Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelkeert zich tegen de bewezenverklaring van feit 4 voor zover het [betrokkene 3] betreft.
(het hof begrijpt telkens: de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en verdachte [verdachte] ).Na twee of drie dagen werd zij naar club [A] in Linne (gemeente Maasgouw) gebracht, alwaar werd uitgelegd dat [betrokkene 1] werkzaamheden als prostituee moest verrichten. Als [betrokkene 1] uit de club wegwilde, kwamen de drie Russen haar en de andere vrouwen ophalen. Het werk ging altijd door, ook als zij ongesteld was. De benodigde condooms, gel en sponsjes bekostigden de vrouwen zelf bij een seksshop. De drie Russen brachten de vrouwen daar naartoe. [betrokkene 1] werkte ook in sauna- en seksclubs in Roermond, Sint Truiden in België en in Herzogenrath in Duitsland voor de drie Russen. [betrokkene 1] verdiende met haar werkzaamheden € 200 à € 300 per dag. Dat geld moest zij - tegen haar wil - delen, aanvankelijk met vijf jongens, later met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] , die de helft kregen. De andere vrouwen waren [betrokkene 2] en [betrokkene 4] . Ook zij deelden hun verdiensten met de jongens, volgens [betrokkene 1] .
: “De kleine [betrokkene 3] , [betrokkene 4] , dus oftewel [betrokkene 4]” Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] , dat volgens [betrokkene 1] het nummer van [betrokkene 4] is, is het nummer waarvan de hierna vermelde sms-berichten van ‘ [betrokkene 4] ’ afkomstig zijn.
(het hof begrijpt: verdachte [verdachte] ),bij [betrokkene 11] hun-verdiensten zelf mogen houden en zij wil kennelijk van [medeverdachte 1] weten of de meisjes ook bij hem hun verdiensten zelf mogen houden of juist niet.
“alsjeblieft vandaag vrij mogen nemen”.In het licht van de verklaring van [betrokkene 1] dat het werk altijd, zeven dagen per week, doorging, past het dat de vrouwen aan [medeverdachte 1] groen licht moesten vragen om een keer niet te hoeven werken. Dit is echter niet het enige voorbeeld van een onaanvaardbare, vergaande greep van [medeverdachte 1] op de vrijheid van de vrouwen. Dit blijkt tevens uit de navolgende sms-berichten en tapgesprekken:
sliep bij ons, ging met ons naar de winkel, dus hij was er altijd.”
het hof begrijpt, gelet op de haar getoonde foto: verdachte [verdachte]) haar heeft opgehaald en haar naar een appartement in [plaats] heeft gebracht. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (
het hof begrijpt: [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]) waren bij aankomst ook in het appartement aanwezig en zij vertelden [betrokkene 4] dat ze verkocht was. Het geld, een bedrag van € 5.000, moest zij terugbetalen. Diezelfde avond is besproken welke werkzaamheden in de prostitutie zij moest doen en [betrokkene 2] gaf haar een training. [betrokkene 4] wilde gelijk naar huis toe, maar haar werd verteld dat ze nergens naartoe zou kunnen totdat zij het geld waarvoor ze verkocht was had terugbetaald. Het geld wat zij en de andere vrouwen op een dag verdiend hadden, moesten ze aan [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] geven. De mannen kwamen met de auto naar de club en haalden de vrouwen op en zij, de vrouwen, gaven vervolgens het geld aan hen af. Soms kwamen zij met z’n tweeën: [verdachte] en [medeverdachte 1] of [verdachte] en [medeverdachte 2] of [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Heel soms kwam [medeverdachte 2] alleen. De club waar [betrokkene 4] heeft gewerkt lag in Roermond en heette [B] (
het hof begrijpt: [B]). Zij heeft daar 5 à 6 maanden gewerkt. Zij heeft ook gewerkt in de [C] in Herzogenrath te Duitsland, samen met [betrokkene 1] , die zij bij [B] voor het eerst had ontmoet. [betrokkene 4] heeft ook nog verklaard dat [medeverdachte 1] haar altijd ‘ [betrokkene 4] ’ noemde. Bij de politie heeft [betrokkene 4] niet geheel naar waarheid verklaard, omdat [verdachte] haar had gezegd te zwijgen.
ze al naar de club heeft gebracht.” Dit halen en brengen komt ook naar voren uit de inhoud van de verklaringen van [betrokkene 1] en de getuige [betrokkene 13] , zoals hiervoor reeds overwogen.
tweede middelklaagt dat het hof niet heeft vermeld in welke mate de door het hof geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn heeft geleid tot vermindering van de gevangenisstraf.
NJ2008/358, m.nt. Mevis.
thans(cursivering van mij, A-G) zal volstaan met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van […], met aftrek van voorarrest, kan mijns inziens niet anders worden begrepen dan in relatie tot die door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van […] en het requisitoir van de advocaat-generaal zoals zojuist door mij weergegeven”, met dezelfde stelligheid kan ik dat in de onderhavige zaak niet zeggen. In de onderhavige zaak speelt in het verband van de strafoplegging immers mee dat het hof – anders dan de rechtbank – heeft vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten 2 en 3 (poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, deel uitmakend van een voortgezette handeling, respectievelijk medeplegen van mishandeling, deel uitmakend van een voortgezette handeling). Niet laat zich daarom ’s hofs, ten opzichte van de door de rechtbank opgelegde straf van vier jaren, vermindering van de straf geheel en al verklaren uit de overschrijding van de redelijke termijn; een (niet onbelangrijk) deel van de strafvermindering zou immers kunnen worden toegeschreven aan de vrijspraak voor de feiten 2 en 3. Het bestaan van deze mogelijkheid brengt mee dat uit de strafmotivering van het hof niet kan worden afgeleid welke straf zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, noch in welke mate de door het hof geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn heeft geleid tot vermindering van de gevangenisstraf.