Conclusie
Indien door partijen een registergoed dan wel een lidmaatschap of soortgelijk recht dat recht geeft op het gebruik van een gedeelte van een registergoed in mede-eigendom wordt verkregen, zal de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel van de koopsom, verwervings- en verbouwingskosten heeft betaald voor het meerdere een vordering hebben op de andere partij.
De kosten van de gemeenschappelijke huishouding en die van verzorging en opvoeding van de kinderen, […], zullen door partijen worden gedragen in verhouding van hun inkomens.
Het recht om verrekening te vorderen van te veel of te weinig betaalde bijdragen vervalt na verloop van het jaar, volgend op dat, waarop deze verrekening betrekking heeft.
Onder “inkomens” worden ten deze verstaan ieders vermogens- en arbeidsinkomsten, met inbegrip van winst uit een zelfstandig uitgeoefende onderneming, na aftrek van de over die inkomsten verschuldigde belastingen en premieën sociale verzekeringen.
[…]
Aan het einde van elk kalenderjaar voegen partijen ter verdeling bij helfte bijeen hetgeen van hun inkomens – genomen in de zin van artikel 9 – van dat jaar onverteerd is.
De winsten uit de onderneming van de vrouw die niet aan haar zijn uitgekeerd, maar in de onderneming zijn gereserveerd, waaronder:
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
“bij het einde van het huwelijk aanwezig vermogen dat is gevormd uit door de echtgenoten tijdens het huwelijk overgespaard inkomen, dient te worden verrekend, ongeacht aan wie van de echtgenoten dat vermogen toebehoort en uit wiens overgespaarde inkomen dat vermogen is gevormd. De achterliggende gedachte is immers dat ieder van de echtgenoten na verrekening van hetgeen door hen tezamen is bespaard, zijn of haar aandeel daarin kan gebruiken voor de vorming en vermeerdering van het eigen vermogen. Hiermee strookt dat bij de finale afrekening na het eindigen van het huwelijk de echtgenoot die zijn of haar overgespaarde inkomsten heeft geïnvesteerd in (de financiering van) een aan de andere echtgenoot toebehorend goed, naar de in art. 1:136 lid 1 BW Pro vermelde maatstaf meedeelt in de eventuele waardestijging dien het goed gedurende het huwelijk heeft ondergaan.” [2]
onderdeel adat het onjuist en/of onbegrijpelijk is dat het hof in ro. 6.6.1 tot en met 6.6.8 van het arrest, buiten de grieven van de man om, de vorderingen van de man (te weten de gevorderde betalingen) heeft beoordeeld. Hiermee is het hof, in strijd met artikel 23 Rv Pro, buiten de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep getreden, aldus het onderdeel. Ter onderbouwing voert het onderdeel aan dat de man met de grieven 1 en 2 heeft betoogd dat het krachtens het bepaalde in artikel 1:141 leden Pro 3, 4 en 5 juncto artikel 1:143 BW Pro voor de hand had gelegen dat de rechtbank opdracht had gegeven om een beschrijving van het te verrekenen vermogen te maken. Het hof heeft deze grieven ook zo opgevat. Grief 3 zag op de proceskostenveroordeling en grief 4 op het dictum, aldus onderdeel a.
“Voor zover vereist doet [de man]tevenseen beroep op artikel 1:143 BW Pro”(mijn onderstreping). Daarnaast volgt dit zoals hiervoor vermeld ook uit het petitum. Hoewel het hof in ro. 6.5.2 inderdaad heeft opgeschreven dat de man “
betoogt door middel van de grieven 1 en 2 dat het krachtens het bepaalde in art. 1:141 leden Pro 3, 4 en 5 juncto art. 1:143 BW Pro voor de hand had gelegen dat de rechtbank opdracht had gegeven om een beschrijving van het te verrekenen vermogen te maken.”blijkt uit het vervolg van ro. 6.5.2 dat het hof de grieven van de man wel in hun totaliteit heeft beoordeeld.
onderdeel bklaagt het middel dat het onjuist en/of onbegrijpelijk is dat het hof in ro. 6.6.8 van het arrest overweegt dat de eerste twee grieven slagen, nu is komen vast te staan dat op de peildatum sprake was van overgespaard vermogen van (in ieder geval) € 133.836,-. Zonder nadere motivering is deze overweging onbegrijpelijk, nu de man in de eerste twee grieven heeft geklaagd dat het voor de hand had gelegen dat de rechtbank opdracht had gegeven om een beschrijving van het te verrekenen vermogen te maken, en daartoe onder meer aanvoert dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op de peildatum vermogen aanwezig was en dat sprake was van overgespaarde inkomsten, aldus het onderdeel.
alleen) in die zin dat het hof de grieven van de man in hun totaliteit heeft beoordeeld (zoals hierboven onder 2.2 is uiteengezet). Daarmee is nog niet gezegd dat dit oordeel van het hof (inhoudelijk) juist is. Het antwoord op die vraag zal ik hierna behandelen. Dit onderdeel faalt derhalve eveneens.
Middel 2bevat de
onderdelen a tot en met g. De onderdelen a tot en met f zal ik eerst samenvatten en vervolgens gezamenlijk bespreken.
Onderdeel bklaagt dat de overwegingen van het hof in ro. 6.6.6 (en het begin van 6.6.7) onjuist en/of onbegrijpelijk zijn. Het hof miskent dat op de (voormalig) echtgenoot die op grond van artikel 1:141 lid 3 BW Pro een beroep doet op verrekening van het vermogen (van de andere (voormalig) echtgenoot) op de peildatum, (in beginsel) de stelplicht en bewijslast rust ten aanzien van de omvang (en samenstelling) van het op de peildatum aanwezige vermogen (van de ander), aldus het onderdeel. Deze redenering van het hof leidt ertoe dat de stelplicht en bewijslast niet bij de man ligt, hetgeen onjuist is, nu de wetgever de bewijslast die op de man rust conform artikel 150 Rv Pro. heeft verlicht door het in artikel 1:141 lid 3 BW Pro genoemde bewijsvermoeden op te nemen. Slechts de omvang (en samenstelling) van het vermogen op de peildatum hoeft gesteld te worden en bewezen, niet het verloop van het overgespaarde inkomen/vermogen, aldus het onderdeel. Dat de stelplicht en bewijslast in dit geval op de man rust, volgt ook uit artikel 1:141 lid 3 BW Pro waarin artikel 1:143 BW Pro van overeenkomstige toepassing is verklaard.
“het had op de weg van de vrouw gelegen om haar stelling dat op de peildatum sprakekan(cursivering hof) zijn van vermogensbestanddelen die in waarde zijn afgenomen of negatieve vermogensbestanddelen genoegzaam te onderbouwen.”is in dat opzicht onbegrijpelijk.
“Van de vrouw mocht worden verlangd – nu het ging om de ontwikkeling van haar privé vermogen tijdens het huwelijk en de omvang daarvan op de peildatum – dat zij voldoende feitelijke gegevens in het kader van de onderhavige procedure verstrekt ter motivering van haar betwisting van de stellingen van de man teneinde de man aanknopingspunten te verschaffen voor eventuele bewijslevering […].”
“Nu de vrouw de stellingen van de man onvoldoende heeft betwist”reeds onbegrijpelijk. Voorts kan het hof naar mijn mening niet komen tot een oordeel over de waarde van het vermoed te zijn overgespaarde vermogen, zonder dat een beschrijving van het vermogen in de zin van artikel 1:143 lid 1 heeft Pro plaatsgevonden. De man heeft weliswaar gesteld dat door – onder meer – de niet uitgekeerde meewerkbeloningen een winst in de onderneming is ontstaan die evenmin is uitgekeerd, hetgeen de vrouw heeft betwist, maar over de hoogte van die winst valt zonder beschrijving niets te zeggen. Deze winst zou de hoogte van de niet uitgekeerde meewerkbeloningen kunnen hebben maar ook minder of juist meer kunnen zijn.
onderdeel adat de overweging van het hof in ro. 6.5.1 onjuist en/of onbegrijpelijk is dat de man (noch de vrouw) grieven heeft gericht tegen ro. 4.14 en 4.18 van het bestreden vonnis van 27 mei 2015, en dat daarmee vast staat dat de niet uitgekeerde meewerkbeloningen moeten worden gekwalificeerd als overgespaard inkomen en dat de aflossingen op de hypothecaire geldlening zijn voldaan met overgespaarde inkomsten, en dat daar dan ook bij de beoordeling vanuit gegaan moet worden. Gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep diende het hof de stellingen van de vrouw in eerste aanleg ter zake te beoordelen, het was voor de vrouw niet nodig om incidenteel appel tegen de overwegingen van de rechtbank in te stellen, aldus het onderdeel. Het onderdeel wijst onder meer op een zestal stellingen die het hof kenbaar in zijn beoordeling had dienen mee te nemen.
“de man (noch de vrouw) grieven [heeft] gericht tegen de rov. 4.14 en 4.18 van het bestreden vonnis”, waardoor “
vast [staat] dat de niet uitgekeerde meewerkbeloningen moeten worden gekwalificeerd als overgespaard inkomen en dat de aflossingen op de hypothecaire geldlening zijn voldaan met overgespaarde inkomsten”is derhalve onjuist. Dit leidt ertoe dat onderdeel a slaagt.
ongeacht aan wie van de echtgenoten dat vermogen toebehoort en uit wiens overgespaarde inkomen dat vermogen is gevormd.