Conclusie
ex partebevel).
ex partebevel op te heffen.
ex partebevel toegewezen. Daartoe overweegt de rechtbank dat ten aanzien van de noordgevel sprake is van een wijziging in de zin van art. 25 lid 1 onder Pro c Aw en dat het verzet van [eiser] tegen die wijziging voorshands in strijd moet worden geoordeeld met de redelijkheid. De wijzigingen zijn volgens de voorzieningenrechter ingegeven door de gewijzigde functie van het gebouw en in die context niet onredelijk. Daarnaast weegt de voorzieningenrechter mee dat in de bestuursrechtelijke procedure namens [eiser] is bevestigd dat met het bouwplan aan de noordgevel is voldaan aan de eis van de welstandscommissie om de bestaande architectuur te respecteren (rov. 5.8).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.2een rechtsklacht tegen rov. 3.5.2.1, nu bij aantasting “sub d” de mogelijkheid van reputatieschade is gegeven, hetgeen het hof verwerpt.
subonderdeel 1.3heeft het hof in rov. 3.5.2.1 uitsluitend een redelijkheidstoets aangelegd, maar is niet meegewogen of getoetst of de aantasting van de zuidgevel reputatieschade voor [eiser] als maker teweeg brengt, althans is niet begrijpelijk gemotiveerd waarom die aantasting niet zo’n reputatieschade teweeg kan brengen.
subonderdeel 1.4sprake van onjuistheid of onbegrijpelijkheid, omdat bij de beoordeling van de redelijkheid van [eiser] ’s verzet moet worden meegewogen of hij zich redelijk opstelt en of alternatieven voor de wijziging zijn aangedragen.
subonderdeel 2.1in strijd met zowel de “sub c” als de “sub d”-bepaling, omdat daarbij als enige criterium geldt of een wijziging of aantasting reputatieschade kan toebrengen en niet alleen of verzet in strijd is met de redelijkheid – althans is volgens de vervolgklacht niet voldoende kenbaar of de juiste toets is toegepast.
subonderdeel 2.2klachten tegen de dragende redenering dat de wijzigingen (i) voortvloeien uit de functiewijziging van het gebouw, (ii) deze voordelen meebrengen en (iii) [eiser] onvoldoende heeft toegelicht waarom hij in de bestuursrechtelijke procedures geen bezwaar heeft gemaakt tegen wijzigingen van de noordgevel. Voor de redelijkheidstoets van [eiser] ’s verzet had volgens de klacht moeten worden meegewogen of de maker zich redelijk opstelt en of alternatieven zijn aangedragen voor de voorgestelde wijzigingen, elementen die niet in het oordeel zijn betrokken, althans waaraan ten onrechte is voorbijgegaan, althans is op dit punt sprake van een motiveringsgebrek.
Met name behoort de regel niet te gelden voor bouwwerken en werken van kunstnijverheid, waar het gebruik van het werk een te belangrijke factor is om den eigenaar niet vrij te laten beschikken omtrent het aanbrengen van de wijzigingen, die hem wenselijk toeschijnen.
Bij werken van kunstnijverheid geldt hetzelfde als bij bouwwerken; in den regel primeert het practisch, het nuttig, karakter boven het artistieke: de toepassing van de beginselen van het artikel op deze werken zoude
in de practijk vaak tot onoverkomelijke moeilijkheden aanleiding geven.” [14] (Onderstrepingen A-G)
noodzakelijk gevolg waren van veranderingen in de bestemming of het gebruik van het werk of van een zaak waarvan het werk deel uitmaakt. Dat vond men een te ver gaande beperking ten detrimente van de auteur; dat zou onvoldoende de ideële rechten van de maker waarborgen [15] .
bbetreft [
sc.het recht zich te verzetten tegen wijzigingen in het werk, die de eer of den goeden naam van den auteur zouden kunnen schaden]: dit wordt geregeld in art. 25, leden 1 en 3, der wet.
Zelfs is onze wet in hare bescherming van den auteur iets minder beperkt, daar volgens de Conventie de auteur slechts tegen kan houden eene wijziging, welke zijne eer of goeden naam zou kunnen schaden, terwijl art. 25, laatste lid, der wet spreekt van wijzigingen, van zoodanigen aard, dat de maker of zijne rechtverkrijgenden te goeder trouw hunne toestemming daartoe niet zouden mogen weigeren.
Dieuitzondering kan dus blijven bestaan. Doch met het oog op de Conventie is het beter
de uitzondering voorbouwwerkente doen vervallen. Van groote praktische beteekenis zal dit niet blijken. In art. 25, lid 1, der Auteurswet zullen dus de woorden “met uitzondering van bouwwerken,” moeten vervallen.” [19]
uitzondering voor bouwwerken in art. 25, lid 1, der Auteurswet kan niet worden gehandhaafd, nu art. 6bis der herziene conventie eene uitzondering voor deze werken niet kent. Het vervallen der uitzondering in de Auteurswet brengt echter niet mede, dat men nooit een huis zal mogen verbouwen, zoolang de architect daartegen bezwaar heeft. Want het verbod tot verbouwing geldt niet ten aanzien van verbouwingen van zoodanigen aard, dat de maker (of zijne rechtverkrijgenden) te goeder trouw zijne toestemming niet zou mogen weigeren (laatste lid van art. 25). In het oorspronkelijke wetsontwerp, dat de Auteurswet 1912 is geworden, was het laatste lid (toen nog art. 23) stringenter. Daar dit door aanneming van een amendement-Drucker soepeler is geworden (Handelingen Tweede Kamer 1911-1912, p. 3071), bestaat er thans geen overwegend bezwaar de uitzondering voor bouwwerken te doen vervallen, nu dit met het oog op de herziene conventie noodig is.” [20] (Onderstrepingen A-G)
or other derogatory action in relation to, the said work, which would be prejudicial to his honor or reputation.”.
“ou à toute autre atteinte à la même oeuvre”.
of tegen elke andere aantasting daarvan, die nadeel zou kunnen toebrengen aan zijn eer of zijn goede naam.”
Ook werd de omvang van het recht volgens de Conventie – zij het in geringe mate – uitgebreid.
een nieuw artikel, waarin nauwere aansluiting wordt gezocht bij de regeling van het “droit moral”, zoals dit is geregeld in artikel 6bis der Berner Conventie.
Ten einde beter aan te sluiten bij artikel 6bis der Berner Conventie worden misvorming en verminking van een werk in het ontwerp uitdrukkelijk genoemd.Ondergetekenden menen dat
niet moet worden volstaan met “de eer of de naam” van de maker, welke woorden een letterlijke vertaling van in het eerste lid van artikel 6bis der Conventie voorkomende termen vormen. De toevoeging van de woorden “of aan zijn waarde in deze hoedanigheid” past volkomen bij de strekking der bepaling. (…)”
nadeel kan worden toegebracht aan de waarde van de maker in die hoedanigheid.
recht van verzet tegen elke misvorming, verminking of andere wijziging van het werk, of tegen elke andere aantasting daarvan, alles voor zover dit de maker reputatieschade toebrengt. Was dat maar gebeurd – desgewenst met een regeling dat er een ondergrens is van onredelijk verzet (maar zou dat niet ook al gelden bij een juist uitgevoerde reputatieschade-toets of op grond van het commune recht?) en een bovengrens dat afstand kan worden gedaan van verzet tegen wijzigingen nodig voor een richtige commerciële exploitatie. Dat zou een heldere bepaling zijn geweest die volgens mij tot minder moeilijkheden had geleid dan de door de wetgever toen ingeslagen in mijn optiek onvolkomen doordachte weg.
Zo’n onderscheid zit helemaal niet in art. 6bis lid 1 BC– die bepaling is overduidelijk wel gezien, maar als het ware
uit elkaar getrokkenin een eerste poot “wijzigen” gekoppeld aan de oud-vaderlandse redelijkheidstoets waar men aan bleef hechten en een tweede poot “aantasten” met subcategorieën “misvormen” en “verminken” erbij (maar
dus niet: “andere wijziging”(dan misvormen of verminken), zoals art. 6bis BC die trits wel completeert), waarvoor het reputatieschadevereiste geldt.
inhet werk zelf, terwijl het bij aantasting (ook) kan gaan om aantasting
vanhet werk, waaronder blijkens de gegeven toelichting situaties worden begrepen waarin in het werk zelf niets wordt veranderd, maar het werk op andere wijze wordt aangetast [33] , terwijl deze gevallen niet onder de eerste categorie lijken te kunnen worden begrepen. Ook lijkt de aan te leggen maatstaf te verschillen naarmate het gaat om verzet “sub c” of “sub d”. In “sub c” is immers bepaald dat verzet mogelijk is tenzij dat, gelet op de aard van de wijziging,
in strijd met de redelijkheid is, terwijl je in de “sub d” redactie leest dat verzet mogelijk is tegen aantastingen,
welke nadeel zou kunnen toebrengen aan de eer of naam van de maker of aan zijn waarde in deze hoedanigheid [34] .
inhet werk méér bescherming te bieden aan de maker dan uit art. 6bis lid 1 BC voortvloeit en de Berner Conventie maakt zo’n verdergaande bescherming ook mogelijk. Dat betekent volgens mij dat de “sub c” bepaling zo moet worden uitgelegd dat de maker niet alleen het recht heeft zich tegen een wijziging in dat werk te verzetten als die wijziging nadeel zou kunnen toebrengen aan zijn eer of goede naam (de maatstaf uit art. 6bis lid 1 BC), maar dat de maker daarnaast óók het recht heeft zich te verzetten tegen wijzigingen in het werk die zo’n reputatie-aantasting niet meebrengen, tenzij dat verzet in strijd is met de redelijkheid [37] . Of dit in de praktijk verschil maakt wordt in de literatuur wel betwijfeld [38] . Gelet op de aan te leggen maatstaf – strijd met de redelijkheid – biedt de wijzingsbepaling “sub c” ruimte voor een belangenafweging [39] .
traveaux préparatoiresvan de Berner Conventie echter geen aanknopingspunten voor deze visie. Het lijkt volgens hen ook niet logisch dat een dergelijk onderscheid de bedoeling van de conferentie zou zijn geweest, omdat het belangrijkste doel was om een formulering te bedenken die ook
common lawlanden konden accepteren. Zij vervolgen dan zo [46] :
bisembodies only a minimum standard of protection of moral rights, it is open to national legislation to modify the requirement of prejudice in the way contended for, or even to delete it altogether. Under the standard set out in article 6
bis, however, no violation of the right of integrity is established unless the author can show prejudice to her honour or reputation.”
volgens de minimum-bescherming van art. 6bis BCaan de twee vereisten aantasting en reputatieschade te worden getoetst.
Engeland– waar wel een letterlijke implementatie van art. 6bis lid 1 BC heeft plaatsgevonden, zie hiervoor in 2.23 – lijkt in het kader van het nadeel-vereiste een belangenafweging gemaakt te worden. Zo overwoog Rattee J in het kader van de toets of de in die zaak voorliggende reproductie “prejudicial to the honour or reputation” was van de maker, dat “
before accepting the plaintiff’s view that the reproduction in the book complained of was indeed prejudicial to his honour or reputation, he would have to be satisfied that the view was one that was reasonably held, which inevitably involves the application of an objective test of reasonableness” [67] . Hoewel deze lijn nadien in enkele andere uitspraken is doorgezet, blijft het tot op heden in Engeland onduidelijk of in het kader van het nadeel-vereiste een belangenafweging moet worden gemaakt en bestaat er in het bijzonder onduidelijkheid over de vraag of sprake is van een objectieve of subjectieve toets [68] .
naderebelangenafweging waarin alle omstandigheden van het geval bij de beoordeling worden betrokken (dus: buiten het kader van de toets aan het nadeel-vereiste) is “sub d” – buiten enkele zeer uitzonderlijke gevallen waarin bijvoorbeeld art. 3:13 lid 2 BW Pro toepassing kan vinden – geen plaats [72] .
eerste onderdeelis gericht tegen het aantastingsoordeel “sub d” over de zuidgevel (rov. 3.5.1.1.-3.5.2.1, hiervoor weergegeven in 1.16).
,[eiser] niet in zijn betoog kan worden gevolgd. Hiermee heeft het hof veronderstellenderwijs tot uitgangspunt genomen dat ten aanzien van de zuidgevel sprake is van een aantasting “sub d” en niets anders. De veronderstelling waar de klacht van uit gaat doet zich niet voor, zodat de klacht faalt.
tweede onderdeelis gericht tegen het oordeel over de noordgevel in rov. 3.4.2 dat volgens
subonderdeel 2.1in strijd is met zowel de “sub c” als de “sub d” bepaling zoals die moet worden toegepast in het licht van art. 6bis BC, omdat in beide gevallen volgens de klacht als enig toetsingskader geldt of bij wijziging of aantasting reputatieschade kan worden toegebracht en niet alleen of verzet in strijd komt met de redelijkheid. Voor zover dit niet is miskend, is uit het arrest niet voldoende kenbaar dat het hof de juiste toets heeft aangelegd.
de eis van de welstandscommissieom de bestaande architectuur te respecteren, zou betekenen dat (ii)
[eiser]in de bestuursrechtelijke procedure geen bezwaar zou hebben gemaakt tegen de voorgenomen wijzigingen in de noordgevel, maar “zelfs” zou hebben bevestigd dat voor de noordgevel is voldaan aan
zijn eisom de bestaande architectuur te respecteren. Dit klemt te meer nu het hof ten onrechte niet in zijn oordeel heeft meegewogen dat [eiser] (MvG 27 en 41) erop heeft gewezen dat a) de uiting in de bestuursrechtelijke procedure van 5 juli 2016 betrekking had op de eisen van de Welstand en niet op de door [eiser] zelf kenbaar gemaakte bezwaren tegen de wijzigingen, (b) [eiser] op 14 juli 2016 De 4 Jaargetijden sommeerde om de voorgenomen wijziging van de noordgevel achterwege te laten en (c) [eiser] in alle “zienswijzen” die hij voor en na 5 juli 2016 kenbaar heeft gemaakt, telkens zijn alternatief voor de noordgevel heeft bepleit.
zijn eisom de bestaande architectuur te respecteren, op een kennelijke verschrijving te berusten en dan is duidelijk dat het hof hier bedoeld heeft de
eis van de welstandscommissie. Zo gelezen heeft het hof dan vastgesteld dat door [eiser] in de bestuursrechtelijke procedure geen bezwaar is gemaakt [78] tegen de voorgenomen wijzigingen in de noordgevel en dat hij zelfs heeft bevestigd dat voor de noordgevel is voldaan aan de eis van de welstandscommissie om de bestaande architectuur te respecteren. Het hof heeft, anders dan het onderdeel meent, volgens mij níet geoordeeld dat de omstandigheid dat [eiser] in de bestuursrechtelijke procedure heeft bevestigd dat ten aanzien van de noordgevel is voldaan aan de eis van de welstandscommissie om de bestaande architectuur te respecteren,
betekentdat [eiser] in de bestuursrechtelijke procedure geen bezwaar zou hebben gemaakt tegen de voorgenomen wijzigingen in de noordgevel (maar dat [eiser] én heeft bevestigd dat is voldaan aan de eis van de welstandscommissie én geen bezwaar heeft gemaakt tegen de voorgenomen wijzigingen aan de noordgevel). De op dit vermeende oordeel gerichte klacht mist zodoende feitelijke grondslag.