Conclusie
[A]te [woonplaats] . [2]
[B]te Voorburg zal gaan, en (iii) dat de minderjarige omgang (contact) zal hebben met de moeder eens in de twee weken van vrijdag uit school tot maandag naar school, alsmede de helft van de zomervakanties en feestdagen, te verdelen in onderling overleg. [3]
[B]te Voorburg. De rechtbank heeft de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard en heeft het meer of anders verzochte afgewezen. [5] De rechtbank heeft met betrekking tot het geven van vervangende toestemming aan de vader om de minderjarige in te schrijven op basisschool
[B]het volgende overwogen (blz. 4, tweede alinea):
[B]te Voorburg en voor zover het de vastgestelde zorgregeling betreft, en, in zoverre opnieuw rechtdoende, aan de moeder vervangende toestemming te geven om de minderjarige in te schrijven op de basisschool
[A]in [woonplaats] en een zorgregeling vast te stellen waarbij de minderjarige de ene week van dondermiddag tot maandagochtend bij de vader verblijft en de andere week van donderdag tot vrijdagavond.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
klacht onder a(“schoolkeuze tijdens samenwoning”) stelt het middel dat de schoolkeuze ten tijde van de samenwoning van partijen niet bepalend of medebepalend kan zijn voor de schoolkeuze die moet worden gemaakt, nu partijen uit elkaar zijn en in een andere stad wonen en zij allebei de keuze voor een andere school hebben bepleit. Dat partijen destijds voor de school in de woonplaats van de vader hebben gekozen, mede omdat daar bekende kinderen naar toe gaan, kan volgens middel niet bepalend of allesbepalend zijn, omdat handhaving van de
status quomeebrengt dat de minderjarige wordt belemmerd in het creëren van een sociaal netwerk.
[B]zat, dat zij op deze school is gewend, dat niet is gebleken dat zij daar niet op haar plaats is en zij daar al haar vriendjes heeft. Dit was ten opzichte van de situatie ten tijde van de beschikking van de rechtbank een nieuw gegeven; de minderjarige ging toen immers nog niet naar school. Het betoog dat handhaving van de
status quomeebrengt dat de minderjarige wordt belemmerd in het creëren van een sociaal netwerk miskent naar mijn mening dat kinderen - door de week en in het weekend - een sociaal netwerk langs verschillende wegen kunnen opbouwen, zowel op en in verband met school (klasgenoten) als daarbuiten, zoals buurtkinderen in beide woonplaatsen die naar een andere school gaan.
klacht onder b(“verhuizing in samenhang met zorgregeling”) stelt het middel voorop dat de door het hof vastgestelde zorgregeling meebrengt dat de minderjarige in veertien dagen negen nachten bij de moeder en vijf nachten bij de vader overnacht, dat de moeder de minderjarige de ene week vier keer naar school brengt en de andere week drie keer, en dat de minderjarige op de drie overige schooldagen, gerekend met veertien dagen, vanuit het huis van de vader naar school gaat. De eerder door de rechtbank vastgestelde regeling bracht mee dat de minderjarige in veertien dagen acht nachten bij de moeder verbleef en zes nachten bij de vader, en dat de moeder de minderjarige de ene week vier keer naar school in Voorburg zou moeten brengen en de andere week twee keer. Het middel betoogt dat, omdat de verdeling van de zorg over de minderjarige door de beslissing van het hof minder evenwichtig is geworden en het hof deze wijziging niet heeft besproken, de beslissing van het hof om “de verhuizing in combinatie met die zorgregeling niet van belang te achten”, niet in stand kan blijven. Volgens het middel is de bestreden overweging des te meer onbegrijpelijk dan wel des te minder goed gemotiveerd gelet op de overweging in rov. 5.9 dat het noodzakelijk dan wel wenselijk is dat de minderjarige ook bij de moeder een sociaal netwerk kan opbouwen en aan wekelijkse activiteiten kan deelnemen. Het middel stelt ter toelichting dat het hof niet uiteen heeft gezet waarom met de in rov. 5.9 genoemde aanpassing in de zorgregeling aan het belang van de minderjarige (voldoende) tegemoet is gekomen om in de buurt van de moeder een sociaal netwerk op te kunnen bouwen. Het middel betoogt dat het hof temeer was gehouden een nadere motivering op dit punt te geven, omdat dit volgens de moeder niet voldoende mogelijk is.
toegewezen. Zo al met het middel kan worden gezegd dat de verdeling van de zorg over de minderjarige door de beslissing van het hof “minder evenwichtig” is geworden, moet worden opgemerkt dat de moeder zelf om de gegeven beslissing heeft verzocht. Anders dan het middel betoogt, heeft het hof de zorgregeling wel “besproken” en heeft het daarbij mede de verhuizing van de moeder en de minderjarige in zijn oordeel betrokken. Voorts heeft het hof daarbij expliciet het belang van de minderjarige in ogenschouw genomen. Het hof overweegt namelijk in rov. 5.9 in het kader van de aanpassing van de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling dat “het in het belang van de minderjarige is dat zij ook bij de moeder een sociaal netwerk kan opbouwen en daar in de buurt wekelijkse activiteiten kan ondernemen”. Wat het middel in wezen voor ogen staat is dat een aanpassing van de zorgregeling in die zin dat de minderjarige feitelijk langer bij de moeder verblijft dan eerder is vastgesteld, zou moeten meebrengen dat de minderjarige ook bij haar in de buurt naar school dient te gaan. Deze gevolgtrekking gaat evenwel niet op, temeer daar de minderjarige ook een ruime omgangsregeling (zorgregeling) met de vader heeft. Zoals gezegd kan een sociaal netwerk ook via een andere weg dan school (klasgenootjes) worden opgebouwd, zoals met buurtkinderen en/of in het verband van verenigingen.
klacht onder c(“door de moeder te overbruggen reistijd”) stelt het middel dat het hof “niet heeft uitgelegd” waarom de langere reistijd van de moeder in het belang is van de minderjarige en dat het hof “de moeder daarentegen juist een verwijt van de verhuizing en de daardoor ontstane langere reistijd lijkt te maken, zonder deze aan de belangen van de minderjarige te relateren”. Volgens het middel mag “deze overweging” daarom geen factor van belang zijn. Het middel klaagt verder dat, als het hof “het door de moeder veroorzaken van vergroting van de reistijd” wel als omstandigheid in zijn beschouwing mocht betrekken, deze overweging onvoldoende is gemotiveerd, aangezien het hof niet is ingegaan op de stelling van de moeder dat haar keuze om te verhuizen hier geen rol behoort te spelen en dat de minderjarige “niet behoort te worden gestraft door haar met een langere reistijd te belasten”. [8] Volgens het middel is het hof “van het omgekeerde uitgegaan” in die zin “dat de keuze van de moeder om te verhuizen ten nadele van de door haar bepleite schoolkeuze kan worden gebracht”. Het middel betoogt dat het hof daarom had moeten uitleggen waarom dit zo is “en waarom de minderjarige met de gevolgen van die keuze kan worden belast”. Daarbij komt, aldus nog steeds het middel, dat het hof tot het geven van een nadere toelichting was gehouden omdat de minderjarige vanwege de vastgestelde zorgregeling (rov . 5.9) vaker vanuit de moeder naar school gaat dan vanuit de vader, zodat de door de vergroting van de reistijd veroorzaakte belasting met nog eens een dag wordt verlengd.
[B]onder meer overwogen dat van de moeder mag worden gevergd dat zij meer tijd overbrugt voor het halen en brengen van en naar school van de minderjarige, omdat zij ervoor heeft gekozen om te verhuizen naar [woonplaats] . Het hof heeft dit oordeel overgenomen. Anders dan het onderdeel betoogt, betreft dit oordeel geen waardeoordeel. Onbegrijpelijk is het oordeel in ieder geval niet. De rechtbank heeft verder overwogen dat
[B]meer op de route van de moeder naar haar werk in Leiden ligt dan op de route van de vader naar zijn werk in Den Haag en dat de moeder onvoldoende heeft onderbouwd dat haar reistijd langer zou zijn dan die van de vader in verband met files, of dat haar reistijd naar Leiden onredelijk zou worden verlengd door het omrijden via Voorburg. Ook dit oordeel heeft het hof, met inachtneming van de stellingen van partijen in hoger beroep, overgenomen. Tegen dit oordeel wordt in cassatie niet opgekomen. Dat het hof mede acht heeft geslagen op de onderlinge reistijd van partijen is niet onbegrijpelijk. Ik merk daarbij in een wat ander verband nog op dat de vader, die in Den Haag werkt, in de feitelijke instanties heeft aangevoerd dat, als er iets op school gebeurt, dat veel gemakkelijker is te herstellen als de minderjarige in Voorburg naar school gaat dan als zij in [woonplaats] naar school gaat. [9] Tot slot zij nogmaals opgemerkt dat de bekrachtiging door het hof van het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het verlenen van vervangende toestemming om de minderjarige in te schrijven op
[B]te Voorburg, op verschillende gronden is gebaseerd. Dat de reistijd naar school, bezien vanuit de moeder, langer is dan vanuit Voorburg, staat vast. Dit is evenwel slechts één van de factoren die het hof diende mee te nemen in de beoordeling. Het hof heeft in rov. 5.4 duidelijk uiteengezet welke factoren (klaarblijkelijk) beslissend zijn geweest. Zie ook onder 2.3 hiervóór. Het oordeel is verweven met een waardering van feitelijke aard. Het gegeven oordeel is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
klachtonderdeel d(“argumenten in hoger beroep die tot een ander oordeel leiden”) vangt aan met een weergave door het hof in rov. 5.1 van de stellingen van de moeder. Het hof heeft daar onder meer het volgende overwogen met betrekking tot die stellingen: “Ook de hoofdverblijfplaats van de minderjarige is bij de moeder, daarom is het van belang dat de school van de minderjarige dicht bij de woning van de moeder is. Dit is ook in het belang van de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarige (…).” Het middel klaagt dat het hof met de passage dat het voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarige van belang is dat haar school dicht bij de woning van de moeder is, onvoldoende scherp het standpunt van de moeder onder ogen heeft gezien dat de minderjarige, zolang zij naar de school bij de vader in de buurt gaat, onvoldoende in staat is bij de moeder in de buurt een sociaal netwerk op te bouwen. [10] Het middel stelt dat deze stelling “enerzijds verklaart waarom het in het belang van de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarige is om in de buurt van de moeder naar school te gaan en anderzijds duidelijk maakt dat sprake is van een tekort in de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarige en dus niet enkel van een “wenselijk extra” wat in de overweging van het hof gelezen zou kunnen worden.” Het middel stelt dat de moeder de aanscherping van haar argument voor het eerst in hoger beroep heeft gegeven en dat zij derhalve, anders dan het hof overweegt, in die procedure wel een nieuw inzicht aan de orde heeft gesteld. Het middel stelt dat het hof in rov. 5.9 terecht heeft onderkend dat het opbouwen door de minderjarige van een sociaal netwerk in de woonomgeving bij de moeder van belang is, en dat dit maakt dat de hiervoor weergegeven, niet (voldoende) door het hof behandelde stelling van de moeder, relevant is. Het middel klaagt verder dat het oordeel in rov. 5.4 dat het belang van de minderjarige het meest gediend is als er geen wijziging wordt gebracht in haar school, geen of onvoldoende recht doet aan de genoemde stelling van de moeder. Het stelt in dat verband dat die stelling, gelet op het daaruit blijkende tekort in de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarige, te zeer van belang is “om met een spreekwoordelijke pennenstreek te kunnen worden afgedaan” en dat “uit die enkele pennenstreek logischerwijs niet blijkt waarom ofwel het door de moeder gesignaleerde tekort niet bestaat dan wel dat (en waarom) het aanvaardbaar is dat dit tekort blijft voortbestaan.” Om deze redenen kan volgens het middel ook de overweging dat de minderjarige inmiddels op de school in de buurt van de vader is gewend en daar al haar vriendjes heeft, geen stand houden. Evenmin kan daarom volgens het middel (doorslaggevend) belang worden gehecht aan al dan niet aannemelijk gemaakte feiten en/of omstandigheden waaruit blijkt dat de huidige school tekort schiet of dat de minderjarige daar niet op haar plaats is. Deze overwegingen doen volgens het middel namelijk niet af aan het door de moeder gesignaleerde tekort. Volgens het middel komt daarbij dat uit niets van hetgeen het hof heeft overwogen, blijkt dat de vriendjes en vriendinnetjes die de minderjarige heeft op de school in Voorburg, ondanks de (relatief lange) reistijd van school naar de woning van de moeder bij de minderjarige kunnen komen spelen op de schooldagen dat zij bij de moeder is. Het middel stelt dat het hof de speel(on)mogelijkheid had moeten bespreken, omdat als de schoolvriendjes en vriendinnetjes uit Rijswijk [11] niet in [woonplaats] kunnen komen spelen, dit de behoefte van de minderjarige aan een sociaal netwerk in [woonplaats] benadrukt. Het middel stelt verder dat het hof heeft overwogen dat de minderjarige inmiddels op de school in de buurt van de vader is gewend en daar al haar vriendjes heeft, terwijl uit de vastgestelde zorgregeling volgt dat de minderjarige op schooldagen vaker bij de moeder is dan bij de vader. In het licht van deze omstandigheden en ingeval van een speelonmogelijkheid is volgens het middel niet (voldoende) duidelijk waarom de keuze van het hof voor behoud van de
status quohet belang van de minderjarige het beste dient.