Conclusie
1.1. Feiten en procesverloop
primairals gevolg van afrekening op de voet van art. 9 HV Pro,
subsidiairals gevolg van afrekening ex 1:141 lid 3 BW.
Meer subsidiairheeft de man gesteld dat verrekening dient plaats te vinden van de aanzienlijke waardestijging die de woning heeft ondergaan als gevolg van de uit onverteerd inkomen gefinancierde verbouwingen.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
dat de man in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw onvoldoende gesteld heeft teneinde te kunnen concluderen dat de verbouwingen van de woning van de vrouw zijn gefinancierd met overgespaard inkomen dan wel met privévermogen van de man.Het bestaat uit drie onderdelen.
vermoeduit te verrekenen inkomsten te zijn ontstaan, zodat het aan de vrouw is om aan te tonen dat de waarde
nietuit te verrekenen inkomsten is ontstaan. Zo rust op de vrouw de stelplicht en bewijslast dat de gestelde verbouwingen niet uit overgespaarde inkomsten zijn gefinancierd. Indien het hof het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW Pro niet heeft miskend, heeft het hof geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang althans een onbegrijpelijk oordeel gegeven, aldus het onderdeel.
NJ2008, 394).’ [20]
onderdeel 3.