodoplossing niet paste bij hetgeen in het prospectus over de belegging was voorgespiegeld en de overname van het project gepaard ging met grote risico’s.
tweede klachtvan het subonderdeel, die wijst op de stellingen van de Claimstichting, kort gezegd, (i) dat de obligatiehouders mochten verwachten dat het bestuur zou handelen volgens een van de twee in art. 4.1 van de obligatievoorwaarden bedoelde manieren (pro rata teruggave van de inleg of aankoop ander vastgoed) en (ii) dat de aankoop van ander vastgoed een betere keuze zou zijn geweest omdat dan (iii) alleen de Bestuurder en een aan hem verbonden vennootschap geld zouden hebben verloren en er (iv) nog geen geld was geïnvesteerd.
derde klachtvan het subonderdeel bouwt alleen voort op de eerste en de tweede klacht en dient daarom ook te falen.
subonderdeel 3.3werkt het hof, gezien de in rov. 5.3.5 vastgestelde schendingen van de zwaarwegende [22] informatieverplichtingen van de Voorzitter, in rov. 5.3.8 t/m 5.3.10 met een te zware stelplicht ten aanzien van hetgeen de obligatiehouders zouden hebben gedaan indien zij wel zouden zijn geïnformeerd. [23]
subonderdeel 3.4. Onderdeel 3 gaat daarom niet op.
in grief III van het incidenteel appelbetoogd dat [de Voorzitter] ook anderszins als bestuurder onrechtmatig heeft gehandeld, namelijk door:
grief IV incidenteel appel) en dat niet alleen voor recht moet worden verklaard dat [de Voorzitter] onrechtmatig heeft gehandeld, maar ook dat hij aansprakelijk is, met veroordeling van [de Voorzitter] tot betaling van schadevergoeding.
Grief IV in het incidenteel appelfaalt.”
eerste plaats, samengevat, dat het hof zijn oordeel in rov. 5.3.13 onvoldoende heeft onderbouwd in het licht van de stellingen a t/m g van de Claimstichting, waaruit volgt dat de Voorzitter bewust zijn reputatie heeft ingezet om personen te bewegen als obligatiehouder te gaan beleggen. In het licht van de prominente rol van de Voorzitter bij de verkoop van de obligaties (rov. 5.3.4), had hij de plicht om zich bij zijn handelen rekenschap te geven van de belangen van derden. Die plicht bracht mee, of kon meebrengen, dat de Voorzitter zich er ten minste van vergewiste dat het prospectus de (aspirant)obligatiehouders niet zou misleiden. Het hof heeft deze betamelijkheidsnorm miskend (p. 5, onderaan, van de procesinleiding).
tweede plaats(sub (i) op p. 6 van de procesinleiding) dat niet valt in te zien waarom de stellingen a t/m g slechts zouden zien op de taak van de Voorzitter als bestuurder, maar tot deze taak tevens zou behoren het werven van potentiële beleggers om obligatiehouder te worden.
slotalinea(op p. 7 van de procesinleiding) nog een klacht voor het geval het hof zou hebben geoordeeld dat tot de taak van de Voorzitter als bestuurder wel behoorde het werven van potentiële beleggers om obligatiehouder te worden. Deze klaagt faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat het klaagt over een oordeel dat het hof niet heeft gegeven.
subonderdeel 1.2kan uit het in deze zaak toepasselijke art. 6:194 (oud) BW in combinatie met de in subonderdeel 1.1 genoemde stellingen a t/m g volgen dat de Voorzitter een misleidende mededeling openbaar heeft gemaakt of laten maken en wel door zijn in rov. 5.3.4 bedoelde rol bij de verkoop van de obligaties.
subonderdeel 1.4is onjuist of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd de overweging in rov. 5.3.11, dat het hof ervan uitgaat dat de in eerste aanleg aan het adres van de Voorzitter nog meer gemaakte verwijten, die niet terugkeren in de gewijzigde eis in hoger beroep, zijn prijsgegeven.